Mensen op verhaal laten komen

Interview met Marinus van den Berg, die 40 jaar als geestelijk verzorger werkte in verpleeghuizen en hospices: over verhalen, vertrouwen, zingeving en luisteren op drie lagen.

Inhoudsopgave

In dit interview laat Marinus van den Berg mensen op verhaal laten komen door aandachtig te luisteren naar hun levensverhaal, iets wat hij ook bespreekt in het PSC Magazine 2017. Meer over palliatieve zorg en geestelijke verzorging is te vinden bij Agora, kenniscentrum palliatieve zorg.

Marinus van den Berg bezocht het klein seminarie in Zenderen en studeerde vervolgens aan de Katholieke Theologische Hogeschool te Utrecht en aan de Universiteit van Yale in New Haven (VS). Hij heeft 40 jaar in de zorg gewerkt en begon als pastor in een verpleeghuis in Apeldoorn. Deze maand wordt hij 70.

Welke rol speelt en speelde het geloof voor jou in je werk?

‘Toen ik 40 jaar geleden begon te werken in de zorg, startte ik als pastor vanuit een rooms-katholieke achtergrond. Ik werkte samen met een collega die dominee was met een gereformeerde achtergrond. Wij werkten destijds afdelingsgericht en niet kerkelijk gericht. We hadden ieder 6 afdelingen onder onze verantwoordelijkheid en we namen deel aan de interdisciplinaire besprekingen. Voor mij is deze samenwerking met verpleging, therapeuten en doktoren altijd heel belangrijk gebleven.

Van oorsprong was het verpleeghuis protestants-christelijk, maar er zaten ook mensen met een katholieke achtergrond. Nu moet je wel bedenken dat het 40 jaar geleden anders was dan nu. Er waren toen veel meer mensen die nog ‘kerkte’. Een enkeling noemde zich humanist of zei dat hij ‘niks geloofde’. Dat vond ik altijd wel interessant. Als ik daarnaar doorvroeg, kreeg ik altijd wel een verhaal te horen. Soms betekende dit ‘niks’ dat iemand niet-kerkelijk was, maar soms betekende het ook wel dat er boosheid of gekwetstheid zat over geloof en kerk.

Een van de belangrijke dingen vond ik altijd – en dat ben ik altijd blijven vinden – dat het gaat om de patiënt of de cliënt. Het gaat om zijn situatie en om zijn waarden en normen. Het gaat om zijn kijk op het leven en zijn grote vragen in het leven. Het gaat niet primair over die van mij. Een mooi voorbeeld hierbij is dat ik eens bij een dame van 84 kwam, die zei: “Moet ik dan nu nog katholiek worden?” Dat hoeft natuurlijk niet. Maar dat idee, dat een pastor komt om iemand te overtuigen van een bepaalde visie, zit heel diep. En dat is nog steeds de wereld niet uit. Dit heb ik altijd één van de grootste spanningsvelden in mijn werk gevonden. Belangrijk voor mij is dus: hoe kan ik het vertrouwen opbouwen, waarin de ander merkt dat het gaat om hem en om hoe hij met de dingen omgaat. Hoe hij tegen ziekte aankijkt, tegen sterven, tegen rouw.

De laatste jaren zie ik mijn werk en niet alleen dat van mij, maar dat van hulpverleners in het algemeen, als het werk van een VVV. Wanneer we starten met een cliënt, kennen we elkaar niet en weten we eigenlijk niets van elkaar af. Ik geloof zelf heel diep in verhalen vertellen. Maar dan moeten mensen wel op die verhalen kunnen komen. En daar is een omgeving van veiligheid en vertrouwen voor nodig. En die moet opgebouwd worden. In het begin ben je vreemden voor elkaar. Je geeft je nog niet bloot; dat duurt even. Je begint een beetje met de kat uit de boom kijken en dan langzaamaan ontstaat er emotionele veiligheid. En op dat moment kan de oester opengaan en ontstaat er vertrouwen. Op dat moment laten mensen meer van zichzelf zien. En soms is het de waarde van een vreemde, dat je aan een vreemde dingen laat zien die je niet zo snel aan familie of bekenden laat zien. Ik start daarom altijd met de gedachte dat ik en de ander beide een vreemdeling zijn. Het spannende is, of de klik tot stand kan komen. En dat lukt niet altijd. Het is een cadeau wanneer mensen opengaan.

Ik heb dit idee van VVV een stapje uitgebreid toen ik een tijd in Rotterdam woonde. En dat kwam door een aantal contacten met moslima’s. Zo zat ik eens bij de bushalte vlak na de aanslag in Parijs, waar ik een gesprek had met een moslima die in de ouderenzorg werkte. Toen we na een minuut of 10 de bus instapten, kwam een andere moslima van een jaar of 50 op mij af en zei dat ze me een compliment wilde geven. Ik vroeg haar waarom. Ze zei: “Omdat u gewoon met ons praat.” Ze legde uit dat na de aanslag in Parijs veel moslims het gevoel hadden met de rug aangekeken te worden. Later had ik eenzelfde soort gesprek in Antwerpen. Wat ik besefte is, dat deze moslima’s lieten zien dat zij een achterstand hebben opgelopen in het geven van vertrouwen. En dat geldt natuurlijk niet alleen voor hen, maar dat zou weleens voor heel veel mensen kunnen gelden; dat ze iets meegemaakt hebben waardoor het vertrouwen en de veiligheid zo geschonden zijn dat er diepe wonden zijn ontstaan.

Om nu weer terug te komen op de vraag welke rol geloof speelt in mijn werk, stel ik mijzelf altijd de kritische vraag: is het geloof voor iemand een bron geweest van steun, van richting voor het leven en van troost of is het een vertroebelde bron? En dat speelt altijd mee, zeker wanneer je elkaar niet kent.’

Belangrijk is dus luisteren? Dit is belangrijker dan je eigen achtergrond.

‘Zeker. Voor mij is dit heel belangrijk. Wat ik ook geleerd heb door de vele gesprekken die ik heb gehad met mensen, is dat ieder gesprek belangrijk is. Het kan zijn dat ik bij iemand kom die aan mij vraagt: was het glad buiten? Dan kan ik denken: je ligt hier in bed, kunnen we het niet over belangrijker dingen hebben? Als je daar zo op reageert, is de kans groot dat het niets gaat worden. De persoon in bed toont belangstelling en hij geeft eigenlijk aan dat hij het zelf niet kan voelen of dat hij graag zelf op straat had willen staan. Er kan eigenlijk van alles onder die vraag liggen.

Ik heb eens iemand horen zeggen dat hij niet met mensen over gewone dingen kan praten. Wanneer je het echter niet over gewone dingen kunt hebben, moet je misschien maar thuisblijven. Dat klinkt een beetje hard, maar het gewone is net zo veelzeggend als het andere. Ik kom ook weleens mensen tegen die vrijwilligerswerk willen doen in een hospice, omdat ze graag diepe gesprekken willen hebben met mensen. Die mensen kunnen wel teleurgesteld worden. De vraag is of mensen zomaar een diep gesprek willen hebben met iemand. En wat zijn diepe gesprekken precies? Dat weet ik eigenlijk ook niet.

Iemand zei eens tegen me na een gesprek: “Ik vond het zo’n fijn gesprek.” Ik vroeg waarom ze dat vond. Zij zei: “Het ging niet over God, niet over geloof en niet over de kerk.” Maar waar ging het dan wel over? Ik had met deze vrouw gepraat over het feit dat ze het zo moeilijk vond dat ze niet meer zelf naar het toilet kon. Ze was die nacht toch zelf uit bed gegaan om naar het toilet te gaan en was gevallen. De zuster had haar gevraagd waarom ze niet gewoon gebeld had. Ik vroeg haar wat dit betekende en toen kregen we het over het kwijtraken van de controle en schaamte. Ze had een kunstmatige uitgang en was bang dat mensen dat roken en daar schaamde ze zich voor. Dat snapte ik; dat ruik je. Ze zei dat veel mensen tegen haar zeiden dat er niets was om zich voor te schamen, en ze was blij dat ik eerlijk was. Het lijkt iets gewoons, maar dat is het niet.

Het vak van geestelijk verzorger gaat dus vooral om betekenis en beleving. Veel gesprekken spelen zich af op 3 lagen: feiten, beleving en betekenis. Iemand heeft in zijn bed geplast en daardoor slecht geslapen. Ik kan dan vragen waarom hij geen verpleger heeft gebeld, maar dat is oplossingsgericht. Of ik kan vragen wat het betekende dat het gebeurde en dan gaat het om beleving en misschien volgt daarna betekenis; bijvoorbeeld dat het betekent dat iemand de controle verliest. Ik kijk dus of ik de beleving of betekenis kan ontdekken en probeer daarbij ook te zien, hoe die gekleurd zijn.

Ik zal nog een voorbeeld geven. Ik kwam bij een lichtdementerende man wiens vrouw ’s nachts onverwachts was overleden. Ik ging hem in de morgen dit trieste nieuws vertellen. Hij zei: “Dat is Gods wil”. Ik ging hier niet op in. Later in het gesprek zei hij dit voor een tweede keer en weer liet ik het liggen. Toen zei hij het voor de derde keer. En ik heb altijd geleerd dat, wanneer iemand iets voor de derde keer zegt, het dan belangrijk is voor deze persoon en als je het dan mist, is het weg. Dus toen zei ik hem dat deze zin op dit moment belangrijk voor hem was, waarop hij zei dat, als hij dit niet had, hij niets meer had. Hij had geen probleem met Gods wil, dat was ik. Hij formuleerde alleen zijn houvast. Ik heb dit gesprek altijd onthouden als een soort herinnering. Soms zegt iemand iets dat jijzelf vreemd vindt of niet zo zou zeggen, maar daarmee komt hij eigenlijk aan het vreemde in jezelf. En dan is het de kunst dat je niet uitkomt bij jezelf, maar wat het betekent voor de ander. Mensen ondersteunen is vaak een kwestie van de goede vraag stellen. En een goede vraag is altijd een open vraag. Een probleem heeft weinig aan een oplossing. Het heeft meer baat bij een nieuwe en soms ook onverwachte vraag. Volgens mij is het zo dat in de ontmoeting genezing zit. Net als in de genezingsverhalen in de Bijbel. Volgens mij zijn dit ontmoetingsverhalen.’

U wordt deze maand 70. Werkt u nog steeds als geestelijk verzorger?

‘Dat is een mooie vraag. Vorig jaar ben ik gestopt met mijn betaalde baan bij een hospice hier in Rotterdam. Nu ben ik officieel met emeritaat zoals dat heet. Maar je kunt wel met je werk stoppen, maar niet met wat je doet. Er komen nog steeds mensen op mijn pad, die vragen om begeleiding of gesprekken en daar ga ik zo veel als ik kan, nog wel op in. Ik geef ook nog steeds lezingen en cursussen. Dus tegenwoordig zeg ik gewoon maar dat ik aan het wandelen ben en doe wat op mijn pad komt.

Ook denk ik wel na over een andere term dan die van geestelijk verzorger. Veel mensen zijn niet zo gelukkig met dit woord. Het woord roept nog steeds een beetje beelden op van kerken. Dat is niet per se verkeerd en misschien moeten we maar gewoon in dat spanningsveld gaan staan. Veel beroepen hebben tenslotte last van beeldvorming. Toch heb ik nagedacht over een andere term en ben gekomen op zingevingsmedewerker. Ik hecht vooral ook aan het woord medewerker. Het is niet dat ik kom om zingeving te brengen, maar ik probeer met mensen na te denken over zin en ook over onzin. Die mag ook benoemd worden.

Het is op mijn leeftijd niet meer mijn ambitie om het juiste woord te vinden, maar ik denk dat dit woord iets aangeeft. Ik geloof dat niemand neutraal is, dat bestaat niet. We hebben allemaal vanaf het begin van ons leven te maken gehad met zingeving. Het begint al met het gegeven of je ouders ‘zin in je hadden’, om het maar basaal te formuleren. Het heeft alles te maken met in wat voor soort sfeer je bent opgegroeid. Wat waren de waarden en normen thuis? Zingeving ontwikkelt zich in de loop van het leven. Het gaat alsmaar door.

Ik ben nu bijna 70 en ik heb altijd dagboeken bijgehouden. Ik ben nu begonnen deze uit te werken. Mijn plan is hier een boek van te maken. Ik ben nu het dagboek van 2016 aan het uitkammen. En het is net alsof ik door een meanderende rivier ben gezwommen en nu aan de kade sta en terugloop langs de oever. Nu zie ik wat mij in een jaar heeft beziggehouden. En ik zie dat op een aantal punten de rivier niet meer hetzelfde stroomt. Voor mij is dat een metafoor. De zin van het leven is geen rechte lijn, maar een meanderende rivier. Belangrijke vragen kunnen zijn: waar is de bron? Waar heeft hij droog gelegen? Waar heb ik zijrivieren nodig gehad? En waar komt de rivier uit?

Mensen die stervende zijn, bijvoorbeeld door een ziekte, doen eigenlijk hetzelfde. Die worden ook uit de stroom van het leven gehaald en komen op een eiland te zitten. Dan gaan mensen terugkijken en hun leven afronden als het ware. Ik heb veel gesprekken gehad als deze. Met een vreemde is het makkelijker hierover te praten dan met een naaste. Vaak is het ook zo, dat uit de naaste omgeving vooral gevraagd wordt naar het lichamelijke.

Ik vind zin een mooi woord. Het betekent ook richting, weg, lust (er zin in hebben). Zin heeft ook te maken met spanning. Er zijn mensen die overspannen raken door te veel te willen, maar er zijn veel meer mensen die overspannen raken door ‘onderspannenheid’, omdat er geen verwachtingen meer zijn. Omdat niemand hun meer wat vraagt en ze onderschat worden. Zelf geniet ik bijvoorbeeld enorm van de periode waarin ik nu verkeer na mijn betaalde werk. Maar er zijn veel mensen die niet meer weten wat ze nog bij te dragen hebben, nadat ze met pensioen gegaan zijn. Ze proberen hun dagen te vullen en de tijd te doden. Dan is er geen spanning meer, geen zin.

Het is goed dat mensen zich bewust zijn van hun gedachten. Dan kun je er namelijk over praten. Vaak gebeurt het dat mensen zichzelf of elkaar verbieden over meer negatieve dingen na te denken; daar moet je niet aan denken. Ik heb een boekje geschreven dat Lijden verlichten heet. Hierin vertel ik verhalen van mensen die niet zo gelukkig zijn of lijden aan het leven, omdat ik denk dat die verhalen ook verteld moeten worden. En ook omdat ik denk dat sommige verhalen uit de zwijgcultuur gehaald moeten worden. En omdat er taal en woorden nodig zijn. Soms zegt men: ik heb er geen woorden voor. Maar soms is het gewoon belangrijk dat iets gezegd wordt; zonder dat er antwoorden zijn.’

Wanneer bent u begonnen met schrijven?

‘Ik heb eigenlijk altijd geschreven. Ik schreef al voor het blad van mijn middelbare school. Voor mijn studie ben ik een jaar naar Amerika gegaan en dat heeft een grote invloed gehad. Daar moest ik veel meer schrijven voor mijn opleiding dan in Nederland. Die papers moest ik in het Engels schrijven. Ik had een klassieke opleiding gehad waarbij altijd enorm lange zinnen gebruikt werden. Ik moest dus leren om me zo helder mogelijk uit te drukken in een andere taal. Zo heb ik geleerd helder te schrijven zodat iedereen het kan begrijpen.

Tijdens dat jaar in Amerika schreef ik ook iedere week een brief naar huis. Er gebeurde veel in dat jaar in korte tijd: mijn neefje overleed, een dierbare tante en mijn oma. En dat gebeurde allemaal in 4 weken tijd en iedere keer kreeg ik het bericht achteraf. In die tijd luisterde ik naar een inleiding van iemand over rouw. Wat is rouw? Ik herkende daarin veel en het maakte veel los. Ik ging erover schrijven; voor mezelf, maar ook in mijn brieven. Toen ik ging werken bleef ik schrijven. Ik had een soort innerlijke noodzaak om in mijn dagboek of in artikelen te schrijven wat ik meemaakte. Zo kwam mijn eerste boek tot stand Als de ouderdom pijn doet. Het was de eerste keer dat iemand vanuit praktijkervaring in een verpleeghuis daarover schreef en het boek heeft 12 drukken gehad. Ik heb ook veel over rouw geschreven, omdat ik op dat onderwerp ben afgestudeerd.

In Amerika volgde ik een cursus met de naam The patient as a teacher. Hiervoor werkte ik samen met een nierpatiënt die 3 maal per week naar het ziekenhuis moest. Door vragen te stellen moest ik erachter komen hoe hij het beleefde om van een gezonde mens een patiënt te worden. Hier moest ik verslagen van schrijven waarover ik supervisie kreeg. Dit zorgde ervoor dat ik getraind werd de juiste vragen te stellen en goed te begrijpen wat de ander zei. Wat ik vooral aan die cursus overgehouden heb, is dat de ander altijd een soort leraar is. Je weet niet hoe het is voor een ander, hoe hij iets beleeft, totdat hij erover gaat praten. Dat ben ik altijd zo blijven zien. Een van de meest gebruikte zinnetjes is, denk ik: kunt u er iets over vertellen? Dan komt de ander op zijn verhaal en dan ga ik er iets van begrijpen. En dat is volgens mij wat een zingevingsmedewerker of geestelijk verzorger doet: iemand op verhaal laten komen.’

Is er tenslotte nog iets dat u wilt zeggen?

‘Veel mensen zeggen, als ik vertel wat ik heb gedaan, dat ik zwaar werk heb gedaan. Ik weet niet altijd goed hoe ik hierop moet reageren. Ik heb veel heftige dingen gezien en dat was soms zwaar. Maar ik ben altijd in de gelegenheid geweest om met mensen te delen. En dat heeft ervoor gezorgd dat ik niet zozeer dat ‘zware’ ervaarde, maar dat ik ook levensvreugde kreeg. Ik ben nooit somber geworden. De verhalen van mensen hebben mij aangescherpt.

Voor mij is feest belangrijk. Maar een feest is niet hetzelfde als een fuif, waar je alleen maar over leuke dingen mag praten. Voor mij is het belangrijk dat je ook kunt praten over minder leuke dingen. Ik zeg niet dat je lijden moet gaan preken of dat je het moet mooipraten, maar lijden moet erkend en benoemd worden. Je moet ernaar luisteren.’

Auteur

Redactie PSC Magazine

Redactie PSC Magazine

Gepubliceerd op

20 augustus, 2026

Thema

PSC Magazine 2017

Tags

Deel dit artikel

Gerelateerde artikelen