Meditatie als vorm van introspectief onderzoek

Interview met dr. Han F. de Wit, grondlegger van de contemplatieve psychologie, over meditatie, boeddhisme, psychotherapie en het vertrouwen in elkaars fundamentele goedheid.

Inhoudsopgave

Interview met dr. Han F. de Wit

Meditatie als introspectief onderzoek

Introspectief onderzoek vormt de kern van de contemplatieve psychologie zoals Han de Wit die beoefent en onderwijst. Meer achtergrondartikelen over meditatie en contemplatieve psychologie zijn te vinden op het PSC Magazine platform. Voor aanvullende informatie over introspectief onderzoek en boeddhistische psychologie kan ook terecht worden gekeken bij het Boeddhistisch Dagblad.

Han de Wit (1944) ontving zijn opleiding tot researchpsycholoog op 2 Nederlandse en 2 Amerikaanse universiteiten. Zijn wetenschappelijk werk op het gebied van de psychologie verwierf internationale bekendheid onder de naam van contemplatieve psychologie. Daarnaast bestudeert en praktiseert hij sinds 1975 het boeddhisme; hij werd leerling van de meditatie-meester Chögyam Trungpa, die hem opleidde en machtigde om de boeddhistische visie en beoefening te onderrichten. Na zijn overlijden werd hij leerling van diens opvolger Sakyong Mipham, die hem in 2000 tot acharya (leraar) wijdde in de traditie van het Shambhala-boeddhisme.

Naast het geven van lezingen en workshops schreef hij een aantal veel gelezen en vertaalde boeken waaronder: De verborgen bloei: over de psychologische achtergronden van spiritualiteit. Onlangs verscheen een geheel herziene versie van De Lotus en de Roos: Boeddhisme voor westerlingen, met daarin veel aandacht voor de relatie tussen boeddhisme, mindfulness en psychotherapie.

Wat bracht u tot het schrijven van uw laatste boek en de boeken die daaraan voorafgingen?

‘Een van die dingen die mij opvielen (jaren ’70), was dat de psychologie en haar onderzoek niet over de psyche ging, maar meer over het menselijk gedrag. Zowel verbaal als fysiek. Ik vond dat daar iets ontbrak. Ik ben verder gaan kijken en heb gemerkt dat in de spirituele/religieuze tradities wel degelijk methodes bestaan waarmee je systematisch je ‘mentale gedrag’, de activiteit van je eigen geest, observeert en onderzoekt. Daar ben ik me in gaan verdiepen. Ik ben daarbij in de leer gegaan bij Chögyam Trungpa, een beroemde boeddhistische meditatie-meester en heb de boeddhistische theorieën en onderzoeksmethoden over de menselijke geest bestudeerd. De boeddhistische traditie, een non-theïstische traditie, is vooral gericht op de vraag: hoe kunnen we ons bevrijden van de blindheid en kortzichtigheid die het gevolg is van een egocentrische levenshouding en van het lijden, dat daaruit ontstaat? En hoe kunnen we onze humaniteit, onze boeddha-natuur, tot bloei brengen en haar bevrijden van allerlei vormen van blindheid, egocentrisme, die haar frustreren?

Daarna ben ik teruggegaan naar de psychologie en kon nu in een taal die mijn collega-psychologen verstaan, vertellen wat meditatie is binnen het boeddhisme. Hoe dat een vorm van introspectief onderzoek is. Het gaat om inzicht. En daar is mijn 1e boek uit voortgekomen: Contemplatieve psychologie. Die benaming ben ik gaan geven aan de psychologische inzichten die je in de grote religieuze tradities kunt vinden. Want deze tradities hebben het ook over gevoelens, over verlangens, over inzicht en compassie. Begrippen die we ook in onze westerse psychologie tegenkomen, maar die nu vanuit een andere insteek dan de academische psychologie worden aangeboden. Ik zie mezelf als een soort schatgraver, niet als een uitvinder, die de contemplatieve psychologie boven de grond heeft gekregen. Daar zijn verdere boeken uit gevolgd en het laatst verschenen boek is De Lotus en de Roos. Dat gaat heel specifiek over de visie op de menselijke geest, het menselijk handelen zoals dat vanuit de boeddhistische traditie wordt gezien.’

Hoe kunnen we deze visie toepassen in onze westerse wereld, onze westerse manier van leven?

‘Het belangrijkste punt is dat we door meditatie een vorm van inzicht kunnen ontwikkelen. Onze westerse manier van kennis verwerven is vooral het maken van theorieën, zo helder mogelijk denken over onze ervaring. Heel waardevol. Je kunt immers zowel helder als verward denken over je ervaring. En goede theorieën doen daar wat aan. Ze leveren bruikbare conceptuele kennis. Maar het kan ook andersom: we kunnen ons er ook in trainen om onze gedachten helder te ervaren. Dat doen we met introspectie en dat levert ons perceptuele kennis op over onze gedachtewereld. Wat we met introspectie, met meditatie, dus doen is proberen zo helder mogelijk zicht te krijgen op onze mentale patronen. Daar gaat beoefening van meditatie over: om meer zicht te krijgen, en dan om ons te bevrijden van die mentale patronen die destructief zijn. Volgens het boeddhisme zijn dat al onze egocentrische patronen. Daar zijn we meestal in bevangen: we zien onszelf als centrum van onze belevingswereld en dat leidt tot veel lijden.

Gelukkig kennen we ook momenten waarop dat egocentrisme niet speelt, momenten waarop we met totale toewijding iets doen. Die momenten maken ons er ook van bewust dat die egocentrische patronen destructief zijn. En dat motiveert ons erin te oefenen om ons ervan los te maken. Dat werkt op alle vlakken van het leven door. Bijvoorbeeld, je hebt de neiging (bij een langer durende relatie) die relatie te zien vanuit de voorgeschiedenis die je hebt met die persoon. De mogelijkheid die persoon ‘fris’ te zien raakt op de achtergrond. Als je zo gefixeerd bent op je eigen herinneringen, je verwachtingen van die persoon, kun je die persoon eigenlijk helemaal niet meer zien. Het is de fixatie die een groot probleem kan zijn. Als je je daarvan bewust bent en je ervan kan bevrijden, ben je in staat met een frisse blik te kijken. Dat is volgens de Boeddha ook heel belangrijk: alles steeds fris zien, niet gekoppeld door hoop, vrees of verwachtingen. Dat schept een soort communicatieve en creatieve ruimte waarin veel meer mogelijk is dan wanneer je vanuit patronen naar een situatie kijkt. En dat is ook de benadering die je in de psychotherapie terugvindt.’

Zou je daarmee kunnen zeggen dat meditatie of boeddhisme een soort gelijke van psychotherapie kan worden?

‘Ja en nee. ‘Ja’ omdat elke vorm van zicht krijgen op die mentale patronen en wat ze met je doen, of ze iets constructiefs bewerkstelligen of niet, verwant is aan veel psychotherapie. Psychotherapie heeft als doel mensen die in de problemen zijn geraakt, op de een of andere manier te helpen zodat ze hun dagelijks leven weer aankunnen. Waarom ook ‘nee’? Omdat je bevrijden van elke vorm van egocentrisme veel verder gaat dan wat we met psychotherapie nastreven. Het is een soort van ultieme psychotherapie die we op onszelf toepassen, gericht op het realiseren van de ontwaakte staat van de Boeddha: het totaal vrij zijn van elke fixatie op onze egocentrische patronen, zodat ons handelen en spreken, net als bij de Boeddha (= de ontwaakte) niet wordt gemotiveerd door wat-heb-ik-eraan, maar door wat heilzaam is voor de totale situatie waarin we ons bevinden. Anders gezegd: er is dan totale toewijding aan, intimiteit met de situatie waarin we ons bevinden. Het non-dualistische perspectief van ‘ik hier – dat daar’ is verdampt. Dan valt het welzijn van de totale situatie samen met ons eigen welzijn. Ze zijn ononderscheiden. Dat is wel iets heel radicaals, dat verdergaat dan welke vorm van psychotherapie ook.

We hebben allemaal te maken met de grote realiteiten van het menselijk bestaan; dat is niet alleen vreugde of iets positiefs. We hebben ook allemaal te maken met ziekte, ouderdom en dood, met niet krijgen wat je wil en wel krijgen wat je niet wil; allemaal grote existentiële feiten in ons bestaan. Daar hoef je niet neurotisch of psychotisch voor te zijn. Op het vrede sluiten met die grote realiteiten richt de boeddhistische meditatie zich.

Laten we even teruggaan naar een van de grondleggers van psychotherapie: Freud. Hij zegt dat het enige wat hij kan doen is het psychisch lijden omzetten in gewoon menselijk lijden. Dat existentiële lijden, het lijden dat Freud het gewoon menselijke lijden noemt en waar we allemaal mee te maken hebben, daar kan, zegt hij, zijn psychotherapie niets aan doen. Eigenlijk heel bescheiden. Psychotherapie gaat over het opheffen van psychisch lijden en het boeddhistische pad gaat over het opheffen van het existentiële lijden. Dat is ook de reden dat, als de boeddha les gaat geven, hij allereerst zegt: laten we eens even heel concreet naar ons leven kijken, hoe zit dat in elkaar, waaraan lijden we, en dan noemt hij ziekte, ouderdom en dood en nog 4 andere vormen van lijden. Het is een universeel menselijk lijden. Ik zeg het weleens zo: een geslaagde psychotherapeut eindigt ermee dat de cliënt en de therapeut tegenover elkaar zitten en zeggen: ja, en dan is er nog het feit dat we ouder worden, ziek worden en soms niet krijgen wat we willen en wel krijgen wat we niet willen. En in die zin kunnen ze vrij met elkaar praten over dat existentiële lijden waar we allemaal mee te maken hebben. De problematiek wordt dan existentieel i.p.v. psychotherapeutisch.’

Wantrouwen versus vertrouwen

‘Er is altijd in elke cultuur een besef, een onderstroom geweest, die ziet dat een egocentrische levenshouding onze humaniteit doet verkrampen. En als we het over een boeddhistische vorm van spiritualiteit hebben is dat een van de tradities die op dat punt inzoomt en kijkt hoe we die humaniteit tot bloei kunnen brengen. Want die humaniteit wordt gevoed door de tendens om iets van je leven te maken, niet alleen van je eigen leven, maar ook dat van andere mensen. Het doet ons goed, als we zien dat de situatie bloeit; we vinden het fijn als we zien dat het goed gaat met de mensen om ons heen. Dat appelleert aan onze boeddha-natuur, aan een niet-egocentrische levenshouding.

Je kan zeggen dat we een cultuur kunnen hebben, die er vanuit gaat dat ieder mens ten diepste het goede wil of een cultuur waarin wantrouwen tegenover die goede wil de keuzes bepaalt. Wantrouwen versus vertrouwen. Natuurlijk is dat niet zo zwart-wit. Het loopt door elkaar heen. Je kunt heel goed tijden hebben waarin een cultuur meer wordt beheerst door wantrouwen in elkaars fundamentele goedheid. Weliswaar kan dat diepe verlangen om iets van ons leven en van de wereld om ons heen te maken, heel extreme vormen krijgen, waarin mensen heel domme dingen kunnen doen. Maar een humane cultuur is toch gebaseerd op het idee dat je gesprekspartner, de mensen om je heen, van goede wil zijn, iets van het leven willen maken. Dat de handelingen die eruit voortkomen, heel kortzichtig en destructief kunnen zijn, is ook waar.

Als we geconfronteerd worden met negatieve daden van anderen, maakt het heel veel uit of je tot de conclusie komt: die ander is slecht, dus afserveren, of dat je op zoek gaat of je die totaal gefrustreerde diepe wens om van het leven wat te maken, bij de ander nog kunt aanraken en vandaaruit dan verdergaat. Dat is een andere insteek dan mensen wegzetten als goed of slecht. Vanuit deze boeddhistische optiek, die zegt dat alle mensen een boeddha-natuur hebben, kun je mensen daarop proberen aan te spreken en te benaderen.

Eigenlijk doe je dat als ouders met je kinderen ook. Als een peutertje uit zijn dak gaat, een woede-uitbarsting krijgt, zijn we geneigd daarop te reageren met: ach jee, kijk nou eens hoe dat meisje, dat kereltje helemaal het spoor bijster is en om zich heen slaat. Wat doe ik eraan? In plaats van zelf woedend te worden en ertegen te vechten, voelen we compassie en kijken we hoe we die woede uit dit peutertje kunnen halen. Met compassie en zorgzaamheid kijken naar het kindje. (Naarmate ze groter worden, vinden we dat vaak moeilijker!) Vanuit deze optiek zou je de houding die je tegenover zo’n peutertje hebt, die fundamentele welwillendheid die daarin zit, als een basishouding voor de omgang met mensen in het algemeen moeten zien te ontwikkelen. Dan ziet het er allemaal heel wat plezieriger uit.’

Is dat eigenlijk ook niet wat de Dalai Lama doet?

‘Jazeker. Ik heb de Dalai Lama een aantal keren mogen ontmoeten en ik herinner me heel goed dat hij een paar jaar geleden in het Congresgebouw een lezing gaf. Toen hij binnenkwam in die volle zaal, ontstond er een sfeer van een kleine huiskamer, waarin iedereen a.h.w. privé zat. Met dat gevoel van intimiteit. Van zijn kant volledige toewijding. Je kon voelen dat wat hij zegt en doet, voortkomt niet uit wat zijn belang is, maar wat het belang is van de totale situatie: op dat moment het belang van de toehoorders. Hij praat tegen je boeddha-natuur. Dat is ook zo in persoonlijk contact met iemand van wie je de nabijheid meteen voelt.

Als er geen vertrouwen in elkaars boeddha-natuur is, maar wantrouwen, is dat het einde van de cultuur. Dan verbinden mensen zich niet meer met elkaar. Als je met iemand wil samenwerken, is dat gebaseerd op vertrouwen en dat zie je al tussen vader/moeder en kind. En dat is een wederzijds vertrouwen en dat maakt dat je samen iets kunt opbouwen. Als dat vertrouwen wordt ondermijnd, zoals we dat de laatste 15 jaar in de westerse cultuur zien, speel je mensen uit elkaar. Dan gaat de verbinding verloren. Dan verdwijnt de samenhang uit de samenleving; niet alleen uit een maatschappij, maar ook uit een gezin. Er moet wederzijds vertrouwen zijn op een bepaald dieper niveau, en dan kun je het natuurlijk oneens zijn met elkaar, maar daaronder moet het verlangen liggen om samen te zijn, goede intenties aan te nemen. Dan kan een gezin heel wat hebben en een relatie ook. Dat speelt op micro-, meso- en macroniveau.’

Hoe zouden we het wantrouwen kunnen omdraaien?

‘Het allerbelangrijkste is, dat je elkaar niet moet verketteren. Zodra je iemand wegzet en negatief etiketteert op een bepaalde manier, is dat het einde van het gesprek. Je moet juist het gesprek blijven aangaan, uitvinden van elkaar waar dat diepe verlangen zit, als een gemeenschappelijke basis over en weer en vandaaruit kun je dan kijken hoe ideeën zijn gevormd, waar zulke houdingen als vreemdelingenhaat, discriminatie, superioriteit enz. vandaan komen, welk dieper verlangen daarachter ligt. M.a.w. wat we kunnen doen is, vermijden te etiketteren, en op een dieper niveau het gesprek aangaan. Dan kun je verhoudingen veranderen. Als je op die humane manier omgaat met mensen, schep je ook cultuur.’

Ik kan me voorstellen dat, als er een zeker inzicht bestaat in je eigen diepere wens, je ook milder wordt. Hoe zouden therapeuten dat in een behandeling kunnen verweven? ‘Ook als je jezelf hebt bevrijd van bepaalde ideologische kortzichtigheid, ben je als therapeut toch vooral probleemgericht bezig. Iemand komt met een hulpvraag en die ga je bekijken; je gaat kijken waar de pijn zit. Maar het helpt als je dat doet vanuit het besef dat die ander het goede wil, – dat dus naast het probleem uit de hulpvraag er een ondergrond is in die therapie waarin die diepe wens die de cliënt en de therapeut beiden hebben, wordt aangeraakt. Het verschijnsel van goede gezindheid is op zich al interessant. Je zegt eigenlijk: er moet een diep humaan contact liggen, helemaal afgezien van de soort therapie en werkwijze die je als therapeut gebruikt. Carl Rogers benadrukte dat heel sterk. Dat heeft niets te maken met of je nu een directieve of non-directieve aanpak hebt. Welke methode je volgt, maakt niet uit. Maar als die goede gezindheid, die fundamentele goedheid, er niet is, gebeurt er niks. Hij ging zelf zo ver door te zeggen: die basis is de therapie. Je moet dus dezelfde zorgzaamheid hebben voor een cliënt die er bv. uitgesproken racistische ideeën op na houdt als de moeder voor dat peutertje dat roept: ik haat je. Dat kan soms heel moeilijk zijn.’

Fundamentele goedheid in andere religies

Tot slot, dit idee van fundamentele goedheid zie je ook terug in andere religies. Hoe komt het dan dat het bij het boeddhisme op de een of andere manier wel uit de verf komt en bij andere religies niet? ‘Daar heb ik wel een antwoord op. Dat is vanwege de beoefening van de meditatie. De meditatie is een vorm van helder zicht krijgen op je mentale patronen en dat zicht, die perceptuele kennis, is heel wat anders dan nadenken over je mentale patronen en vaststellen dat je bepaalde patronen hebt.

De meeste religies, zeker het christendom, hebben een beoefeningskant in de vorm van wat vroeger contemplatie heette: het schouwende gebed. Je ging op een rustig plekje zitten, je keek, je lette op de beweging van je geest en als je merkte dat je bevangen raakte in een gedachte, plaatste je je aandacht terug op bv. het kruisbeeld dat je voor je had geplaatst, of je lette op je ademhaling. Er zijn veel christelijke beoefenaars, bv. Cassianus en de oude woestijnvaders die allemaal een vorm van meditatie beoefenden. Niet nadenken over jezelf, maar kijken wat je geest doet, hoe je erin bevangen raakt met allerlei gedachtes van hoop en vrees, zelfhaat enz. Dat hele gedoe om je ervan los te weken. Die meditatieve traditie is zeker in reformatorische stromingen verdwenen. Daar is het een religie van het woord geworden. Van overtuigingen, van opvattingen, van geloven. Je ziet dat onderzoek nog wel in de monastieke hoek van het christendom. Ik heb veel lezingen gegeven voor de monastieken en een boek daarover geschreven: Verborgen bloei, een bescheiden bestseller die gaat over de lezingen die ik voor novicemeesters van de katholieke kloosters heb gegeven. Het gaat allemaal over het beoefenen en het trainen van onze geest, het onderzoeken van onze geest, het onderzoeken hoe onze gedachtewereld de ervaring kleurt, vaak op een destructieve manier. Hoe we ons daarvan kunnen bevrijden.

Dus dat verlangen om deze aanpak weer terug te brengen is er zeker, ook in de christelijke traditie. In het boeddhisme staat mediteren heel erg voorop. De beoefening daarvan is ook de achtergrond van wat de Dalai Lama allemaal zegt en dat is op meer gebaseerd dan op boeddhistische opvattingen. Het is gebaseerd op de inzichten, die meditatie ons oplevert.’

Auteur

Redactie PSC Magazine

Redactie PSC Magazine

Gepubliceerd op

20 augustus, 2026

Thema

PSC Magazine 2017

Tags

Deel dit artikel

Gerelateerde artikelen