Inleiding
Een van de meest fundamentele begrippen binnen gestalttherapie is contact. Daarmee wordt niet de oppervlakkige aanraking of het beleefde sociale verkeer bedoeld dat mensen dagelijks met elkaar hebben, maar de diepste vorm van verbinding die mogelijk is tussen mensen onderling en tussen een persoon en zijn omgeving. Fritz Perls omschreef contact ooit kernachtig als “de levensfunctie van het organisme aan de grens met zijn omgeving”. In die ene zin ligt een compleet mensbeeld besloten: de mens bestaat niet als een afgesloten, geïsoleerde eenheid, maar krijgt vorm en betekenis juist op het grensvlak waar hij in aanraking komt met wat buiten hemzelf ligt. Contact is daarmee de plek waar groei, verandering en verrijking plaatsvinden, en het ontbreken of verstoren van contact is vaak de kern van psychisch lijden. Dit artikel onderzoekt uitgebreid wat contact binnen gestalttherapie precies inhoudt, hoe de contactgrens werkt, welke typische verstoringen van gezond contact zich kunnen voordoen, en hoe de contactgrenscyclus als diagnostisch en therapeutisch instrument wordt gebruikt.
Wat is contact in gestalt?
Contact in gestalttherapie is het bewuste, directe en authentieke ontmoeten van iets of iemand, inclusief uzelf. Het is daarmee het tegenovergestelde van vermijding, vervaging of onechtheid. Contact kan plaatsvinden met een ander persoon, maar evengoed met een emotie, met een herinnering, met een idee of met een lichamelijke sensatie. Wat al deze vormen van contact gemeen hebben, is dat er sprake is van een volledige, onverdeelde aanwezigheid bij wat zich aandient, zonder dat de ervaring wordt afgezwakt, ontweken of verdraaid voordat ze werkelijk is doorleefd.
Dit is een belangrijk punt: contact is niet hetzelfde als nabijheid of intimiteit in de gangbare, alledaagse betekenis van die woorden. Twee mensen kunnen fysiek dicht bij elkaar zitten en toch nauwelijks contact maken, wanneer beiden vooral bezig zijn met innerlijke afleidingen, met het voorbereiden van hun eigen volgende zin, of met het beschermen van zichzelf tegen een emotie die te dichtbij dreigt te komen. Omgekeerd kan er intens contact ontstaan tussen mensen die fysiek op afstand van elkaar zijn, wanneer beiden werkelijk aanwezig zijn bij wat er tussen hen gebeurt. Contact is dus primair een kwaliteit van aanwezigheid, niet van fysieke nabijheid.
Belangrijk in dit verband is het begrip contactgrens. De contactgrens is de dynamische grens tussen het zelf en de omgeving, en gestalttherapie benadrukt nadrukkelijk dat deze grens niet moet worden opgevat als een muur, maar als een membraan: doorlaatbaar, flexibel en sensitief. Aan de contactgrens vinden alle ontmoetingen en uitwisselingen plaats die het leven van een mens vormgeven. Gezond functioneren betekent dat deze grens soepel is: je kunt contact maken én je kunt je terugtrekken wanneer dat nodig is, je kunt geven én ontvangen, je kunt zeggen wat je wilt én je kunt oprecht luisteren naar wat een ander wil. Een te starre grens leidt tot isolatie en eenzaamheid, terwijl een te doorlatende grens leidt tot verlies van het gevoel van een eigen zelf.
De contactgrens als levend membraan
Het beeld van het membraan verdient nadere uitwerking, omdat het precies weergeeft hoe gestalttherapie naar de relatie tussen individu en omgeving kijkt. Een membraan in de biologie is een structuur die selectief doorlaatbaar is: sommige stoffen kunnen erdoorheen, andere niet, en de mate van doorlaatbaarheid kan bovendien variëren afhankelijk van de omstandigheden. Precies zo functioneert een gezonde psychologische contactgrens. Er is een voortdurende, subtiele regulering gaande van wat wordt toegelaten en wat wordt buitengesloten, van wanneer men zich opent voor invloed van buitenaf en wanneer men zich juist afsluit om de eigen integriteit te bewaren.
Deze regulering is idealiter flexibel en responsief op de actuele situatie, in plaats van star en voorgeprogrammeerd. Iemand met een gezonde contactgrens kan zich openstellen voor een intiem gesprek met een vertrouwde vriend, en tegelijkertijd grenzen stellen tegenover een opdringerige collega, zonder dat dit een innerlijk conflict oplevert. De grens “beweegt mee” met wat de situatie vraagt. Bij veel mensen die in therapie komen, is deze flexibiliteit echter verstoord: de grens is op bepaalde gebieden te star geworden, bijvoorbeeld uit angst voor afwijzing of controleverlies, of juist te doorlatend, bijvoorbeeld uit angst om anderen teleur te stellen of alleen achter te blijven.
Gezond contact en contactstijlen
Niet elk contact is gezond contact. In de loop van het leven, en met name in de vroege kindertijd, leert ieder mens onvermijdelijk manieren om contactpijn te vermijden. Men leert zich aan te passen aan de wensen van belangrijke anderen, zich te verstoppen achter een sociaal aanvaardbare façade, anderen te pleasen ten koste van eigen behoeften, of emoties te onderdrukken die in de context van het gezin van herkomst niet welkom waren. Wat ooit, in die vroege situatie, een noodzakelijke en zelfs verstandige overlevingsstrategie was, wordt in de loop van de tijd een vaste, automatische contactstijl die vervolgens ook wordt toegepast in latere situaties waarin ze niet meer nodig of zelfs schadelijk is.
Gestalttherapie beschrijft een aantal typische contactstijlen of contactonderbrekingen, ook wel contactgrensstoornissen of resistance-patronen genoemd, die in de klinische praktijk keer op keer worden herkend.
Introjectie betreft het slikken van andermans waarden, normen en opvattingen zonder kritische verwerking, alsof men een stuk voedsel in zijn geheel doorslikt zonder het eerst te kauwen en te proeven. Iemand met een sterke introjectie-neiging draagt vaak een innerlijke stem mee die zegt “je moet altijd aardig zijn” of “gevoelens tonen is een teken van zwakte”, zonder dat deze overtuigingen ooit werkelijk zijn onderzocht of eigen zijn gemaakt. In therapie wordt gewerkt aan het herkennen van deze ongekauwde introjecten en het alsnog “proeven” ervan: onderzoeken welk deel waardevol is om te behouden en welk deel mag worden losgelaten.
Projectie is het buiten zichzelf plaatsen van gevoelens of eigenschappen die men niet in zichzelf kan of wil verdragen. Iemand die zijn eigen boosheid niet kan toelaten, kan bijvoorbeeld voortdurend anderen als boos of vijandig ervaren, terwijl de boosheid in werkelijkheid van hemzelf afkomstig is. Projectie beschermt tijdelijk tegen het eigen ongemak, maar vervormt tegelijkertijd het contact met de werkelijkheid en met de ander, die immers wordt gezien door de lens van de eigen afgewezen gevoelens.
Retroflectie houdt in dat energie die eigenlijk naar buiten, naar de omgeving of naar een ander gericht zou moeten worden, in plaats daarvan naar binnen wordt gericht, tegen zichzelf. Iemand die woede voelt over onrecht dat hem is aangedaan, maar deze woede niet durft te uiten naar degene die het onrecht beging, kan deze energie in plaats daarvan tegen zichzelf keren in de vorm van zelfkritiek, spanningsklachten of zelfs lichamelijke pijn. Retroflectie is vaak zichtbaar in lichaamstaal: opeengeklemde kaken, gebalde vuisten, ingehouden adem, spierspanning die de plek markeert waar energie wordt tegengehouden.
Confluentie beschrijft het laten vervagen van de grenzen tussen zichzelf en de ander, tot het punt waarop het onderscheid tussen “wat is van mij” en “wat is van de ander” nauwelijks nog te maken is. Mensen met een sterke neiging tot confluentie hebben vaak moeite om hun eigen mening te formuleren in het bijzijn van een ander, of ervaren onbewust de stemming van de ander alsof het hun eigen stemming is. Enige mate van confluentie is gezond en zelfs noodzakelijk, bijvoorbeeld in de vroege gehechtheid tussen ouder en kind, of in momenten van diepe intimiteit tussen partners, maar wanneer confluentie de dominante manier van in het leven staan wordt, verdwijnt het gevoel van een eigen, autonoom zelf.
Deflectie, ten slotte, is het ontwijken van direct contact via omwegen en afleidingen. Iemand die deflecteert kan bijvoorbeeld op een emotioneel beladen vraag reageren met een grapje, met een abstracte theoretische uitweiding, of door het onderwerp subtiel te veranderen. De energie die eigenlijk gericht zou moeten worden op het directe contact, wordt afgeleid naar een omweg die minder bedreigend aanvoelt.
Elk van deze vijf patronen heeft binnen de gestalttherapeutische literatuur een eigen, uitgebreide beschrijving gekregen en een eigen therapeutische aanpak. Belangrijk is te benadrukken dat geen van deze patronen op zichzelf “fout” of “pathologisch” is: elk patroon kan in bepaalde situaties en in bepaalde mate juist functioneel en gezond zijn. Problematisch wordt het pas wanneer een patroon rigide, automatisch en contextongevoelig wordt toegepast, ongeacht of het in de betreffende situatie nog passend is.
De contactgrenscyclus
Naast de contactstijlen beschrijft gestalttherapie de ideale beweging van contact als een cyclus, ook wel de cyclus van gewaarwording en contact of de gestaltcyclus genoemd. Deze cyclus bestaat uit een aantal opeenvolgende fasen die zich in gezond functioneren vloeiend en herhaaldelijk voltrekken.
De cyclus begint bij rust, ook wel de achtergrond genoemd: een moment van lege, ontspannen aandacht, waarin nog geen specifieke behoefte op de voorgrond staat. Vanuit deze rust ontstaat sensatie: een behoefte of gewaarwording dringt zich op, bijvoorbeeld honger, vermoeidheid, eenzaamheid of nieuwsgierigheid. Deze sensatie wordt vervolgens, in de fase van bewustwording, erkend als iets specifieks: de vage onrust wordt herkend als “ik heb honger” of “ik mis mijn vriend”.
Na deze herkenning volgt mobilisering van energie: er ontstaat spanning en motivatie, een gerichte bereidheid om iets te ondernemen om aan de behoefte tegemoet te komen. Deze mobilisering leidt tot actie of contact: de behoefte wordt daadwerkelijk vervuld via contact met de omgeving, bijvoorbeeld door voedsel te bereiden en op te eten, of door de vriend te bellen. Wanneer dit contact succesvol is, volgt bevrediging of voltooiing: de behoefte is bevredigd, de gestalt, oftewel het betekenisvolle geheel dat rond deze behoefte was ontstaan, is gesloten. Ten slotte volgt terugtrekking: een terugkeer naar de staat van rust, van waaruit vroeg of laat een nieuwe cyclus zal beginnen rond een nieuwe behoefte.
Psychische klachten ontstaan volgens gestalttherapie doorgaans wanneer deze cyclus ergens vastloopt: wanneer behoeften niet worden herkend doordat de gewaarwording ervan te zwak of te bedreigend is, wanneer de gemobiliseerde energie niet daadwerkelijk in actie wordt omgezet, wanneer contact wordt vermeden uit angst voor afwijzing of conflict, of wanneer er weliswaar contact plaatsvindt maar nooit echte bevrediging en voltooiing wordt ervaren, zodat de cyclus telkens opnieuw open blijft staan. Therapie helpt om te herkennen op welk punt in de cyclus het vastlopen zich voordoet bij een specifieke cliënt, en om vervolgens gericht te werken aan het weer op gang brengen van de beweging op precies dat punt.
Herkennen waar de cyclus vastloopt
In de klinische praktijk blijkt het vaststellen van het exacte punt waarop de cyclus vastloopt vaak zeer informatief te zijn voor de richting van de behandeling. Iemand bij wie de cyclus al vastloopt in de fase van bewustwording, dus bij het simpelweg herkennen van eigen behoeften en gevoelens, heeft een andere aanpak nodig dan iemand die zijn behoeften wel helder herkent, maar er vervolgens niet in slaagt de energie te mobiliseren om ernaar te handelen, bijvoorbeeld uit chronische besluiteloosheid of gebrek aan zelfvertrouwen.
Weer een andere groep cliënten mobiliseert energie prima en onderneemt ook actie, maar ervaart bij herhaling geen werkelijke bevrediging na het contact, bijvoorbeeld doordat perfectionistische verwachtingen maken dat elk resultaat als onvoldoende wordt ervaren, of doordat een diepere, onbewuste behoefte niet wordt aangesproken door de actie die wel wordt ondernomen. En sommige mensen slagen er juist niet in om na een bevredigend contactmoment goed terug te keren naar rust: ze blijven “hangen” in de opwinding of spanning van het voorgaande contact, wat kan leiden tot vermoeidheid, overprikkeling of het onvermogen om aan een volgende, nieuwe cyclus te beginnen.
De gestalttherapeut observeert gedurende de sessie nauwlettend op welk punt van de cyclus een cliënt herhaaldelijk vastloopt, vaak zichtbaar in subtiele lichamelijke en gedragsmatige signalen, en gebruikt deze observatie om gerichte experimenten en interventies aan te bieden die precies op dat vastgelopen punt aangrijpen.
De rol van de therapeut bij het herstellen van contact
De gestalttherapeut fungeert in dit proces niet als iemand die voor de cliënt bepaalt hoe het contact eruit zou moeten zien, maar als een zorgvuldige begeleider die de cliënt helpt zijn eigen, authentieke manier van contact maken te herontdekken. Dit gebeurt onder andere door de therapeutische relatie zelf te gebruiken als oefenterrein: de manier waarop een cliënt contact maakt of vermijdt met de therapeut, is vaak een directe, levende afspiegeling van de manier waarop hij dit doet in andere relaties in zijn leven.
Wanneer een cliënt bijvoorbeeld voortdurend introjecteert wat de therapeut zegt zonder het kritisch te onderzoeken, kan de therapeut dit patroon in het hier-en-nu van de sessie benoemen en de cliënt uitnodigen om juist wel een eigen, mogelijk afwijkende mening te vormen. Wanneer een cliënt sterk deflecteert bij het bespreken van een emotioneel beladen onderwerp, bijvoorbeeld door steeds af te dwalen naar abstracte theorie, kan de therapeut vriendelijk maar gericht terugbrengen naar de directe ervaring die net werd ontweken.
Contact herstellen in het dagelijks leven
Hoewel het werken aan contactgrenzen en contactonderbrekingen het meest gestructureerd plaatsvindt binnen de therapiesessie, is het uiteindelijke doel dat cliënten dit vermogen ook meenemen naar hun dagelijks leven. Naarmate de therapie vordert, leren veel cliënten om vaker uit zichzelf op te merken wanneer zij een vertrouwd contactvermijdend patroon inzetten, bijvoorbeeld wanneer zij merken dat zij een lastig gesprek beginnen te ontwijken door een grapje te maken, of wanneer zij zich bewust worden dat zij zich weer aanpassen aan wat een ander lijkt te willen, ten koste van hun eigen behoefte.
Dit vermogen om het eigen contactpatroon in het moment zelf te herkennen, en vervolgens bewust te kiezen voor een meer authentieke, directe vorm van contact, wordt door veel gestalttherapeuten beschouwd als een van de meest waardevolle en blijvende vruchten van een gestalttherapietraject, omdat het de cliënt in staat stelt om ook lang na afloop van de therapie zelfstandig aan zijn relaties en aan zichzelf te blijven werken.
Samenvatting
Contact vormt binnen gestalttherapie de kern van gezond psychologisch functioneren: de bewuste, directe en authentieke ontmoeting met de wereld en met zichzelf, die plaatsvindt aan de flexibele, membraanachtige contactgrens tussen zelf en omgeving. Wanneer deze grens te star of juist te doorlatend wordt, ontstaan typische contactstijlen zoals introjectie, projectie, retroflectie, confluentie en deflectie, die ooit functioneel waren maar in de volwassenheid vaak eerder belemmerend werken. De contactgrenscyclus biedt daarnaast een waardevol kader om te begrijpen op welk specifiek punt het natuurlijke proces van behoefte-herkenning, mobilisering, actie en voltooiing bij een individuele cliënt vastloopt. Door dit vastlopen gericht te herkennen en te helpen doorbreken, ondersteunt gestalttherapie mensen bij het herstellen van hun vermogen tot gezond, vitaal en authentiek contact, zowel binnen de therapiekamer als daarbuiten.