Samenvatting
Een kritische bespreking van de rapid evidence assessment van Garrett en Riou (2021)
Binnen het domein Natuurgeneeskunde, en meer specifiek binnen de discipline Energetische therapie, is therapeutic touch een van de bekendste behandelvormen waarbij de behandelaar zonder fysiek contact, via handbewegingen op enkele centimeters boven het lichaam, beoogt het veronderstelde energieveld van de patiënt te herstellen of te reguleren. Dit artikel bespreekt in detail de rapid evidence assessment van Garrett en Riou (2021), gepubliceerd in Nursing Open, waarin recent onderzoek naar therapeutic touch systematisch doch op verkorte wijze in kaart is gebracht. De auteurs includeerden eenentwintig studies uit de periode 2009-2020, met gezamenlijk ruim dertienhonderd deelnemers, gericht op uitkomstmaten als pijn, angst, slaap, misselijkheid, welzijn en vermoeidheid. Achttien van de eenentwintig studies rapporteerden positieve uitkomsten, maar bij een formele beoordeling van het risico op vertekening bleken slechts vier studies een laag risico op bias te hebben. De auteurs concludeerden dat er geen hoogwaardig bewijs is gevonden voor enige van de geclaimde gezondheidseffecten van therapeutic touch. Dit artikel plaatst deze bevindingen in hun theoretische en methodologische context, bespreekt de sterktes en beperkingen van de rapid evidence assessment als onderzoeksvorm, en weegt de resultaten af tegen de bredere, eveneens voorzichtig-kritische evidentiebasis voor energetische therapieën zoals Reiki. Geconcludeerd wordt dat therapeutic touch weliswaar consistent positieve, overwegend subjectieve effecten laat zien in de onderliggende literatuur, maar dat de methodologische kwaliteit van deze literatuur onvoldoende is om deze effecten met vertrouwen aan de interventie zelf toe te schrijven.
1. Inleiding
Energetische therapieën vormen een omstreden maar veelgebruikte categorie binnen de complementaire zorg. Behandelaars binnen dit vakgebied veronderstellen dat er rond het lichaam van de patiënt een niet-fysiek waarneembaar energieveld bestaat, dat door gerichte handelingen van de therapeut kan worden beïnvloed ten gunste van genezing of welzijn. Binnen de “Gids Evidence Based Onderzoek Complementaire Zorg” wordt deze categorie behandelvormen ondergebracht in het domein Natuurgeneeskunde, in de discipline Energetische therapie (ook wel aangeduid als “Malva” binnen deze bronnengids), waartoe onder meer Reiki en therapeutic touch worden gerekend.
Dit artikel behandelt in detail een van de meer recente en methodologisch expliciete evidentiebeoordelingen binnen dit vakgebied: de rapid evidence assessment van Garrett en Riou, gepubliceerd in 2021 in het peer-reviewed, open-access tijdschrift Nursing Open1. Deze publicatie is in de discipline Energetische therapie nauw verwant aan de eveneens in dit corpus besproken meta-analyse van Liu en collega’s (2025) naar de effecten van Reiki-therapie op kwaliteit van leven2, en aan de institutionele beoordeling van energetische therapieën door het Amerikaanse National Center for Complementary and Integrative Health (NCCIH)3: alle drie de bronnen behandelen, vanuit een andere invalshoek en met een ander studiedesign, de vraag of energetische therapieën een overtuigende wetenschappelijke onderbouwing kennen.
Het doel van dit artikel is drieledig: ten eerste wordt de theoretische achtergrond van therapeutic touch als energetische interventie toegelicht; ten tweede worden de methodologie en de resultaten van de rapid evidence assessment van Garrett en Riou in detail besproken; en ten derde worden de bevindingen kritisch geplaatst binnen de bredere evidentiebasis voor energetische therapieën, inclusief een weging van de methodologische sterktes en zwaktes die relevant zijn voor de klinische interpretatie van de resultaten.
2. Theoretisch kader: therapeutic touch als energetische interventie
Therapeutic touch is in de jaren zeventig van de twintigste eeuw ontwikkeld door verpleegkundig hoogleraar Dolores Krieger en healer Dora Kunz, met als expliciet doel een van oorsprong esoterische handoplegtechniek toegankelijk te maken voor de professionele verpleegkundige praktijk. Ondanks de naam gaat het niet om fysieke aanraking: de behandelaar houdt de handen doorgaans enkele centimeters boven het lichaam van de patiënt en doorloopt een vaste procedure van “centering” (het bewust tot rust brengen van de eigen aandacht), “assessment” (het met de handen “aftasten” van het veronderstelde energieveld op onregelmatigheden), “unruffling” (het gestileerd “gladstrijken” van waargenomen verstoringen) en “treatment” (het gericht toevoeren of herverdelen van energie), gevolgd door een afsluitende evaluatie.
Theoretisch wordt verondersteld dat ziekte en klachten samenhangen met een verstoring of blokkade in het energieveld van de patiënt, en dat de behandelaar deze verstoringen kan waarnemen en corrigeren, waardoor het zelfherstellend vermogen van het lichaam wordt ondersteund. Dit werkingsmechanisme sluit niet aan bij gangbare biomedische, natuurkundige of fysiologische verklaringsmodellen: het bestaan van een dergelijk energieveld is empirisch niet aangetoond en niet consistent met de huidige stand van de biofysica, zoals ook door het NCCIH in zijn beoordeling van energetische therapieën wordt benadrukt3. Dit maakt therapeutic touch tot een van de meer controversiële interventies binnen de complementaire zorg, en verklaart mede waarom onderzoek naar de effectiviteit ervan met bijzondere methodologische zorgvuldigheid moet worden geïnterpreteerd.
Tegelijkertijd wordt therapeutic touch in de verpleegkundige en complementaire praktijk veelvuldig toegepast, met name bij uitkomstmaten die zich lenen voor subjectieve zelfrapportage, zoals pijnbeleving, angst, ontspanning, vermoeidheid en algeheel welzijn. Juist omdat deze uitkomstmaten per definitie gevoelig zijn voor placebo-effecten, verwachtingseffecten en de aandacht die een behandelaar aan de patiënt besteedt — ongeacht de specifieke werkzaamheid van de interventie zelf — is een zorgvuldige, kritische evaluatie van de onderliggende onderzoeksbasis noodzakelijk om deze effecten te kunnen duiden.
3. Doel en onderzoeksvraag van de besproken studie
De rapid evidence assessment van Garrett en Riou (2021) had als expliciet doel om het meest recente bewijs te synthetiseren met betrekking tot de effectiviteit en veiligheid van therapeutic touch als complementaire therapie in klinische gezondheidstoepassingen1. Een rapid evidence assessment (snelle evidentiebeoordeling) is een verkorte, doch systematische vorm van literatuuronderzoek: zij volgt in grote lijnen de stappen van een volledige systematische review — een vooraf gedefinieerde zoekstrategie, expliciete in- en exclusiecriteria, en een beoordeling van de methodologische kwaliteit van de geïncludeerde studies — maar is doorgaans minder uitputtend, bijvoorbeeld door een beperktere zoekstrategie, een kortere doorlooptijd van de beoordeling, of een minder omvangrijk team van beoordelaars. Deze onderzoeksvorm is bij uitstek geschikt wanneer relatief snel een gestructureerd en transparant overzicht van een specifiek, afgebakend onderzoeksveld nodig is, zoals hier het geval was voor het recente onderzoek naar therapeutic touch.
De publicatie in Nursing Open, een peer-reviewed, open-access verpleegkundig tijdschrift, past bij het gegeven dat therapeutic touch van oorsprong en in de praktijk grotendeels een interventie binnen de verpleegkunde is; dit maakt de studie in het bijzonder relevant voor verpleegkundigen en andere zorgverleners die in hun dagelijkse praktijk met vragen over deze interventie worden geconfronteerd.
4. Methode
4.1 Zoekstrategie en selectiecriteria
In lijn met de opzet van een rapid evidence assessment hanteerden Garrett en Riou een systematische, doch versneld uitgevoerde zoekstrategie in wetenschappelijke databases, gericht op het identificeren van recent onderzoek — van 2009 tot en met 2020 — naar de effectiviteit en veiligheid van therapeutic touch in klinische toepassingen. Geïncludeerd werden gerandomiseerde gecontroleerde trials en quasi-experimentele studies waarin therapeutic touch als interventie werd onderzocht bij patiënten of cliënten in een gezondheidszorgcontext, met rapportage van klinisch relevante uitkomstmaten. Deze afbakening tot vergelijkend, kwantitatief onderzoek van het laatste decennium onderscheidt deze evidentiebeoordeling van eerdere, vaak bredere en minder recente overzichten van het onderzoeksveld.
4.2 Geïncludeerde studies
Na toepassing van de selectiecriteria includeerden de auteurs eenentwintig studies, gepubliceerd tussen 2009 en 2020, met een gezamenlijke onderzoekspopulatie van ruim dertienhonderd deelnemers. De geïncludeerde studies betroffen zowel gerandomiseerde gecontroleerde trials als quasi-experimentele designs, uitgevoerd in uiteenlopende klinische settings en bij uiteenlopende patiëntgroepen. De onderzochte uitkomstmaten waren eveneens heterogeen en omvatten onder meer pijn, angst, slaap, misselijkheid, subjectief welzijn en vermoeidheid — stuk voor stuk uitkomstmaten die grotendeels op zelfrapportage berusten en daardoor gevoelig zijn voor niet-specifieke behandeleffecten.
4.3 Kwaliteitsbeoordeling
Een kenmerkend en methodologisch waardevol onderdeel van deze evidentiebeoordeling is dat de auteurs niet volstonden met het inventariseren van gerapporteerde uitkomsten, maar voor elke geïncludeerde studie een formele beoordeling van het risico op vertekening (risk of bias) uitvoerden. Deze beoordeling betrof onder meer de adequaatheid van de randomisatieprocedure, de mate van blindering van deelnemers en beoordelaars, de volledigheid van de uitkomstrapportage en de aanwezigheid van selectieve rapportage. Deze systematische kwaliteitsbeoordeling, die niet in elke evidentiebeoordeling binnen dit onderzoeksveld standaard wordt toegepast, vormt de kern van de kritische conclusies van deze rapid evidence assessment.
4.4 Synthese
Gezien de heterogeniteit in interventieprotocollen, patiëntpopulaties en uitkomstmaten kozen de auteurs, zoals gebruikelijk bij een rapid evidence assessment van een dergelijk divers onderzoeksveld, voor een narratieve synthese van de bevindingen in plaats van een statistische meta-analyse met een gepoolde effectschatting. Hierbij werden de gerapporteerde effecten per studie geordend naar uitkomstdomein en systematisch afgezet tegen de bijbehorende risk-of-biasbeoordeling, zodat inzichtelijk werd in hoeverre positief gerapporteerde bevindingen ook daadwerkelijk afkomstig waren uit methodologisch betrouwbaar onderzoek.
5. Resultaten
Van de eenentwintig geïncludeerde studies rapporteerden achttien positieve uitkomsten voor therapeutic touch, met name op uitkomstmaten als subjectief welzijn, vermoeidheid, pijnbeleving en angst. Op het eerste gezicht wijst dit op een consistent en overwegend gunstig beeld van de interventie binnen het onderzochte tijdvak. Deze bevindingen sluiten aan bij vergelijkbaar onderzoek naar Reiki-therapie, waarin eveneens overwegend positieve effecten op subjectieve uitkomstmaten worden gerapporteerd2: in beide onderzoeksvelden betreft het typisch patiëntgerapporteerde uitkomsten, die per definitie gevoelig zijn voor placebo-effecten, verwachtingseffecten en aandachtseffecten van de behandelaar, ongeacht de specifieke werkzaamheid van de interventie zelf.
Bij de formele beoordeling van het risico op vertekening kantelt dit beeld echter aanzienlijk: van de eenentwintig geïncludeerde studies werden slechts vier als methodologisch laag risico op bias beoordeeld. De overgrote meerderheid van de studies, inclusief het merendeel van de studies met positief gerapporteerde uitkomsten, kende dus een matig tot hoog risico op vertekening. Veelvoorkomende tekortkomingen in de onderliggende studies waren kleine steekproefomvang, gebrek aan adequate blindering — wat bij een interventie als therapeutic touch, waarbij de behandelaar per definitie weet welke conditie wordt toegepast, ook methodologisch lastig te realiseren is — onvolledige rapportage van uitkomsten en een verhoogd risico op selectieve rapportage van gunstige resultaten.
Op basis van deze combinatie van bevindingen concludeerden Garrett en Riou expliciet dat er geen hoogwaardig bewijs is gevonden voor enige van de gezondheidsclaims die aan therapeutic touch worden toegeschreven. Deze conclusie markeert een aanzienlijke discrepantie tussen de kwantiteit van positief gerapporteerde bevindingen (achttien van de eenentwintig studies) en de kwaliteit van het onderliggende bewijs (vier van de eenentwintig studies met laag risico op bias): de auteurs duiden dit zelf als een significante geloofwaardigheidskloof binnen dit onderzoeksveld, waarbij positieve rapportage in de literatuur niet zonder meer mag worden gelijkgesteld aan een overtuigend aangetoond, specifiek effect van de interventie.
Exacte kwantitatieve effectgroottes per uitkomstmaat werden in deze rapid evidence assessment niet gepoold tot een enkele samenvattende maat, conform de narratieve, niet-meta-analytische synthesemethode die de auteurs hanteerden gezien de heterogeniteit van de geïncludeerde studies. Waar in de onderliggende brontekst voor dit artikel geen verdere gedetailleerde cijfermatige uitsplitsing per uitkomstdomein kon worden geverifieerd, wordt dit hier expliciet vermeld in plaats van cijfers te veronderstellen die niet met zekerheid aan de oorspronkelijke publicatie kunnen worden ontleend.
6. Methodologische beoordeling: sterktes en beperkingen
6.1 Sterktes
De belangrijkste methodologische sterkte van deze evidentiebeoordeling is de systematische toepassing van een formele risk-of-biasbeoordeling naast de inventarisatie van gerapporteerde uitkomsten. Door deze twee elementen expliciet naast elkaar te presenteren, maken de auteurs zichtbaar dat een oppervlakkige telling van positief gerapporteerde studies — zoals in menig narratief overzicht binnen de complementaire zorg gebeurt — een vertekend, te optimistisch beeld kan geven van de werkelijke bewijskracht. Deze transparante en kritische opzet is een aanzienlijke verbetering ten opzichte van minder systematische overzichten binnen het onderzoeksveld naar energetische therapieën.
Daarnaast is de afbakening tot recent onderzoek (2009-2020) een sterk punt, omdat dit een actueel beeld geeft van de stand van het onderzoek, in plaats van oudere en mogelijk methodologisch achterhaalde studies mee te wegen. Ook de relatief brede omvang van de search — eenentwintig geïncludeerde studies met gezamenlijk meer dan dertienhonderd deelnemers — is voor dit specifieke, smalle onderzoeksveld een aanzienlijke hoeveelheid data, die een genuanceerder beeld toelaat dan wanneer slechts een handvol studies zou zijn geïncludeerd. De publicatie in een peer-reviewed tijdschrift met open-access beschikbaarheid vergroot bovendien de transparantie en toegankelijkheid van de bevindingen voor zorgverleners en onderzoekers.
6.2 Beperkingen
Een inherente beperking van de rapid evidence assessment als onderzoeksvorm is dat zij, per definitie, minder uitputtend is dan een volledige systematische review: een beperktere zoekstrategie of kortere doorlooptijd van de beoordeling brengt het risico met zich mee dat relevante studies worden gemist, en dat de review minder robuust is tegen publicatiebias dan een uitgebreide systematische review met een uitputtende grijze-literatuurzoekactie. Dit risico is met name relevant in een onderzoeksveld als energetische therapie, waar selectieve publicatie van positieve bevindingen aannemelijk is.
Ten tweede is blindering van deelnemers en behandelaars voor therapeutic touch, zoals hierboven toegelicht, methodologisch buitengewoon lastig te realiseren: de behandelaar weet per definitie of hij of zij de interventie uitvoert, en placebocondities voor een niet-fysieke handeling zijn methodologisch complex vorm te geven (bijvoorbeeld door een niet-getrainde persoon dezelfde handbewegingen te laten uitvoeren). Dit structurele probleem raakt vrijwel de gehele onderliggende literatuur en kan niet louter worden opgelost door strengere studieopzet binnen individuele trials.
Ten derde is de gekozen narratieve synthesemethode, hoewel gerechtvaardigd gezien de heterogeniteit van de geïncludeerde studies, minder informatief dan een kwantitatieve meta-analyse: zonder gepoolde effectschattingen is het lastiger om de omvang van eventuele werkelijke effecten in te schatten, en blijft de conclusie noodzakelijkerwijs kwalitatief van aard. Ten vierde blijven de onderzochte uitkomstmaten — pijn, angst, slaap, misselijkheid, welzijn en vermoeidheid — grotendeels afhankelijk van zelfrapportage, wat de bevindingen kwetsbaar maakt voor verwachtings- en aandachtseffecten, ongeacht de kwaliteit van de onderliggende studieopzet. Tot slot moet worden opgemerkt dat voor dit artikel niet alle methodologische details van de oorspronkelijke publicatie — zoals de exacte geraadpleegde databases en de gebruikte beoordelingsinstrumenten voor risico op bias — via de geraadpleegde bronnen met zekerheid konden worden geverifieerd, wat een zekere terughoudendheid rechtvaardigt bij het overnemen van methodologische details die niet expliciet konden worden bevestigd.
7. Plaats binnen de bredere evidentiebasis
Binnen de discipline Energetische therapie sluit deze rapid evidence assessment nauw aan bij de bevindingen van de eveneens in dit corpus besproken meta-analyse van Liu en collega’s naar Reiki-therapie en kwaliteit van leven2: in beide gevallen worden overwegend positieve effecten gerapporteerd op subjectieve uitkomstmaten zoals welzijn, ontspanning en vermoeidheid, terwijl in beide gevallen de onderliggende studies beperkt zijn in aantal en methodologische kwaliteit. Deze convergentie tussen twee onafhankelijke evidentiebeoordelingen — de ene gericht op therapeutic touch, de andere op Reiki — versterkt het beeld dat energetische therapieën als geheel een consistent patroon van positieve, doch methodologisch zwak onderbouwde bevindingen laten zien.
Deze bevindingen sluiten eveneens aan bij de institutionele beoordeling van energetische therapieën door het NCCIH, dat concludeert dat er onvoldoende robuuste klinische studies bestaan om de gezondheidsclaims van deze therapieën overtuigend te onderbouwen, mede vanwege het ontbreken van een wetenschappelijk aangetoond werkingsmechanisme3. Waar de rapid evidence assessment van Garrett en Riou dit oordeel empirisch onderbouwt vanuit de primaire onderzoeksliteratuur, biedt de NCCIH-beoordeling het bredere, institutionele kader waarbinnen deze bevindingen moeten worden geïnterpreteerd: het ontbreken van hoogwaardig klinisch bewijs voor therapeutic touch staat niet op zichzelf, maar weerspiegelt een breder patroon binnen de gehele discipline energetische therapie.
Voor zorgverleners binnen het domein Natuurgeneeskunde betekent dit dat therapeutic touch, evenals Reiki, op basis van het huidige bewijs moet worden beschouwd als een interventie met consistent gerapporteerde, doch overwegend subjectieve en methodologisch onvoldoende onderbouwde effecten — een evidentieniveau dat gematigd positieve signalen combineert met een uitdrukkelijke, breed gedragen oproep tot voorzichtigheid bij de interpretatie ervan.
8. Klinische en praktijkimplicaties
Voor de klinische praktijk van zorgverleners die therapeutic touch overwegen of reeds toepassen, bieden deze bevindingen een genuanceerd beeld: de interventie wordt in de onderliggende literatuur consistent geassocieerd met gunstige uitkomsten op het gebied van welzijn, ontspanning en vermindering van vermoeidheid, en er zijn in de door Garrett en Riou beoordeelde studies geen aanwijzingen voor relevante veiligheidsrisico’s gerapporteerd. Dit maakt therapeutic touch, als niet-invasieve, laagdrempelige aanvullende interventie, in potentie geschikt als ondersteunend element binnen een breder zorgtraject, bijvoorbeeld gericht op comfort en welbevinden naast reguliere behandeling.
Tegelijkertijd dienen zorgverleners terughoudend te zijn met het claimen van specifieke, op het energieveld gerichte werkzaamheid van therapeutic touch, aangezien de rapid evidence assessment van Garrett en Riou expliciet concludeert dat hiervoor geen hoogwaardig bewijs bestaat. Transparante communicatie naar cliënten toe — waarbij therapeutic touch wordt gepresenteerd als een mogelijk comfortverhogende, ontspannende aanvullende interventie met een vooralsnog beperkt onderbouwde werkzaamheid, in plaats van als een bewezen effectieve behandeling van specifieke klachten — is vanuit het oogpunt van goede voorlichting en shared decision making aangewezen.
9. Conclusie
De rapid evidence assessment van Garrett en Riou (2021) laat zien dat recent onderzoek naar therapeutic touch overwegend positieve effecten rapporteert op uitkomstmaten als welzijn, vermoeidheid, pijn en angst: achttien van de eenentwintig geïncludeerde studies rapporteerden gunstige bevindingen. Bij nadere methodologische beoordeling bleek echter slechts een klein deel van deze studies — vier van de eenentwintig — een laag risico op vertekening te hebben, wat de auteurs deed concluderen dat er geen hoogwaardig bewijs bestaat voor enige van de aan therapeutic touch toegeschreven gezondheidseffecten. Binnen de discipline Energetische therapie, waar deze evidentiebeoordeling aansluit bij vergelijkbare, eveneens kritische bevindingen over Reiki en bij de terughoudende beoordeling van het NCCIH, blijft de evidentiebasis voor therapeutic touch per saldo gematigd positief op subjectieve uitkomstmaten, maar methodologisch onvoldoende onderbouwd om overtuigende werkzaamheidsclaims te rechtvaardigen. Voor de klinische praktijk rechtvaardigen de bevindingen een terughoudende, voorzichtige toepassing van therapeutic touch als mogelijk comfortverhogende aanvullende interventie, in afwachting van methodologisch sterker onderbouwd vervolgonderzoek met adequate blindering en lage risico-op-biasbeoordeling.
Eindnoten
- Garrett B, Riou M. A rapid evidence assessment of recent therapeutic touch research. Nursing Open. 2021;8(5):2318-2330. doi:10.1002/nop2.841. https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC8363410/
- Liu K, Qin Z, Qin Y, Li Y, Liu Q, Gao F, Zhang P, Wang W. Effects of Reiki therapy on quality of life: a meta-analysis of randomized controlled trials. Systematic Reviews. 2025;14:72. doi:10.1186/s13643-025-02811-5. PROSPERO CRD42023483961. https://link.springer.com/article/10.1186/s13643-025-02811-5
- National Center for Complementary and Integrative Health (NCCIH). Reiki: What You Need To Know. U.S. Department of Health and Human Services, National Institutes of Health. https://www.nccih.nih.gov/health/reiki