Samenvatting
Een bespreking van de systematische review en meta-analyse van Langlois e.a. (2022)
Binnen het domein Psychosociaal, en specifiek binnen de discipline Hypnotherapie, behoort chronische musculoskeletale en neuropathische pijn tot de meest onderzochte toepassingsgebieden van hypnose in de complementaire zorg. Dit artikel bespreekt de systematische review met meta-analyse van Langlois, Perrochon, David, Rainville, Vanhaudenhuyse, Wood, Pageaux, Ounajim, Lavallière, Debarnot, Luque-Moreno, Roulaud, Simoneau, Goudman, Moens, Rigoard en Billot, gepubliceerd in 2022 in Neuroscience & Biobehavioral Reviews1. De auteurs analyseerden negen gerandomiseerde gecontroleerde trials met in totaal 530 deelnemers die hypnose of zelfhypnose ontvingen voor chronische musculoskeletale of neuropathische pijn. De gepoolde resultaten laten een matige (moderate) afname zien van zowel pijnintensiteit als pijninterferentie na hypnosebehandeling, waarbij behandelprogramma’s van ten minste acht sessies significant sterkere effecten opleverden dan kortere trajecten. Dit artikel plaatst deze bevindingen in hun neurofysiologische en methodologische context, bespreekt de kenmerken van de geïncludeerde studies en interventies, weegt de belangrijkste methodologische kanttekeningen — waaronder de vrijwel onmogelijke blindering, de heterogeniteit tussen pijnsyndromen en hypnoseprotocollen, het risico op publicatiebias en de rol van hypnotiseerbaarheid als moderator — en bespreekt de klinische implicaties voor de inzet van hypnotherapie bij chronische pijn. Geconcludeerd wordt dat deze review, ondanks de genoemde beperkingen, hypnose positioneert als een evidence-based aanvullende interventie bij chronische musculoskeletale en neuropathische pijn, met name wanneer een voldoende lang behandeltraject van acht of meer sessies wordt aangeboden.
1. Inleiding
Chronische musculoskeletale pijn — waaronder lage rugpijn, artrose, fibromyalgie en andere aandoeningen van het bewegingsapparaat — en chronische neuropathische pijn, veroorzaakt door beschadiging of disfunctie van het somatosensorische zenuwstelsel, behoren tot de meest voorkomende en hardnekkige gezondheidsproblemen wereldwijd. Beide pijnvormen hebben een grote impact op kwaliteit van leven, arbeidsparticipatie en zorggebruik, en reageren vaak onvoldoende op farmacologische behandeling alleen. Dit heeft geleid tot een groeiende belangstelling voor niet-farmacologische, aanvullende interventies die de pijnbeleving via cognitieve, emotionele en gedragsmatige mechanismen kunnen moduleren, naast of in combinatie met reguliere medische zorg.
Hypnose is in dit kader een van de langst bestudeerde psychologische interventies bij pijn. Als klinische toepassing bestaat hypnose doorgaans uit een inductiefase, waarin de aandacht van de patiënt wordt versmald en gericht, gevolgd door therapeutische suggesties gericht op ontspanning, verandering van de pijnbeleving of versterking van copingvaardigheden; patiënten leren daarbij vaak ook zelfhypnosetechnieken die zij zelfstandig kunnen toepassen tussen sessies door. Binnen de “Gids Evidence Based Onderzoek Complementaire Zorg” wordt hypnose voor pijnbestrijding ondergebracht bij de discipline Hypnotherapie, in het domein Psychosociaal: interventies die primair via cognitieve en attentionele mechanismen op het zenuwstelsel inwerken, eerder dan via directe fysieke manipulatie van weefsel.
Dit artikel bespreekt de systematische review met meta-analyse van Langlois en collega’s (2022), gepubliceerd in het gerenommeerde tijdschrift Neuroscience & Biobehavioral Reviews, die het cumulatieve bewijs voor hypnose bij chronische musculoskeletale en neuropathische pijn voor het eerst gericht en systematisch in kaart bracht1. Het doel van dit artikel is drieledig: ten eerste wordt het theoretisch en neurofysiologisch kader van hypnotische pijnmodulatie toegelicht; ten tweede worden de methode en de bevindingen van de besproken review in detail besproken; en ten derde worden de resultaten kritisch geplaatst binnen de bredere evidentiebasis voor hypnotherapie bij chronische pijn, met aandacht voor methodologische sterktes, beperkingen en klinische implicaties.
2. Hypnose en pijnmodulatie: theoretisch en neurofysiologisch kader
De veronderstelling dat hypnose pijn kan verlichten, steunt op een groeiend corpus neurowetenschappelijk onderzoek naar de wijze waarop hypnotische suggesties de verwerking van nociceptieve informatie in het centrale zenuwstelsel beïnvloeden. Chronische pijn wordt in moderne pijnmodellen niet louter opgevat als een directe weerspiegeling van perifere weefselschade, maar als het resultaat van een complexe interactie tussen nociceptieve signalen en centrale processen als aandacht, verwachting, emotie en betekenisgeving; centrale sensitisatie — een aanhoudende overgevoeligheid van het centrale zenuwstelsel voor pijnprikkels — speelt hierbij bij veel chronische musculoskeletale en neuropathische pijnsyndromen een belangrijke rol.
Neurofysiologisch onderzoek naar hypnotische analgesie laat zien dat hypnotische suggesties selectief kunnen inwerken op de affectieve component van pijnverwerking, onder meer via veranderde activiteit in de anterieure cingulaire cortex en andere hersengebieden die betrokken zijn bij de emotionele waardering van pijn, terwijl de zuiver sensorische registratie van de prikkel minder sterk wordt beïnvloed2. Onderzoek met elektro-encefalografie laat bovendien zien dat pijnlijke stimulatie tijdens hypnotische trance gepaard gaat met een vertraging van de spontane hersenoscillaties in pijnverwerkende gebieden, en dat hypnotische hypoalgesie zich onderscheidt van louter afleiding door een deels ander onderliggend neuraal mechanisme2.
Klinisch wordt verondersteld dat hypnose via drie met elkaar samenhangende mechanismen werkt: gerichte aandachtssturing, waarbij de aandacht wordt weggeleid van de pijnprikkel of de betekenis daarvan wordt herkaderd; fysiologische ontspanning, die spierspanning en sympathische arousal kan verminderen; en cognitieve herstructurering, waarbij catastroferende gedachten over pijn worden vervangen door adaptievere copingstrategieën. Voor musculoskeletale pijn wordt daarnaast verondersteld dat afname van beschermende spierspanning bijdraagt aan pijnvermindering, terwijl bij neuropathische pijn vooral de modulatie van centrale sensitisatie en aandachtsprocessen relevant wordt geacht. Deze veronderstelling dat gemeenschappelijke centrale mechanismen ten grondslag liggen aan het effect van hypnose bij zowel musculoskeletale als neuropathische pijn vormt de theoretische rechtvaardiging om beide pijncategorieën in één review en meta-analyse samen te brengen.
3. Methode van de systematische review en meta-analyse
3.1 Zoekstrategie en inclusiecriteria
Langlois en collega’s voerden een systematische literatuurzoekactie uit in relevante wetenschappelijke databases, volgens de gangbare methodologische standaarden voor systematische reviews (met rapportage conform de PRISMA-richtlijnen). Als inclusiecriteria hanteerden de auteurs gerandomiseerde gecontroleerde trials waarin hypnose of zelfhypnose werd toegepast bij volwassenen met chronische musculoskeletale of neuropathische pijn, met rapportage van pijnintensiteit en/of pijngerelateerde interferentie of functioneren als uitkomstmaat, en met een vergelijking tegen een controleconditie (zoals gebruikelijke zorg, wachtlijst of een actieve controle-interventie). Na de systematische selectieprocedure resteerden negen RCT’s die aan deze criteria voldeden en die werden opgenomen in de kwantitatieve meta-analyse, met een gezamenlijke onderzoekspopulatie van 530 deelnemers1.
Deze omvang — negen RCT’s met in totaal 530 deelnemers — is voor een specifiek deelgebied binnen de hypnoseliteratuur substantieel te noemen, en overtreft de steekproefomvang van de meeste individuele primaire studies naar hypnose bij chronische pijn aanzienlijk. Tegelijkertijd blijft het, in vergelijking met meta-analyses binnen bijvoorbeeld de farmacologische pijnbestrijding, een relatief beperkt aantal studies, wat implicaties heeft voor de precisie van subgroep- en moderatoranalyses, zoals in paragraaf 6 verder wordt besproken.
3.2 Onderzochte pijnsyndromen en hypnoseprotocollen
De geïncludeerde studies betroffen een diverse groep chronische musculoskeletale en neuropathische pijnsyndromen, waaronder onder meer lage rugpijn, fibromyalgie en neuropathische pijn van uiteenlopende oorsprong. Deze klinische diversiteit weerspiegelt de brede toepasbaarheid van hypnose als interventie, maar brengt tegelijk aanzienlijke heterogeniteit met zich mee in onderliggende pathofysiologie, symptoompresentatie en te verwachten behandelrespons tussen de geïncludeerde studies.
Ook de toegepaste hypnoseprotocollen varieerden aanzienlijk tussen de geïncludeerde trials, onder meer in sessiefrequentie, totale behandelduur, mate van individuele versus groepsgewijze toepassing, gebruik van audio-opnames voor zelfhypnose tussen sessies, en de specifieke suggesties die tijdens de hypnosesessies werden gebruikt. Een van de centrale bevindingen van de review betreft juist deze variatie in sessieaantal: de auteurs onderzochten expliciet of het aantal hypnosesessies samenhing met de behaalde effectgrootte, en vonden dat programma’s met acht of meer sessies significant sterkere effecten opleverden dan programma’s met minder sessies1, wat wijst op een mogelijke dosis-responsrelatie die relevant is voor de klinische toepassing van hypnotherapie bij pijn.
3.3 Uitkomstmaten: pijnintensiteit en functioneren
Als primaire uitkomstmaten hanteerde de meta-analyse pijnintensiteit, doorgaans gemeten met visueel-analoge of numerieke pijnschalen, en pijninterferentie of pijngerelateerd functioneren, dat de mate weergeeft waarin pijn het dagelijks functioneren van de patiënt beperkt. Deze twee uitkomstdomeinen sluiten aan bij de internationaal aanbevolen kernuitkomstmaten voor onderzoek naar chronische pijn, waarin naast pijnintensiteit ook functioneren en kwaliteit van leven als essentiële uitkomstdimensies worden beschouwd, juist omdat vermindering van pijnintensiteit niet automatisch samengaat met verbeterd functioneren.
Voor de kwantitatieve synthese werden de resultaten van de afzonderlijke studies samengevoegd tot gepoolde effectschattingen, waarbij verschillen tussen studies in de gebruikte meetinstrumenten werden verdisconteerd door gebruik te maken van gestandaardiseerde effectmaten. Deze aanpak maakt het mogelijk bevindingen uit methodologisch en instrumenteel uiteenlopende studies te vergelijken en te combineren tot één overkoepelende schatting van het behandeleffect, wat de statistische power vergroot ten opzichte van de afzonderlijke, doorgaans kleinschalige primaire studies.
4. Bevindingen: effectiviteit en veiligheid
De gepoolde analyse van de negen geïncludeerde RCT’s liet een matige (moderate) afname zien van zowel pijnintensiteit als pijninterferentie bij deelnemers die hypnose of zelfhypnose ontvingen, in vergelijking met de controlecondities1. Een matig effect wordt in de gedragswetenschappelijke en klinische onderzoeksliteratuur doorgaans beschouwd als klinisch betekenisvol, met name in het domein van chronische pijn, waar reguliere farmacologische en niet-farmacologische interventies eveneens doorgaans slechts matige effecten laten zien.
De belangrijkste aanvullende bevinding van de review betreft de rol van behandelintensiteit: hypnosebehandelingen bestaande uit acht of meer sessies gaven een significant sterker effect dan kortere behandeltrajecten1. Deze bevinding wordt in latere, bredere systematische reviews naar medische toepassingen van hypnose bij pijn aangehaald als een van de meest overtuigende aanwijzingen dat hypnose, mits in voldoende omvang aangeboden, een matig-tot-groot effect kan bewerkstelligen bij chronische musculoskeletale en neuropathische pijn ten opzichte van controle-interventies3, wat het belang van behandelduur en -intensiteit als moderator van hypnotische pijnbestrijding onderstreept.
Ten aanzien van veiligheid rapporteren de auteurs geen aanwijzingen voor ernstige nadelige effecten van hypnose in de geïncludeerde studies; hypnose wordt in de bredere klinische literatuur consistent beschreven als een laag-risico interventie, waarbij eventuele ongewenste ervaringen doorgaans mild en van voorbijgaande aard zijn, zoals kortdurende verwarring, vermoeidheid of het naar boven komen van emotioneel beladen herinneringen. Deze gunstige veiligheidsbalans, in combinatie met de aangetoonde effectiviteit, ondersteunt de plaatsing van hypnotherapie als een verantwoorde aanvullende behandeloptie binnen een breder, multimodaal pijnmanagementplan.
Op basis van deze bevindingen concluderen de auteurs dat hypnose een effectieve aanvullende benadering kan bieden voor de behandeling van musculoskeletale en neuropathische pijn, met name wanneer een behandeltraject van ten minste acht sessies wordt aangeboden, en bevelen zij nader onderzoek aan naar de praktische implementatie en de optimale dosering van hypnosebehandelingen bij deze patiëntengroepen1.
5. Kritische methodologische beschouwing
Bij de interpretatie van deze review en meta-analyse spelen verschillende methodologische aandachtspunten een rol, die kenmerkend zijn voor onderzoek naar hypnose bij pijn in het algemeen. Ten eerste maakt de aard van de interventie blindering van deelnemers voor de toegewezen conditie vrijwel onmogelijk: een patiënt die een hypnose-inductie ondergaat, weet per definitie dat hij of zij hypnose ontvangt, in tegenstelling tot bijvoorbeeld een dubbelblind gerandomiseerde medicatiestudie. Dit vergroot het risico dat een deel van het gemeten effect wordt verklaard door placebo- en verwachtingseffecten, temeer daar de primaire uitkomstmaten (pijnintensiteit en pijninterferentie) grotendeels op zelfrapportage berusten, wat gevoelig is voor demand characteristics en responsbias.
Ten tweede bestaat er, zoals hierboven al beschreven, aanzienlijke heterogeniteit tussen de geïncludeerde studies, zowel in de onderzochte pijnsyndromen (uiteenlopende musculoskeletale en neuropathische aandoeningen met verschillende onderliggende pathofysiologie) als in de toegepaste hypnoseprotocollen (sessiefrequentie, -duur, individuele versus groepstoepassing, gebruik van zelfhypnose-audio). Deze klinische en methodologische heterogeniteit kan de precisie en generaliseerbaarheid van een enkele gepoolde effectschatting beperken, en onderstreept het belang van de door de auteurs uitgevoerde subgroepanalyse naar sessieaantal als moderator van het behandeleffect.
Ten derde is publicatiebias een relevant aandachtspunt bij elke meta-analyse binnen een onderzoeksveld waarin kleinschalige studies met overwegend positieve bevindingen relatief gemakkelijker worden gepubliceerd dan studies met neutrale of negatieve resultaten. Met negen geïncludeerde studies is de statistische power om publicatiebias formeel te toetsen (bijvoorbeeld via funnelplotanalyse) beperkt, wat betekent dat de mogelijkheid van een enigszins overschatte gepoolde effectgrootte niet kan worden uitgesloten.
Ten vierde speelt hypnotiseerbaarheid — de individuele, relatief stabiele mate waarin iemand ontvankelijk is voor hypnotische suggesties — een potentieel belangrijke modererende rol, die in veel primaire studies naar hypnose bij pijn niet systematisch wordt gemeten of gerapporteerd. Voor zover hypnotiseerbaarheid niet gelijk verdeeld is over de geïncludeerde onderzoekspopulaties, kan dit bijdragen aan de waargenomen heterogeniteit in effectgrootte tussen studies, en vormt de rol van hypnotiseerbaarheid als moderator een belangrijk aandachtspunt voor toekomstig onderzoek. Bredere, recentere systematische reviews naar hypnose als aanvullende behandeling bij uiteenlopende pijnvormen bevestigen dit beeld van een reëel maar bescheiden en contextafhankelijk effect: een grootschalige review naar hypnose als adjuvante behandeling bij klinische pijn, gebaseerd op 70 studies met ruim 6000 deelnemers, rapporteerde een klein aanvullend analgetisch effect van hypnose bovenop reguliere zorg, met een sterker effect wanneer hypnose werd gecombineerd met psycho-educatie, en met een door de auteurs zelf als “zeer laag” gekwalificeerde bewijszekerheid4. Dergelijke bevindingen onderstrepen dat de matige effectgrootte die Langlois e.a. vonden, en met name de meerwaarde van langere behandeltrajecten, zich goed verhoudt tot het bredere beeld in de literatuur, waarin hypnose als effectieve maar geen wondermiddel-achtige aanvullende interventie bij chronische pijn naar voren komt.
Desondanks bieden systematische reviews met meta-analyse, mits gebaseerd op een substantieel aantal gerandomiseerde studies zoals in dit geval, een van de sterkste vormen van bewijs die binnen dit onderzoeksveld beschikbaar zijn, en overtreffen zij in bewijskracht de afzonderlijke, vaak kleinschalige primaire studies waarop zij zijn gebaseerd.
6. Klinische en praktische implicaties
Voor de klinische praktijk van hypnotherapeuten en andere zorgverleners die hypnose overwegen bij patiënten met chronische musculoskeletale of neuropathische pijn, bieden deze bevindingen een concreet en bruikbaar aanknopingspunt: de meerwaarde van een voldoende lang behandeltraject. De bevinding dat acht of meer sessies significant sterkere effecten opleveren dan kortere trajecten, suggereert dat een te kort of te vrijblijvend hypnoseaanbod het therapeutisch potentieel van de interventie mogelijk onderbenut, en pleit voor het structureel aanbieden van een behandeltraject van voldoende omvang, eventueel aangevuld met zelfhypnoseoefeningen tussen sessies door om het effect te bestendigen.
Daarnaast onderstrepen de gunstige veiligheidsbevindingen dat hypnose als laagdrempelige, weinig belastende aanvullende behandeloptie kan worden ingezet binnen een breder, multidisciplinair pijnmanagementplan, naast farmacologische behandeling, fysiotherapie en andere psychologische interventies zoals cognitieve gedragstherapie. Gezien de matige, niet universele effectgrootte en de mogelijke rol van individuele hypnotiseerbaarheid, is transparante voorlichting aan patiënten op zijn plaats over de realistische verwachtingen van de behandeling: hypnose kan bijdragen aan een klinisch relevante vermindering van pijn en verbetering van functioneren, maar dient niet als op zichzelf staande genezende behandeling te worden gepresenteerd. Voor de discipline Hypnotherapie binnen het domein Psychosociaal betekent deze review een concrete onderbouwing om chronische musculoskeletale en neuropathische pijn als kernindicatiegebied te blijven positioneren, met bijzondere aandacht voor de dosering van het behandelaanbod.
7. Conclusie en toekomstig onderzoek
De systematische review en meta-analyse van Langlois en collega’s (2022) toont, op basis van negen gerandomiseerde gecontroleerde trials met in totaal 530 deelnemers, een matige gunstige effectiviteit aan van hypnose bij chronische musculoskeletale en neuropathische pijn, zowel voor pijnintensiteit als voor pijngerelateerde interferentie, met een significant sterker effect bij behandeltrajecten van acht of meer sessies1. Deze bevindingen bevestigen en verstevigen een consistente lijn van bewijs die hypnotherapie positioneert als een van de beter onderbouwde interventies binnen het psychosociale domein op het gebied van pijnbestrijding, en sluiten aan bij neurofysiologisch onderzoek naar de wijze waarop hypnotische suggesties de centrale verwerking van pijn kunnen moduleren.
Tegelijkertijd nopen de vrijwel onvermijdelijke afwezigheid van blindering, de aanzienlijke heterogeniteit tussen pijnsyndromen en hypnoseprotocollen, het beperkte aantal geïncludeerde studies met het daarmee samenhangende risico op publicatiebias, en de onvolledig begrepen rol van hypnotiseerbaarheid als moderator tot een zekere voorzichtigheid bij de interpretatie van de gepoolde effectschatting. Toekomstig onderzoek zou idealiter moeten bestaan uit grotere, methodologisch homogenere trials binnen specifieke pijnsyndromen, met systematische meting van hypnotiseerbaarheid, gestandaardiseerde en gedetailleerd gerapporteerde hypnoseprotocollen inclusief expliciete dosis-responsanalyses, en langere follow-upperiodes om de duurzaamheid van het behandeleffect te onderzoeken — precies de aanbevelingen die de auteurs van de besproken review zelf ook doen ten aanzien van praktische implementatie en optimale dosering1. In afwachting daarvan biedt deze review het meest solide beschikbare bewijs dat hypnotherapie, mits in voldoende omvang aangeboden, een waardevolle en veilige aanvullende interventie is binnen het bredere pijnmanagement van chronische musculoskeletale en neuropathische pijn.
Eindnoten
- Langlois P, Perrochon A, David R, Rainville P, Vanhaudenhuyse A, Wood C, Pageaux B, Ounajim A, Lavallière M, Debarnot U, Luque-Moreno C, Roulaud M, Simoneau M, Goudman L, Moens M, Rigoard P, Billot M. Hypnosis to manage musculoskeletal and neuropathic chronic pain: A systematic review and meta-analysis. Neuroscience & Biobehavioral Reviews. 2022;135:104591. doi:10.1016/j.neubiorev.2022.104591. PMID: 35192910. https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/35192910/
- Miltner WHR, Franz M, Naumann E. Neuroscientific results of experimental studies on the control of acute pain with hypnosis and suggested analgesia. Frontiers in Psychology. 2024;15:1371636. doi:10.3389/fpsyg.2024.1371636. https://www.frontiersin.org/journals/psychology/articles/10.3389/fpsyg.2024.1371636/full
- Yerzhan A, Ayazbekova A, Lavage DR, Chelly JE. The Use of Medical Hypnosis to Prevent and Treat Acute and Chronic Pain: A Systematic Review and Meta-Analysis. Journal of Clinical Medicine. 2025;14(13):4661. doi:10.3390/jcm14134661. PMID: 40649035; PMCID: PMC12250368. https://pmc.ncbi.nlm.nih.gov/articles/PMC12250368/
- Jones HG, Rizzo RRN, Pulling BW, Braithwaite FA, Grant AR, McAuley JH, Jensen MP, Moseley GL, Rees A, Stanton TR. Adjunctive use of hypnosis for clinical pain: a systematic review and meta-analysis. PAIN Reports. 2024;9(5):e1185. doi:10.1097/pr9.0000000000001185. https://pmc.ncbi.nlm.nih.gov/articles/PMC11390056/
- Bibliografische en samenvattende gegevens van de besproken review, geraadpleegd via de onderzoeksportal van de Vrije Universiteit Brussel. https://researchportal.vub.be/en/publications/hypnosis-to-manage-musculoskeletal-and-neuropathic-chronic-pain-a/