Samenvatting
Een kritische bespreking van de systematische review met meta-analyse van Yerzhan e.a. (2025)
Binnen het domein Psychosociaal, en specifiek binnen de discipline Hypnotherapie, bespreekt dit artikel de systematische review met meta-analyse (SR/MA) van Yerzhan, Ayazbekova, Lavage en Chelly (2025), gepubliceerd in het Journal of Clinical Medicine, naar het gebruik van medische hypnose ter preventie en behandeling van zowel acute als chronische pijn1. De auteurs doorzochten PubMed op gerandomiseerde gecontroleerde trials (RCT’s) bij volwassenen, gepubliceerd tussen januari 2014 en december 2024, waarin hypnose — pre-, intra- of postoperatief toegepast — werd vergeleken met gebruikelijke zorg en waarin pijn werd gemeten met een numerieke (NRS) of visueel-analoge schaal (VAS). Na selectie bleven twaalf RCT’s over: zes naar acute, perioperatieve en procedurele pijn (in totaal 888 deelnemers, uiteenlopend van 17 tot 385 per studie) en zes naar chronische pijn (in totaal 595 deelnemers, uiteenlopend van 20 tot 220 per studie).
De gepoolde resultaten laten een duidelijk verschil zien tussen beide toepassingsgebieden. Voor acute, perioperatieve pijn vond de meta-analyse een statistisch significante en klinisch relevante vermindering van pijnscores bij hypnose ten opzichte van gebruikelijke zorg (Hedges’ g = 0,54; 95%-betrouwbaarheidsinterval 0,19-0,90; p = 0,0024), samen met een significante vermindering van het opioïdengebruik, uitgedrukt in orale morfine-equivalenten (1,5 mg lager; 95%-betrouwbaarheidsinterval 0,12-2,88; p = 0,03). Voor chronische pijn werd daarentegen geen statistisch significant gepoold effect gevonden (Hedges’ g = 0,07; 95%-betrouwbaarheidsinterval -0,14-0,27; p = 0,518). Er werden in de geïncludeerde studies geen bijwerkingen of veiligheidsproblemen gerapporteerd. De auteurs plaatsen kanttekeningen bij de aanzienlijke statistische heterogeniteit binnen de acute-pijnanalyse, de beperkte blindering in meerdere trials en de kleine steekproefomvang van de meeste individuele studies, en concluderen dat medische hypnose een veelbelovend, mogelijk opioïdsparend instrument is bij acute perioperatieve pijn, terwijl de huidige evidentie voor een effect op chronische pijn vooralsnog onvoldoende overtuigend is.
1. Inleiding
Pijn is geen homogeen fenomeen. Acute pijn — zoals die optreedt rond een chirurgische ingreep, een naaldprocedure, een bevalling of een brandwond — heeft doorgaans een duidelijk aanwijsbare oorzaak, een voorspelbaar tijdsverloop en een primair beschermende functie, terwijl chronische pijn — bijvoorbeeld bij kanker, fibromyalgie, multiple sclerose of een amputatie — veelal langdurig aanhoudt, losraakt van het oorspronkelijke weefselletsel en zich ontwikkelt tot een zelfstandig aandoeningsbeeld waarin centrale sensitisatie, stemming en gedrag een belangrijke rol spelen. Deze verschillen in aard en beloop hebben implicaties voor de wijze waarop niet-farmacologische interventies, waaronder medische hypnose, in de klinische praktijk worden ingezet en onderzocht.
Medische hypnose wordt in de klinische praktijk op zeer uiteenlopende momenten toegepast: als voorbereiding op een operatie of biopsie, tijdens een pijnlijke procedure zoals het inbrengen van een infuusnaald, peri-operatief ter vermindering van pijn en opioïdengebruik, en als aanvullende behandeling bij aanhoudende pijnsyndromen waarvoor reguliere behandeling onvoldoende verlichting biedt. Deze brede inzetbaarheid maakt medische hypnose tot een interessant onderwerp voor een overkoepelende synthese die, in tegenstelling tot reviews die zich tot één pijncategorie beperken, acute en chronische toepassingen naast elkaar plaatst.
Dit artikel bespreekt de systematische review met meta-analyse van Yerzhan en collega’s (2025), die deze bredere invalshoek expliciet kiest door RCT’s naar hypnose bij zowel acute perioperatieve als chronische pijn gezamenlijk te analyseren1. Het doel van dit artikel is drieledig: ten eerste wordt het theoretische en neurofysiologische kader geschetst waarbinnen hypnotische pijnbestrijding wordt begrepen, met aandacht voor mogelijke verschillen tussen acute en chronische toepassingen; ten tweede worden de methode en de bevindingen van de besproken review in detail besproken; en ten derde worden deze bevindingen kritisch geplaatst binnen de bredere evidentiebasis voor hypnotherapie bij pijn, met concrete implicaties voor de klinische praktijk.
2. Hypnose als pijninterventie: theoretisch en neurofysiologisch kader
Medische hypnose wordt doorgaans omschreven als een toestand van gerichte aandacht en verhoogde suggestibiliteit, opgewekt via een inductieprocedure, waarin de patiënt toegankelijker is voor suggesties die de beleving van pijn, spanning en angst kunnen wijzigen. Neurofysiologisch onderzoek laat zien dat hypnotische analgesie niet louter op verwachting of afleiding berust, maar samenhangt met meetbare veranderingen in hersenactiviteit, waaronder een verminderde activiteit in gebieden die betrokken zijn bij de sensorische verwerking en de affectieve waardering van pijnprikkels, zoals de anterieure cingulate cortex en delen van de somatosensorische cortex2. Verondersteld wordt dat hypnotische suggesties op meerdere niveaus van de pijnverwerking ingrijpen: door aandachtsmodulatie weg van de pijnprikkel, door cognitieve herkadering van de betekenis van de sensatie, en door vermindering van de autonome arousal die pijn en angst doorgaans begeleidt.
Bij acute, procedurele en perioperatieve pijn ligt het accent van de hypnotische interventie vooral op directe symptoomcontrole binnen een kort tijdsbestek: de patiënt wordt voorafgaand aan of tijdens een ingreep begeleid naar een staat van ontspanning, met suggesties gericht op vermindering van de te verwachten sensatie, verlaagde autonome arousal en, waar relevant, vermindering van de behoefte aan aanvullende sedatie of analgesie. Dit mechanisme sluit aan bij het acute, tijdsgebonden karakter van dit type pijn en bij de mogelijkheid om de interventie strak rond het pijnlijke moment te plannen.
Bij chronische pijn ligt de nadruk daarentegen meer op langdurige zelfregulatie: hypnotherapie wordt hier vaker ingezet als onderdeel van een breder programma, gericht op het aanleren van zelfhypnosevaardigheden, het doorbreken van pijngerelateerde catastroferende cognities en het versterken van coping, eerder dan op vermindering van een enkele, aanwijsbare prikkel. Omdat chronische pijn samenhangt met aanhoudende centrale sensitisatie en vaak verweven is met stemming, slaap en functioneren, is het aannemelijk dat hypnotische interventies hier een breder en diffuser effect moeten sorteren om klinisch merkbaar te zijn — een verschil dat, zoals in paragraaf 4 en 5 zal blijken, ook in de kwantitatieve bevindingen van de besproken review tot uiting komt.
3. Methode van de besproken systematische synthese
3.1 Zoekstrategie en inclusiecriteria
Yerzhan en collega’s doorzochten de databank PubMed met de zoektermen “hypnosis AND acute pain” en “hypnosis AND chronic pain”, beperkt tot publicaties van januari 2014 tot en met december 2024, zonder aanvullende taal- of designfilters vooraf1. Voor inclusie moesten studies gerandomiseerde gecontroleerde trials bij volwassenen betreffen, waarin hypnose — toegepast pre-, intra- of postoperatief, dan wel als behandeling van chronische pijn — werd vergeleken met gebruikelijke zorg, en waarin pijn werd uitgedrukt op een numerieke pijnschaal (NRS) of een visueel-analoge schaal (VAS) van 0 tot 10. Pediatrische studies, observationele designs, reviews en meta-analyses, en studies zonder koppeling aan een NRS-uitkomst werden uitgesloten. Na deze selectie bleven twaalf RCT’s over, gelijk verdeeld over de twee toepassingsgebieden.
Deze relatief beperkte, op één databank gebaseerde zoekstrategie is een aandachtspunt: de auteurs erkennen zelf dat het gebruik van slechts twee, betrekkelijk brede zoektermen mogelijk relevante studies buiten beeld heeft gelaten, wat de volledigheid van de synthese kan beïnvloeden.
3.2 Onderzochte toepassingsgebieden
Binnen het cluster acute pijn betroffen de zes geïncludeerde RCT’s uiteenlopende procedurele en chirurgische contexten, waaronder het inbrengen van een perifeer infuus, biopsieprocedures, longtransplantatie, ablatie bij atriumflutter, totale knieprothesechirurgie, verwijdering van een borsttumor en coronaire bypasschirurgie. Deze spreiding over sterk uiteenlopende ingrepen — van een kortdurende naaldprocedure tot majeure thoraxchirurgie — weerspiegelt de brede inzetbaarheid van hypnose in de perioperatieve setting, maar impliceert ook een grote klinische diversiteit binnen dit cluster.
Binnen het cluster chronische pijn betroffen de zes geïncludeerde RCT’s onder meer chronische niet-oncologische nociceptieve en neuropathische pijn, chronische aspecifieke lage rugpijn, chronische pijn secundair aan multiple sclerose, dwarslaesie, amputatie en spierdystrofie, kankergerelateerde pijn en gewrichtspijn. Ook hier is sprake van een grote diversiteit in onderliggende aandoeningen, wat de klinische heterogeniteit binnen dit cluster vergroot ten opzichte van aandoeningsspecifieke reviews die zich, zoals eerder binnen dit corpus besproken werk naar musculoskeletale en neuropathische pijn, tot één pijncategorie beperken.
3.3 Uitkomstmaten en analyse
De primaire uitkomstmaat in beide clusters was pijnintensiteit, gemeten op een NRS of VAS van 0 tot 10, waarbij vanwege het gemengde gebruik van beide schalen een gestratificeerde in plaats van volledig uniforme analyse werd toegepast. Voor het cluster acute pijn werd als secundaire uitkomstmaat het postoperatieve opioïdengebruik geanalyseerd, uitgedrukt in orale morfine-equivalenten (OME); voor chronische pijn kon deze uitkomstmaat niet worden geanalyseerd vanwege onvoldoende rapportage in de geïncludeerde studies. Metingen vonden voor het acute cluster doorgaans plaats bij aanvang en 24 uur na de ingreep; voor het chronische cluster werden voor- en nametingen rond de behandelperiode gebruikt, met wisselende meetmomenten tussen studies. De methodologische kwaliteit van de geïncludeerde trials werd beoordeeld met het Cochrane Risk-of-Bias 2-instrument (RoB 2), gevisualiseerd met de robvis-software.
4. Bevindingen
Voor acute, perioperatieve en procedurele pijn vond de meta-analyse een statistisch significante vermindering van pijnscores bij hypnose ten opzichte van gebruikelijke zorg, met een gepoolde effectgrootte van Hedges’ g = 0,54 (95%-betrouwbaarheidsinterval 0,19-0,90; p = 0,0024) — een middelgroot effect volgens de gangbare conventies voor effectgroottes. Het opioïdengebruik na de ingreep was eveneens significant lager in de hypnosegroepen, met een gepoold verschil van 1,5 mg orale morfine-equivalenten (95%-betrouwbaarheidsinterval 0,12-2,88; p = 0,03). Een subgroepanalyse liet zien dat zowel via audio-opname aangeboden hypnose (Hedges’ g = 0,46; 95%-betrouwbaarheidsinterval 0,07-0,82; p = 0,02) als live, door een behandelaar begeleide hypnose (Hedges’ g = 0,56; 95%-betrouwbaarheidsinterval 0,05-1,07; p = 0,03) tot significante verbetering leidde, met een licht groter effect voor live begeleiding.
De statistische heterogeniteit binnen het acute-pijncluster was echter aanzienlijk (I² = 81,46%). Een sensitiviteitsanalyse waarbij de studie naar perifere infuuscanulatie — vermoedelijk een uitschieter vanwege de relatief geringe invasiviteit van deze procedure — werd verwijderd, verlaagde de heterogeniteit enigszins (I² = 77,29%) en leverde een iets kleiner, nog altijd significant gepoold effect op (Hedges’ g = 0,45; p = 0,02).
Voor chronische pijn werd geen statistisch significant gepoold effect van hypnose gevonden ten opzichte van gebruikelijke zorg (Hedges’ g = 0,07; 95%-betrouwbaarheidsinterval -0,14-0,27; p = 0,518). De heterogeniteit binnen dit cluster was laag tot matig (I² = 32,89%), wat erop wijst dat het uitblijven van een significant gepoold effect niet primair aan sterk uiteenlopende studieresultaten lag, maar eerder aan een consistent kleine en niet-significante effectgrootte over de geïncludeerde trials heen.
Wat betreft veiligheid rapporteerden de auteurs dat in geen van de twaalf geïncludeerde studies bijwerkingen of veiligheidsproblemen als gevolg van de hypnose-interventie werden gemeld, wat aansluit bij het beeld uit ander onderzoek naar hypnotherapie als een over het algemeen veilige, non-invasieve interventie. De risk-of-bias-beoordeling met RoB 2 wees op een gematigd risico op vertekening binnen het acute-pijncluster, waarbij slechts drie van de zes studies dubbelblind waren opgezet, en op een hoger risico op vertekening binnen het chronische-pijncluster, waarbij eveneens slechts drie van de zes studies onderzoeksblindering kenden zonder deelnemersblindering, en drie studies volledig open-label waren.
5. Kritische methodologische beschouwing
Het gecombineerd analyseren van acute en chronische pijn binnen één review is zowel de belangrijkste meerwaarde als de belangrijkste methodologische kwetsbaarheid van dit werk. De klinische heterogeniteit binnen elk van beide clusters is aanzienlijk: het acute-pijncluster omvat ingrepen die uiteenlopen van een kortdurende naaldprik tot open hartchirurgie, terwijl het chronische-pijncluster aandoeningen samenbrengt met zeer verschillende pathofysiologie, van kankergerelateerde pijn tot pijn na een dwarslaesie. Deze diversiteit in patiëntpopulaties, hypnoseprotocollen en toedieningswijzen (audio versus live) maakt de interpretatie van een gepoold effect als één enkel getal inherent kwetsbaar, ook al bleef de statistische heterogeniteit binnen het chronische cluster beperkt.
Een tweede aandachtspunt is de blindering. Zoals bij vrijwel alle hypnose-onderzoek is volledige blindering van deelnemers vrijwel onmogelijk te realiseren, omdat de aard van de interventie — een hypnotische inductie — direct herkenbaar is voor de patiënt. In het besproken werk was slechts de helft van de studies in elk cluster dubbelblind of kende onderzoeksblindering, en verschillende chronische-pijnstudies waren volledig open-label. Dit vergroot het risico op vertekening door verwachtingseffecten, vooral bij een primair op zelfrapportage berustende uitkomstmaat als pijnintensiteit.
Ten derde speelt publicatiebias een rol die door de auteurs zelf niet uitputtend is onderzocht: de gebruikte methode — forest plots zonder expliciet gerapporteerde formele toetsing zoals een funnel plot of Egger-toets — laat onvoldoende ruimte om selectieve publicatie van positieve bevindingen definitief uit te sluiten, wat bij een relatief klein aantal geïncludeerde studies per cluster (zes en zes) een reëel risico blijft.
Ten vierde is de rol van hypnotiseerbaarheid — de individuele mate waarin iemand ontvankelijk is voor hypnotische suggestie — een factor die in de bredere hypnoseliteratuur consistent samenhangt met de grootte van het analgetische effect2 3, maar die in de besproken review niet systematisch als moderator werd geanalyseerd. Omdat hypnotiseerbaarheid in de algemene bevolking een normale verdeling kent, kan variatie hierin tussen de geïncludeerde studiepopulaties mede bijdragen aan de waargenomen heterogeniteit, met name in het acute-pijncluster.
Tot slot noemen de auteurs zelf de kleine steekproefomvang van de meeste individuele studies (uiteenlopend van acht tot 194 deelnemers), het gemengde gebruik van NRS en VAS als uitkomstmaat, wisselende meetmomenten tussen studies, variatie in de wijze waarop hypnose door verschillende behandelaars werd toegepast, en het beperkt aantal geïncludeerde studies per cluster, wat gevoeligheids- en subgroepanalyses beperkt betrouwbaar maakt.
6. Klinische en praktische implicaties
Voor de perioperatieve zorg bieden deze bevindingen een relatief stevig onderbouwd signaal: een middelgroot, statistisch significant effect op pijnvermindering, gecombineerd met een significante afname van het opioïdengebruik, ondersteunt de inzet van hypnose als aanvullende, opioïdsparende interventie rond chirurgische en procedurele ingrepen. Dit sluit aan bij de bredere klinische belangstelling voor niet-farmacologische strategieën binnen de context van de opioïdcrisis, waarbij elke betrouwbaar aangetoonde vermindering van postoperatief opioïdengebruik klinisch relevant is. Het gegeven dat zowel audio-opnamen als live begeleiding effectief bleken, is bovendien praktisch relevant: het opent de mogelijkheid om hypnose-gebaseerde interventies op te schalen naar settings met beperkte beschikbaarheid van getrainde hypnotherapeuten, bijvoorbeeld via gestandaardiseerde audio-opnamen voorafgaand aan een ingreep.
Voor de oncologische zorg, waarin hypnose zowel bij acute, procedurele pijn (bijvoorbeeld rond een biopsie of tumorverwijdering) als bij chronische, kankergerelateerde pijn wordt toegepast, onderstrepen de bevindingen het belang van een context-specifieke inzet: de sterkste evidentie geldt voor de procedurele en perioperatieve toepassing, terwijl de evidentie voor aanhoudende, kankergerelateerde pijnklachten op basis van dit cluster vooralsnog beperkter is.
Voor chronisch pijnmanagement in bredere zin nopen de bevindingen tot terughoudendheid bij het presenteren van hypnose als bewezen effectieve behandeling voor het verminderen van pijnintensiteit als geïsoleerde uitkomstmaat. Dit betekent niet dat hypnotherapie geen plaats heeft binnen de behandeling van chronische pijn: andere, aandoeningsspecifieke reviews binnen deze discipline hebben wel positieve effecten laten zien op pijngerelateerde uitkomsten bij onder meer musculoskeletale en neuropathische pijn, en de besproken review onderzocht bovendien niet expliciet secundaire uitkomsten als slaap, stemming of kwaliteit van leven, waarop hypnotherapie mogelijk eerder een meetbaar effect sorteert dan op pijnintensiteit alleen. Voor de klinische praktijk betekent dit dat hypnotherapie bij chronische pijn het beste kan worden ingezet als onderdeel van een breder, multimodaal behandelplan, met realistische verwachtingen over het effect op pijnintensiteit als zelfstandige uitkomstmaat.
7. Conclusie en toekomstig onderzoek
De systematische review met meta-analyse van Yerzhan en collega’s (2025) levert een genuanceerd beeld op van de effectiviteit van medische hypnose bij pijn: voor acute, perioperatieve en procedurele pijn wordt een statistisch significante en klinisch relevante vermindering van pijnscores en opioïdengebruik gevonden, terwijl voor chronische pijn geen significant gepoold effect op pijnintensiteit kon worden aangetoond1. Deze differentiatie tussen acute en chronische toepassingen is de belangrijkste meerwaarde van deze bredere synthese ten opzichte van reviews die zich tot één pijncategorie beperken, en nuanceert het beeld dat hypnotherapie zonder onderscheid effectief zou zijn bij “pijn” in het algemeen.
Tegelijkertijd blijven aanzienlijke methodologische beperkingen van kracht: hoge klinische en statistische heterogeniteit binnen het acute cluster, onvolledige blindering in beide clusters, een beperkt aantal geïncludeerde studies, en onvoldoende systematische aandacht voor moderatoren als hypnotiseerbaarheid. De auteurs bevelen zelf aan dat toekomstig onderzoek zich zou moeten richten op grootschaliger, dubbelblind opgezette RCT’s — voor zover blindering van een hypnotische interventie praktisch te benaderen is, bijvoorbeeld via actieve controlecondities — met controle voor variabelen als leeftijd, type ingreep, geslacht en wijze van hypnosetoediening, om zo de werkzame mechanismen en de meest kansrijke patiëntengroepen voor hypnose beter te kunnen identificeren.
Voor de discipline Hypnotherapie binnen dit domein Psychosociaal bevestigt deze studie, samen met aandoeningsspecifieke reviews naar musculoskeletale en neuropathische pijn, dat hypnose een van de beter onderbouwde psychosociale interventies is bij acute perioperatieve pijnbestrijding, terwijl voor de toepassing bij chronische pijn nog geen eenduidig gepoold bewijs van effectiviteit op pijnintensiteit bestaat — een onderscheid dat relevant is voor het formuleren van realistische verwachtingen in de klinische praktijk en voor de prioritering van toekomstig onderzoek.
Eindnoten
- Yerzhan A, Ayazbekova A, Lavage DR, Chelly JE. The Use of Medical Hypnosis to Prevent and Treat Acute and Chronic Pain: A Systematic Review and Meta-Analysis. Journal of Clinical Medicine. 2025;14(13):4661. doi:10.3390/jcm14134661. PMID: 40649035. https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/40649035/
- Jensen MP. The neurophysiology of pain perception and hypnotic analgesia: implications for clinical practice. American Journal of Clinical Hypnosis. 2008;51(2):123-148. PMID: 18998379. https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/18998379/
- Patterson DR, Jensen MP. Hypnosis and clinical pain. Psychological Bulletin. 2003;129(4):495-521. PMID: 12848218. https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/12848218/
- Jensen MP, Patterson DR. Hypnotic approaches for chronic pain management: clinical implications of recent research findings. American Psychologist. 2014;69(2):167-177. PMID: 24547802. https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/24547802/
- Birnie KA, Noel M, Chambers CT, Uman LS, Parker JA. Psychological interventions for needle-related procedural pain and distress in children and adolescents. Cochrane Database of Systematic Reviews. 2018;10:CD005179. doi:10.1002/14651858.CD005179.pub4. https://www.cochranelibrary.com/cdsr/doi/10.1002/14651858.CD005179.pub4/full
- Volledige tekst van de besproken studie (open access). The Use of Medical Hypnosis to Prevent and Treat Acute and Chronic Pain: A Systematic Review and Meta-Analysis. Journal of Clinical Medicine. 2025;14(13):4661. https://pmc.ncbi.nlm.nih.gov/articles/PMC12250368/