Veerkracht, posttraumatische groei en betekenis bij overlevenden van kanker door psychosociale interventies

Binnen het domein Psychosociaal, en specifiek binnen de discipline Psychosociale Therapie, bespreekt dit artikel een systematische review met meta-analyse van gerandomiseerde, gecontroleerde…

Samenvatting

Een bespreking van de systematische review met meta-analyse van Yıldız Aytaç, Hiçdurmaz en Karahan (2025)

Binnen het domein Psychosociaal, en specifiek binnen de discipline Psychosociale Therapie, bespreekt dit artikel een systematische review met meta-analyse van gerandomiseerde, gecontroleerde trials (RCT’s) naar de effectiviteit van psychosociale interventies op veerkracht, posttraumatische groei en betekenis bij overlevenden van kanker1. De review, uitgevoerd door Yıldız Aytaç, Hiçdurmaz en Karahan en gepresenteerd op het congres van de European Psychiatric Association (2025), doorzocht CINAHL, CENTRAL, PubMed en Web of Science Core Collection, aangevuld met citatiezoeken in Scopus, zonder beperking naar publicatiedatum of taal. Uiteindelijk werden 14 RCT’s met in totaal 1801 deelnemers geïncludeerd, gepubliceerd tussen 2005 en 2022, waarvan 10 studies met uitkomsten op posttraumatische groei en/of betekenis in de kwantitatieve synthese werden meegenomen. De gepoolde resultaten lieten een klein, gunstig effect zien van psychosociale interventies op betekenis direct na de interventie ten opzichte van reguliere zorg (Cohen’s d = -0,298; 95%-BI -0,518 tot -0,077; p = 0,008; I² = 0%; op basis van 319 deelnemers; lage bewijszekerheid volgens GRADE), maar dit effect bleef bij de langste follow-upmeting niet statistisch significant behouden (d = -0,172; 95%-BI -0,361 tot 0,018; p = 0,075; I² = 0%). Voor posttraumatische groei werd op geen van beide meetmomenten een significant verschil tussen interventie en controle gevonden, bij een zeer hoge statistische heterogeniteit (I² = 99,6%) en zeer lage bewijszekerheid. Voor veerkracht kon, doordat slechts twee studies deze uitkomstmaat rapporteerden, geen gepoolde analyse worden uitgevoerd.

De auteurs concluderen dat de effectiviteit van psychosociale interventies op alle drie de onderzochte uitkomstmaten vooralsnog onzeker is en dat aanvullend bewijs van hogere methodologische kwaliteit noodzakelijk is. Een belangrijke sterkte van deze review is de beperking tot RCT’s in combinatie met een brede, systematische zoekstrategie en het gebruik van erkende instrumenten voor risico op vertekening (Cochrane RoB2) en bewijszekerheid (GRADE). Tegelijkertijd tonen de resultaten — een klein en niet-duurzaam effect op betekenis, geen aantoonbaar effect op posttraumatische groei bij zeer hoge heterogeniteit, en te weinig onderzoek naar veerkracht om iets te kunnen concluderen — dat de evidentiebasis voor deze positief-psychologische uitkomstmaten bij kankeroverlevenden vooralsnog beperkt en overwegend onzeker is. Dit artikel plaatst deze bevindingen in hun theoretische en methodologische context en bespreekt de betekenis ervan voor de klinische praktijk van de psychosociale oncologische nazorg.

1. Inleiding

Door verbeterde vroegdiagnostiek en behandeling leven wereldwijd steeds meer mensen langdurig met of na een kankerdiagnose. Deze groeiende groep overlevenden wordt niet alleen geconfronteerd met de fysieke gevolgen van ziekte en behandeling, maar ook met een ingrijpende psychologische verwerkingsopgave. Onderzoek en praktijk binnen de psycho-oncologie hebben zich lange tijd vooral gericht op het verminderen van psychopathologie — angst, depressie, posttraumatische stressklachten — als primaire uitkomstmaat van psychosociale zorg. De laatste decennia is daarnaast een positief-psychologische stroming ontstaan die evenzeer kijkt naar adaptieve uitkomsten: veerkracht, posttraumatische groei en het ervaren van betekenis. Deze drie begrippen weerspiegelen niet de afwezigheid van lijden, maar de mogelijkheid dat mensen zich, ondanks of zelfs door het doormaken van een levensbedreigende ziekte als kanker, psychologisch kunnen aanpassen, herstellen en soms zelfs groeien.

Binnen de discipline Psychosociale Therapie is deze verschuiving relevant omdat zij de vraag oproept of psychosociale interventies — van cognitieve gedragstherapie tot mindfulness-training en betekenisgerichte psychotherapie — niet alleen klachten kunnen verminderen, maar ook actief kunnen bijdragen aan deze positieve uitkomsten. Dit artikel bespreekt een recente systematische review met meta-analyse van uitsluitend gerandomiseerde, gecontroleerde trials (RCT’s) die deze vraag voor overlevenden van kanker onderzocht1. Doordat de review zich beperkt tot RCT’s, geldt zij als een methodologisch sterke vorm van bewijssynthese: randomisatie verdeelt bekende en onbekende verstorende variabelen zo veel mogelijk gelijk over interventie- en controlegroep, wat een betrouwbaardere uitspraak over causale effecten mogelijk maakt dan observationeel onderzoek.

Het doel van dit artikel is drieledig: het theoretisch kader van veerkracht, posttraumatische groei en betekenisgeving bij kankeroverleving toelichten; de methode en resultaten van de besproken review bespreken; en deze bevindingen kritisch plaatsen binnen de bredere evidentiebasis voor psychosociale therapie, met aandacht voor methodologische beperkingen en klinische implicaties.

2. Theoretisch kader

2.1 Posttraumatische groei

Het concept posttraumatische groei (posttraumatic growth, PTG) werd in de jaren negentig geïntroduceerd door Tedeschi en Calhoun, die het definieerden als positieve psychologische verandering die kan ontstaan als gevolg van de worsteling met zeer uitdagende, traumatische levensomstandigheden2. Een kankerdiagnose geldt binnen dit model als een potentiële trigger voor groei, doordat zij fundamentele aannames over het leven, de eigen kwetsbaarheid en de toekomst op scherp kan zetten. Het model onderscheidt vijf domeinen: waardering van het leven, relaties met anderen, nieuwe mogelijkheden, persoonlijke kracht en spirituele verandering. Belangrijk is dat PTG niet wordt gezien als tegengesteld aan lijden, maar als een proces dat er juist naast kan ontstaan — wat PTG methodologisch lastig meetbaar maakt, omdat het onderscheiden van ‘werkelijke’ groei en aanpassingsstrategieën zoals cognitieve herwaardering niet altijd eenduidig is.

Om PTG te meten wordt doorgaans gebruikgemaakt van zelfrapportage-instrumenten zoals de door de grondleggers zelf ontwikkelde Posttraumatic Growth Inventory (PTGI)2. Hoewel deze breed wordt toegepast, bestaan er ook verkorte en cultureel aangepaste versies, wat de vergelijkbaarheid van resultaten tussen studies bemoeilijkt — een aandachtspunt dat, zoals in paragraaf 5 blijkt, ook in de hier besproken review naar voren komt.

2.2 Veerkracht

Veerkracht (resilience) wordt doorgaans omschreven als het vermogen om je staande te houden, aan te passen en te herstellen in het aangezicht van tegenslag. In tegenstelling tot posttraumatische groei, dat verandering ten opzichte van een uitgangssituatie veronderstelt, wordt veerkracht vaker gezien als een relatief stabiele, onderliggende capaciteit die iemand in staat stelt om na een verstoring terug te keren naar stabiel functioneren, al bestaan er ook procesmatige, dynamische definities. Een veelgebruikt meetinstrument is de Connor-Davidson Resilience Scale (CD-RISC), die veerkracht operationaliseert langs dimensies als persoonlijke competentie, vertrouwen in eigen instincten, acceptatie van verandering en controle3. Binnen de oncologische context wordt veerkracht relevant geacht omdat zij mogelijk beschermt tegen chronische psychische klachten na diagnose en behandeling, en omdat zij, anders dan PTG, in principe al vóór de ziekte-ervaring aanwezig kan zijn.

In de psycho-oncologische literatuur bestaat overigens conceptuele overlap en spanning tussen beide begrippen: waar veerkracht wordt geassocieerd met relatief ongestoorde aanpassing, veronderstelt PTG per definitie een periode van worsteling die aan de groei voorafgaat. Deze overlap compliceert de interpretatie van onderzoek dat, zoals de hier besproken review, beide constructen tegelijk als uitkomstmaat hanteert.

2.3 Betekenisgeving

Het derde uitkomstdomein, betekenis (meaning), verwijst naar de mate waarin mensen hun bestaan, en specifiek de ziekte-ervaring, als samenhangend, doelgericht en waardevol ervaren. Binnen theorieën over betekenisgeving wordt onderscheid gemaakt tussen globale betekenis (algemene overtuigingen en doelen in het leven) en situationele betekenis (de mate waarin een specifieke, stressvolle gebeurtenis als begrijpelijk wordt ervaren); betekenisgeving is het proces waarmee mensen deze twee weer met elkaar in overeenstemming proberen te brengen wanneer een ingrijpende gebeurtenis, zoals kanker, deze samenhang verstoort. Interventies die hierop inspelen, zoals de door Breitbart en collega’s ontwikkelde betekenisgerichte groepspsychotherapie, bouwen voort op de existentiële psychotherapie van Viktor Frankl en ondersteunen patiënten bij het (her)vinden van betekenis en verbondenheid ondanks — of soms juist dankzij — de ziekte-ervaring4.

Samen vormen veerkracht, posttraumatische groei en betekenis een cluster van positief-psychologische uitkomstmaten die elkaar conceptueel raken maar niet identiek zijn, en die als geheel een aanvulling vormen op de klassieke, pathologiegerichte uitkomstmaten binnen de psycho-oncologie. De hier besproken review is nadrukkelijk vanuit deze bredere invalshoek opgezet.

3. Methode van de besproken systematische review en meta-analyse

3.1 Zoekstrategie en inclusiecriteria

De review doorzocht systematisch CINAHL Plus with Full Text (EBSCOhost), CENTRAL, PubMed en Web of Science Core Collection, zonder beperkingen naar publicatiedatum of taal, aangevuld met voorwaarts en achterwaarts citatiezoeken in Scopus. Deze combinatie van meerdere databases met citatiezoeken is een methodologisch sterke aanpak die het risico op het missen van relevante studies beperkt.

Voor opname moesten studies gerandomiseerd en gecontroleerd zijn opgezet, uitgevoerd zijn bij overlevenden van kanker, en ten minste veerkracht, posttraumatische groei of betekenis hebben gerapporteerd na een psychosociale interventie. Uiteindelijk werden 14 RCT’s geïncludeerd, met samen 1801 deelnemers, gepubliceerd tussen 2005 en 20221. Van deze 14 studies rapporteerden 10 studies uitkomsten op PTG en/of betekenis die geschikt waren voor meta-analyse; voor veerkracht bleken slechts twee studies bruikbare data te rapporteren, onvoldoende om te poolen.

3.2 Onderzochte interventietypen

De geïncludeerde RCT’s onderzochten een breed spectrum aan psychosociale interventies. Hiertoe behoren onder meer op mindfulness gebaseerde interventies, cognitief-gedragstherapeutische interventies gericht op stressmanagement of coping, en expliciet betekenisgerichte interventies zoals meaning-centered psychotherapie, geïnspireerd op het werk van Breitbart en collega’s4. Daarnaast omvatte de review bredere psycho-educatieve en ondersteunende groepsinterventies waarin lotgenotencontact, psycho-educatie en het aanleren van copingvaardigheden werden gecombineerd. Deze heterogeniteit in interventietype — die de review zelf niet in detail per uitkomstmaat uitsplitst in de beschikbare samenvatting — vormt, zoals in paragraaf 5 blijkt, een belangrijk aandachtspunt bij de interpretatie van de gepoolde resultaten.

3.3 Uitkomstmaten, risico op vertekening en bewijszekerheid

Veerkracht, posttraumatische groei en betekenis werden gemeten op twee tijdstippen: van voormeting tot direct na de interventie, en van voormeting tot de langste beschikbare follow-up. Het risico op vertekening werd beoordeeld met het herziene Cochrane-instrument voor RCT’s (RoB2), en de bewijszekerheid per uitkomstmaat volgens de GRADE-methodiek. Beide instrumenten behoren tot de internationale standaard voor kwaliteitsbeoordeling binnen systematische reviews en dragen bij aan de methodologische transparantie van de review. De analyses werden uitgevoerd met IBM SPSS Statistics; effectgroottes werden uitgedrukt als Cohen’s d met 95%-betrouwbaarheidsintervallen, en heterogeniteit werd gekwantificeerd met de I²-statistiek1.

4. Bevindingen

Voor de uitkomstmaat betekenis vond de meta-analyse een klein, statistisch significant effect in het voordeel van psychosociale interventies ten opzichte van reguliere zorg, gemeten van voor tot direct na de interventie: Cohen’s d = -0,298 (95%-BI -0,518 tot -0,077; p = 0,008), zonder waarneembare heterogeniteit tussen studies (I² = 0%), gebaseerd op 319 deelnemers, met een door de auteurs als laag gekwalificeerde bewijszekerheid volgens GRADE. Bij de langste follow-upmeting was dit effect echter niet langer statistisch significant: d = -0,172 (95%-BI -0,361 tot 0,018; p = 0,075), eveneens met I² = 0% en lage bewijszekerheid, op basis van 433 deelnemers. Dit patroon wijst op een kortetermijneffect van psychosociale interventies op ervaren betekenis, dat op langere termijn niet aantoonbaar behouden blijft.

Voor posttraumatische groei werd op geen van beide meetmomenten een statistisch significant verschil tussen interventie- en controlegroep gevonden. Van voor- tot direct na de interventie bedroeg het gepoolde effect d = -2,310 (95%-BI -5,735 tot 1,115; p = 0,186; 498 deelnemers); bij de langste follow-up was dit d = -1,612 (95%-BI -3,847 tot 0,623; p = 0,157; 947 deelnemers). Beide schattingen gingen gepaard met een zeer hoge heterogeniteit (I² = 99,6%) en zeer lage bewijszekerheid. Deze extreme heterogeniteit — en de bijbehorende brede betrouwbaarheidsintervallen — maakt dat aan deze puntschattingen weinig klinische betekenis kan worden ontleend; zij weerspiegelen vooral de grote onderlinge verschillen tussen studies, eerder dan een betrouwbare schatting van een werkelijk effect.

Voor veerkracht kon geen gepoolde effectschatting worden berekend, doordat slechts twee geïncludeerde RCT’s deze uitkomstmaat vergelijkbaar rapporteerden. Er kan dus geen uitspraak worden gedaan over de effectiviteit van psychosociale interventies op veerkracht — niet omdat is aangetoond dat een effect ontbreekt, maar omdat het aantal beschikbare RCT’s vooralsnog te beperkt is.

Wat betreft de kwaliteit van het bewijs rapporteren de auteurs dat het risico op vertekening, beoordeeld met RoB2, voor alle studies op minstens ‘sommige zorgen’ werd beoordeeld, op één studie na; nergens werd een laag risico over de volle breedte van het instrument vastgesteld. Over veiligheid — ongewenste effecten of uitval door emotionele belasting — wordt in de beschikbare samenvatting niet afzonderlijk gerapporteerd; gezien de aard van de interventies (gesprekstherapie, mindfulnesstraining, psycho-educatie) gaat het om vormen van zorg die in de bredere psycho-oncologische literatuur doorgaans als laagdrempelig en veilig gelden, al kan het bespreken van de ziekte-ervaring individueel tijdelijk belastend zijn.

Op basis hiervan concluderen de auteurs dat de effectiviteit van psychosociale interventies op alle drie de uitkomstmaten onzeker is, en dat aanvullend bewijs van hogere kwaliteit nodig is; zij bepleiten toekomstige RCT’s van hoge methodologische kwaliteit1.

5. Kritische methodologische beschouwing

De belangrijkste sterkte van deze review is de combinatie van een brede, systematische zoekstrategie over vier databases met aanvullend citatiezoeken, de uitsluitende inclusie van RCT’s, en het gebruik van gestandaardiseerde instrumenten voor risico op vertekening (RoB2) en bewijszekerheid (GRADE). Dit maakt de review methodologisch transparant en plaatst haar bevindingen, ondanks de beperkte omvang van het onderliggende bewijs, op een degelijke grondslag.

Tegelijkertijd kent de review belangrijke beperkingen. Ten eerste is de heterogeniteit voor posttraumatische groei extreem hoog (I² = 99,6% op beide meetmomenten): de geïncludeerde studies lopen sterk uiteen in effectrichting en -grootte. Dit ondermijnt de betekenis van een gepoolde schatting en wijst erop dat de onderzochte interventies, populaties en meetmethoden onvoldoende vergelijkbaar zijn om samen te vatten — vermoedelijk mede door de conceptuele diversiteit in het meten van PTG (paragraaf 2.1) en de uiteenlopende interventie- en kankertypen die onder één noemer zijn samengebracht.

Ten tweede was het risico op vertekening in vrijwel alle studies verhoogd (‘some concerns’ of hoger), wat samen met brede betrouwbaarheidsintervallen resulteerde in een door de auteurs zelf als laag tot zeer laag gekwalificeerde bewijszekerheid voor alle drie de uitkomstmaten; toekomstig onderzoek van hogere kwaliteit kan de hier gerapporteerde schattingen nog aanzienlijk wijzigen. Ten derde is het aantal studies per uitkomstmaat beperkt — met name voor veerkracht, met slechts twee bruikbare RCT’s — wat ook het risico op publicatiebias vergroot: met zo weinig studies is formele toetsing op publicatiebias niet goed uitvoerbaar, en blijft de mogelijkheid bestaan dat niet-significante bevindingen over veerkracht onderrapporteerd zijn gebleven.

Ten vierde betreft de hier beschikbare bron een congresabstract, gepresenteerd op het congres van de European Psychiatric Association en gepubliceerd als supplement bij European Psychiatry. De volledige rapportage van deze review — met een PRISMA-stroomdiagram, gedetailleerde studiekarakteristieken en gevoeligheidsanalyses — is ten tijde van schrijven mogelijk nog niet als volledig peer-reviewed artikel beschikbaar; de hier besproken cijfers zijn afkomstig uit een gestructureerde samenvatting en dienen als voorlopig te worden geïnterpreteerd. Tot slot omvat de review studies gepubliceerd over bijna twintig jaar (2005-2022), wat gepaard kan gaan met verschillen in oncologische standaardzorg tussen de vroegste en meest recente studies.

6. Klinische en praktische implicaties voor oncologische nazorg

Voor de klinische praktijk van de psychosociale oncologische nazorg bieden deze bevindingen een genuanceerd beeld. Het kleine kortetermijneffect op ervaren betekenis suggereert dat interventies die expliciet op betekenisgeving zijn gericht — zoals betekenisgerichte groepspsychotherapie — een zinvolle aanvulling kunnen zijn binnen de directe nazorgperiode, ook al is de bewijszekerheid hiervoor nog laag en blijkt het effect zich niet zonder meer te handhaven. Dit pleit voor inzet van dergelijke interventies rond de fase van actieve behandelafronding of vroege nazorg, met aandacht voor het bestendigen van baten op langere termijn, bijvoorbeeld via boostersessies.

Voor posttraumatische groei als expliciet interventiedoel is terughoudendheid op zijn plaats: de zeer hoge heterogeniteit en het ontbreken van een significant gepoold effect betekenen dat zorgverleners geen stellige uitspraken kunnen doen over de mate waarin interventies PTG bevorderen. Dit betekent niet dat individuele patiënten geen groei kunnen doormaken, maar wel dat het nog niet gerechtvaardigd is om PTG als betrouwbaar, interventie-gestuurd behandeldoel aan cliënten te presenteren. Voor veerkracht geldt, bij gebrek aan voldoende onderzoek, dat zorgverleners zich vooralsnog moeten baseren op bredere evidentie buiten de oncologische context.

Praktisch betekent dit dat het bevorderen van veerkracht, posttraumatische groei en betekenis een waardevol behandeldoel blijft naast klachtreductie, maar dat de huidige evidentie onvoldoende is om specifieke interventies met stelligheid als effectief te profileren. Transparante communicatie met cliënten over dit voorlopige karakter, gecombineerd met monitoring van individuele baten, is aan te bevelen.

7. Conclusie en toekomstig onderzoek

Deze systematische review met meta-analyse van 14 RCT’s en 1801 deelnemers laat zien dat psychosociale interventies bij overlevenden van kanker op korte termijn een klein, significant gunstig effect kunnen hebben op ervaren betekenis, dat niet aantoonbaar op langere termijn behouden blijft. Voor posttraumatische groei kon geen significant effect worden vastgesteld bij zeer hoge heterogeniteit, en voor veerkracht was het aantal RCT’s te beperkt om enige conclusie te trekken. De auteurs kwalificeren de bewijszekerheid voor alle drie de uitkomstmaten als laag tot zeer laag, en concluderen dat de effectiviteit vooralsnog onzeker is1.

Voor toekomstig onderzoek is met name behoefte aan meer RCT’s die veerkracht als uitkomstmaat rapporteren, aan grotere, sterkere studies naar posttraumatische groei om de heterogeniteit te kunnen verklaren — bijvoorbeeld door te differentiëren naar interventietype, kankertype en meetinstrument — en aan langere follow-upperiodes om vast te stellen of kortetermijneffecten op betekenis kunnen worden bestendigd. Standaardisatie van de gebruikte meetinstrumenten zou de vergelijkbaarheid van toekomstige studies aanzienlijk kunnen verbeteren.

Voor de discipline Psychosociale Therapie draagt deze review bij aan de evidentiebasis door, op basis van uitsluitend gerandomiseerd-gecontroleerd onderzoek, een realistisch beeld te schetsen van wat wel en niet bekend is over de effectiviteit van psychosociale interventies op veerkracht, posttraumatische groei en betekenis bij overlevenden van kanker. Dat beeld is er een van voorzichtig optimisme ten aanzien van betekenisgerichte interventies op de korte termijn, gecombineerd met een oproep tot méér en beter onderzoek voordat stellige uitspraken gerechtvaardigd zijn.

Eindnoten

  1. Yıldız Aytaç G, Hiçdurmaz D, Karahan S. Effectiveness of psychosocial interventions on resilience, posttraumatic growth, and meaning in cancer survivors: a systematic review and meta-analysis of randomized controlled trials. European Psychiatry. 2025;68(Suppl 1):S354. doi:10.1192/j.eurpsy.2025.747. PMCID: PMC12437150. https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC12437150/
  2. Tedeschi RG, Calhoun LG. The Posttraumatic Growth Inventory: measuring the positive legacy of trauma. Journal of Traumatic Stress. 1996;9(3):455-471. PMID: 8827649. https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/8827649/
  3. Connor KM, Davidson JRT. Development of a new resilience scale: the Connor-Davidson Resilience Scale (CD-RISC). Depression and Anxiety. 2003;18(2):76-82. doi:10.1002/da.10113. https://doi.org/10.1002/da.10113
  4. Breitbart W, Poppito SR. Meaning-Centered Group Psychotherapy for Patients with Advanced Cancer. Oxford University Press; 2015. doi:10.1093/med/9780199837250.001.0001. https://doi.org/10.1093/med/9780199837250.001.0001
  5. Casellas-Grau A, Ochoa C, Ruini C. Psychological and clinical correlates of posttraumatic growth in cancer: A systematic and critical review. Psycho-Oncology. 2017;26(12):2007-2018. doi:10.1002/pon.4426. https://doi.org/10.1002/pon.4426

Auteur

Rick

Gepubliceerd op

11 augustus, 2026

Thema

Wetenschappelijke studies

Tags

Deel dit artikel

Elke dag een druppeltje zon

Zes maanden lang gratis!

Gerelateerde artikelen