Lopend promotieonderzoek naar contextuele theorie en praktijk in Nederland

Binnen het domein Psychosociaal, en specifiek binnen de discipline Contextueel werker, wordt momenteel promotieonderzoek uitgevoerd naar de kernelementen van de contextuele theorie en de…

Samenvatting

Een kritische bespreking van het onderzoeksprogramma “Van contextuele theorie naar praktijk” van ICB Nederland

Binnen het domein Psychosociaal, en specifiek binnen de discipline Contextueel werker, wordt momenteel promotieonderzoek uitgevoerd naar de kernelementen van de contextuele theorie en de vertaling daarvan naar de klinische praktijk. Dit onderzoek, getiteld “Van contextuele theorie naar praktijk”, wordt uitgevoerd onder auspiciën van het Instituut voor Contextuele Benadering (ICB Nederland), en richt zich onder meer op cliëntervaringen met contextuele hulpverlening en op de ontwikkeling van een praktijkmodel waarmee abstracte, filosofisch geladen concepten als loyaliteit, verdiende verdienste en relationele ethiek kunnen worden vertaald naar concrete, toetsbare en overdraagbare handelingsprincipes voor de contextueel werker. Dit artikel bespreekt de achtergrond van de contextuele benadering zoals ontwikkeld door Ivan Boszormenyi-Nagy, legt uit wat een promotietraject in Nederland behelst, en plaatst de huidige status van dit lopende onderzoek zorgvuldig binnen de bredere evidentiehiërarchie voor complementaire en psychosociale zorg. Nadrukkelijk wordt benoemd dat dit onderzoek zich nog in de onderzoeksfase bevindt en op dit moment geen afgeronde, kwantitatieve effectiviteitsdata oplevert; er kunnen op basis hiervan dan ook geen uitspraken worden gedaan over de mate waarin contextuele therapie leidt tot meetbare verbetering van klachten of functioneren. De waarde van dit traject ligt vooralsnog in de theoretische verdieping en praktijkgerichte doordenking van het vakgebied, en in de belofte van toekomstige, mogelijk wel empirisch onderbouwde publicaties.

1. Inleiding

De contextuele benadering is een van de oudere en meer filosofisch doordachte stromingen binnen de relatie- en gezinstherapie, en vormt in Nederland de theoretische grondslag voor het beroep van contextueel werker. In tegenstelling tot veel andere psychosociale behandelmethoden, die zijn ontstaan vanuit specifieke, empirisch getoetste protocollen, is de contextuele benadering ontwikkeld vanuit een relationeel-ethisch gedachtegoed dat oorspronkelijk meer filosofisch en klinisch-theoretisch dan kwantitatief-empirisch van aard was. Dit maakt de vertaling van de contextuele theorie naar een toetsbaar, systematisch beschreven en overdraagbaar praktijkmodel een relevante en actuele wetenschappelijke opgave, temeer omdat de bredere zorgsector — inclusief de complementaire en psychosociale zorg — in toenemende mate vraagt om onderbouwing en verantwoording van de gehanteerde werkwijzen.

Binnen de “Gids Evidence Based Onderzoek Complementaire Zorg” wordt dit onderwerp ondergebracht bij de discipline Contextueel werker (discipline 31), binnen het domein Psychosociaal. Dit artikel bespreekt een lopend promotieonderzoek van het Instituut voor Contextuele Benadering (ICB Nederland), getiteld “Van contextuele theorie naar praktijk”1. Dit onderzoek is nadrukkelijk geen afgeronde, gepubliceerde systematische review, meta-analyse of gerandomiseerde gecontroleerde trial (RCT), maar een meerjarig promotietraject dat zich richt op de theoretische verdieping en praktijkvertaling van de contextuele benadering.

Het doel van dit artikel is drieledig: ten eerste wordt de theoretische achtergrond van de contextuele benadering toegelicht, inclusief de kernbegrippen die aan de basis liggen van het vakgebied; ten tweede wordt uitgelegd wat een promotieonderzoek in de Nederlandse wetenschappelijke context inhoudt, en wat de opzet en status zijn van het hier besproken traject; en ten derde wordt, in lijn met de kritische en methodologisch zorgvuldige toon van deze gidsreeks, expliciet en eerlijk besproken wat dit onderzoek op dit moment wel en niet aan de evidentiebasis voor het beroep van contextueel werker bijdraagt.

2. Wat is contextuele theorie

De contextuele benadering is in de tweede helft van de twintigste eeuw ontwikkeld door de Hongaars-Amerikaanse psychiater Ivan Boszormenyi-Nagy, die in zijn klinische werk met gezinnen tot de overtuiging kwam dat individueel psychisch functioneren niet los kan worden gezien van de bredere, vaak meergenerationele relationele context waarin iemand is opgegroeid en leeft2. Nagy onderscheidde in zijn theorie vier met elkaar samenhangende dimensies van de relationele werkelijkheid: feiten (onveranderlijke levensgebeurtenissen zoals geboorte, ziekte of overlijden), psychologie (het individuele, intrapsychische functioneren), interacties (systemische communicatie- en gedragspatronen) en relationele ethiek. Deze laatste dimensie — relationele ethiek — vormt Nagy’s meest onderscheidende bijdrage aan het vakgebied van de gezins- en relatietherapie, en betreft de balans van geven en ontvangen, van rechtvaardigheid en vertrouwen, tussen mensen die met elkaar in relatie staan3.

Binnen de relationele ethiek staat het begrip loyaliteit centraal: een existentiële, vaak onzichtbare gebondenheid tussen mensen die in belangrijke relaties met elkaar staan, in het bijzonder tussen ouders en kinderen (verticale loyaliteit) en tussen partners of siblings (horizontale loyaliteit). Loyaliteitsconflicten ontstaan wanneer deze gebondenheden met elkaar botsen, bijvoorbeeld wanneer een kind zich gedwongen voelt te kiezen tussen twee ouders. Een tweede kernbegrip is verdiende verdienste (ook wel earned merit genoemd): de erkenning die iemand verwerft door daadwerkelijk, over tijd, een bijdrage te leveren aan het welzijn van anderen binnen de relatie, en de wijze waarop deze bijdragen — of het gebrek daaraan — doorwerken in de balans van de relatie en soms zelfs in volgende generaties.

Een derde kernbegrip is multilaterale partijdigheid (multidirectional partiality): de houding van de contextueel werker die zich, in tegenstelling tot een neutrale of juist eenzijdig invoelende positie, actief en beurtelings inzet voor de belangen van alle betrokkenen in een relationeel systeem, inclusief afwezige of niet ter sprake gebrachte partijen zoals kinderen of overleden familieleden. Tot slot is het meergenerationele perspectief wezenlijk voor de contextuele benadering: problemen en patronen worden niet uitsluitend verklaard vanuit het hier en nu, maar bezien in het licht van ten minste drie tot vier generaties, met aandacht voor de doorwerking van onbalans, onrecht of onvervulde loyaliteit van generatie op generatie^2,3^.

Deze kernbegrippen maken de contextuele benadering tot een rijk, klinisch waardevol maar ook abstract en filosofisch geladen denkkader. Juist die abstractie — kenmerkend voor een benadering die vanuit ethische en relationele filosofie is opgebouwd, eerder dan vanuit een empirisch-experimentele traditie — maakt het lastig om de kernbegrippen direct te vertalen naar toetsbare, protocollaire interventies zoals gebruikelijk is bij bijvoorbeeld cognitieve gedragstherapie. Dit vormt precies de aanleiding voor het hier besproken promotieonderzoek.

3. Wat is promotieonderzoek

3.1 Het promotietraject in de Nederlandse wetenschap

Promotieonderzoek is in Nederland de hoogste vorm van wetenschappelijke scholing en betreft een meerjarig traject — doorgaans vier tot zes jaar, al dan niet in deeltijd — dat wordt uitgevoerd onder begeleiding van een of meer hoogleraren (promotoren) en veelal ook copromotoren, met als doel het zelfstandig uitvoeren van origineel wetenschappelijk onderzoek en het schrijven van een proefschrift. Promovendi kunnen dit traject volgen als werknemer van een universiteit, op basis van een beurs of externe financiering, of als zogeheten extern promovendus die het onderzoek grotendeels in eigen tijd verricht, vaak naast een functie in de praktijk4. Promotieonderzoek wordt in de regel begeleid vanuit een universitaire graduate school, en resulteert bij afronding in de verdediging van het proefschrift voor een promotiecommissie en het verkrijgen van de titel doctor (dr.).

Een kenmerk van promotieonderzoek is dat het zich over meerdere jaren uitstrekt en doorgaans in fasen verloopt: een literatuurstudie en theoretische verkenning, het ontwikkelen en uittesten van onderzoeksinstrumenten of -methoden, dataverzameling (bijvoorbeeld via interviews, vragenlijsten of literatuuronderzoek), analyse, en ten slotte de synthese in de vorm van deelpublicaties en een proefschrift. Tussentijdse resultaten worden vaak gepubliceerd als afzonderlijke wetenschappelijke artikelen, die elk een deel van het onderzoek belichten; pas bij afronding van het gehele traject ontstaat een compleet beeld van de onderzoeksbevindingen. Dit betekent dat promotieonderzoek dat nog loopt, per definitie nog geen volledig afgeronde, aan collegiale toetsing (peer review) onderworpen eindconclusies kan opleveren.

3.2 Het onderzoek "Van contextuele theorie naar praktijk"

Het hier besproken promotieonderzoek, uitgevoerd onder auspiciën van ICB Nederland (Instituut voor Contextuele Benadering), draagt de titel “Van contextuele theorie naar praktijk” en richt zich op de kernelementen van de contextuele theorie zoals hierboven beschreven, en op de wijze waarop deze theoretische uitgangspunten in de klinische praktijk worden of kunnen worden toegepast1. ICB Nederland is verbonden aan de Christelijke Hogeschool Ede (CHE) en functioneert als platform voor opleiding, onderzoek en ontwikkeling binnen de contextuele benadering in Nederland5, wat een relevante institutionele inbedding biedt voor onderzoek dat theorie en praktijkopleiding met elkaar wil verbinden.

Blijkens de beschikbare informatie omvat het onderzoek onder meer twee met elkaar samenhangende onderzoekslijnen. Ten eerste worden cliëntervaringen met contextuele hulpverlening onderzocht: hoe cliënten de toepassing van contextuele concepten — zoals het expliciet maken van loyaliteiten, het erkennen van verdiende verdienste, of het werken vanuit een meergenerationeel perspectief — in de praktijk ervaren, en welke betekenis zij daaraan toekennen. Ten tweede wordt gewerkt aan de ontwikkeling van een praktijkmodel voor de contextuele benadering: een gestructureerd kader dat behulpzaam kan zijn om de abstracte, filosofisch geladen concepten van de contextuele theorie te vertalen naar concrete, toetsbare en overdraagbare handelingsprincipes voor de contextueel werker1.

Deze opzet is kenmerkend voor promotieonderzoek dat zich richt op praktijkgericht, kwalitatief georiënteerd onderzoek binnen een psychosociale discipline: de nadruk ligt op het begrijpen en systematiseren van een bestaande praktijk en de ervaringen van betrokkenen, eerder dan op het experimenteel toetsen van een vooraf gedefinieerde interventie tegen een controleconditie, zoals bij een RCT het geval zou zijn. Beide onderzoekstypen zijn wetenschappelijk waardevol, maar leveren fundamenteel andere soorten kennis op — een onderscheid dat in paragraaf 5 van dit artikel nader wordt uitgewerkt.

4. Waarom dit onderzoek relevant is voor de praktijk

Ook al levert dit promotieonderzoek op dit moment geen afgeronde effectiviteitsdata op, de relevantie ervan voor de praktijk van de contextueel werker is niet gering. Ten eerste draagt het bij aan de verdere theoretische verheldering van een vakgebied waarvan de kernbegrippen — loyaliteit, verdiende verdienste, relationele ethiek — van oudsher abstract en soms lastig eenduidig te operationaliseren zijn gebleven. Een preciezere, systematischer beschreven theorie is een noodzakelijke voorwaarde voor elk toekomstig effectiviteitsonderzoek: zonder een helder gedefinieerd en consistent toegepast praktijkmodel is het immers niet goed mogelijk om vast te stellen wát precies wordt getoetst in een eventuele latere RCT of vergelijkend onderzoek.

Ten tweede is het onderzoek naar cliëntervaringen op zichzelf waardevol, ook los van kwantitatieve effectmeting. Kwalitatief onderzoek naar de beleving van cliënten kan zicht geven op welke elementen van de contextuele werkwijze door cliënten als betekenisvol, helpend of juist belastend worden ervaren, op mogelijke onbedoelde effecten, en op de wijze waarop contextuele concepten in de dagelijkse praktijk worden vertaald door verschillende werkers. Dergelijke inzichten kunnen direct bijdragen aan de kwaliteit en consistentie van de beroepsuitoefening, ook voordat er kwantitatief effectonderzoek beschikbaar is.

Ten derde is de ontwikkeling van een expliciet praktijkmodel op zichzelf een belangrijke stap in de professionalisering van het beroep van contextueel werker. Een dergelijk model kan behulpzaam zijn bij scholing, supervisie, kwaliteitsbewaking en — op termijn — bij het ontwerpen van onderzoeksprotocollen waarin de effectiviteit van contextuele interventies op systematische wijze kan worden onderzocht. In die zin fungeert dit promotieonderzoek als een noodzakelijke tussenstap tussen theorie en toekomstig effectiviteitsonderzoek, eerder dan als effectiviteitsonderzoek zelf.

5. Kritische beschouwing: status binnen de evidentiehiërarchie

Voor een zorgvuldige en eerlijke weging van dit onderzoek binnen de “Gids Evidence Based Onderzoek Complementaire Zorg” is het van groot belang scherp te onderscheiden tussen wat dit promotieonderzoek wél en wat het niet oplevert. In de klassieke evidentiehiërarchie voor klinisch effectonderzoek staan systematische reviews en meta-analyses van meerdere gerandomiseerde gecontroleerde trials (RCT’s) doorgaans bovenaan, gevolgd door individuele RCT’s, gecontroleerde niet-gerandomiseerde studies, observationeel onderzoek (bijvoorbeeld cohortstudies), en ten slotte case reports en expert opinion. Kwalitatief onderzoek naar ervaringen, theorieontwikkeling en praktijkmodellen — zoals in het hier besproken promotietraject aan de orde is — wordt in deze hiërarchie doorgaans niet gerangschikt als bewijs voor klinische effectiviteit, maar vervult een andere, complementaire functie: het genereren van hypothesen, het verhelderen van mechanismen en het ontwikkelen van meetbare en toetsbare interventies.

Omdat dit onderzoek zich nog in de onderzoeksfase bevindt, levert het op dit moment nadrukkelijk geen afgeronde, kwantitatieve effectiviteitsdata op, zoals die bijvoorbeeld uit een RCT of meta-analyse zouden voortkomen. Er kunnen op basis van dit onderzoek dan ook geen uitspraken worden gedaan over de mate waarin contextuele therapie of de inzet van een contextueel werker leidt tot meetbare verbetering van klachten of functioneren bij cliënten. Elke suggestie dat dit promotietraject al bewijs zou leveren voor de werkzaamheid van de contextuele benadering zou een overschatting zijn van wat lopend, nog niet afgerond en niet gepubliceerd onderzoek kan onderbouwen.

Dit is geen kritiek op de waarde van het onderzoek als zodanig, maar een noodzakelijke methodologische nuancering. Promotieonderzoek dat zich in een vroege of middenfase bevindt, kan per definitie nog niet worden aangehaald als bewijs voor klinische effectiviteit — ongeacht de kwaliteit van de onderliggende theorie of de zorgvuldigheid van de onderzoeksopzet — simpelweg omdat de resultaten nog niet zijn afgerond, gepubliceerd en aan collegiale toetsing onderworpen. Voor de discipline Contextueel werker betekent dit dat de evidentiebasis op dit moment vooral bestaat uit klinische ervaring, theoretische onderbouwing en (nog) niet uit kwantitatief effectonderzoek naar de eigen interventies — een positie die overigens niet uniek is voor de contextuele benadering, maar wordt gedeeld door verscheidene andere psychosociale en complementaire behandelvormen waarvan de theoretische traditie ouder is dan de empirische onderzoekstraditie.

Belangrijk is voorts dat lezers van deze gids dit onderscheid ook methodologisch kunnen doorzien: een promotieonderzoek naar cliëntervaringen en praktijkmodelontwikkeling is, hoe waardevol ook, een ander type wetenschap dan een RCT naar symptoomreductie. Beide zijn nodig, maar zij beantwoorden verschillende vragen — de een primair de vraag wélke praktijk wordt uitgevoerd en hoe deze wordt ervaren, de ander de vraag óf en in welke mate die praktijk tot meetbare verbetering leidt. Het is deze laatste vraag die dit lopende onderzoek, in zijn huidige fase, nog niet kan beantwoorden.

6. Implicaties voor de praktijk en vooruitblik

Voor de contextueel werker die nu in de praktijk werkzaam is, betekent de huidige stand van zaken vooral dat de eigen werkwijze primair wordt onderbouwd vanuit de klinisch-theoretische traditie van Boszormenyi-Nagy en zijn opvolgers, aangevuld met de klinische ervaring en scholing binnen de beroepsgroep, zoals georganiseerd via ICB Nederland en de Vereniging van Contextueel Werkers6. Dit is een legitieme en in de geestelijke gezondheidszorg en het sociaal werk gebruikelijke onderbouwingsgrond, maar vraagt van de contextueel werker wel transparantie richting cliënten en samenwerkende zorgverleners over het feit dat er op dit moment geen gepubliceerd kwantitatief effectiviteitsonderzoek naar de contextuele benadering als geheel beschikbaar is dat aan de gangbare methodologische standaarden van RCT’s of systematische reviews voldoet.

Tegelijkertijd biedt de ontwikkeling van een praktijkmodel, zoals beoogd binnen dit promotietraject, concrete aanknopingspunten voor de dagelijkse praktijk: een explicieter, systematischer beschreven kader voor het toepassen van contextuele concepten kan bijdragen aan meer eenduidigheid tussen werkers, aan betere overdraagbaarheid in opleiding en supervisie, en aan een scherper geformuleerde basis waarop toekomstig effectonderzoek kan worden gebouwd. Contextueel werkers doen er dan ook goed aan de voortgang van dit onderzoek te blijven volgen, bijvoorbeeld via publicaties en nieuwsberichten van ICB Nederland.

Voor de langere termijn is de verwachting dat dit promotietraject, zoals gebruikelijk bij promotieonderzoek, zal resulteren in een of meerdere wetenschappelijke publicaties en uiteindelijk een proefschrift. Afhankelijk van de precieze onderzoeksopzet van de vervolgfasen zouden toekomstige deelpublicaties mogelijk wel kwantitatieve of anderszins toetsbare gegevens kunnen bevatten over de toepassing en werkzaamheid van het ontwikkelde praktijkmodel. Zolang dergelijke publicaties er niet zijn, is echter terughoudendheid geboden: deze gids zal de resultaten van dit traject opnieuw en zorgvuldig beoordelen zodra afgeronde, gepubliceerde bevindingen beschikbaar komen, en zal daarbij expliciet aangeven wanneer wél sprake is van kwantitatieve effectiviteitsdata die aan de gangbare wetenschappelijke standaarden voldoen.

7. Conclusie

Het promotieonderzoek “Van contextuele theorie naar praktijk”, uitgevoerd onder auspiciën van ICB Nederland, vormt een relevante en actuele bijdrage aan de theoretische en praktijkgerichte doordenking van de contextuele benadering, met aandacht voor cliëntervaringen en de ontwikkeling van een praktijkmodel dat centrale begrippen als loyaliteit, verdiende verdienste en relationele ethiek moet helpen vertalen naar concrete handelingsprincipes voor de contextueel werker. Dit onderzoek bevindt zich echter nog in de onderzoeksfase en levert op dit moment geen afgeronde, kwantitatieve effectiviteitsdata op; het kan dan ook niet worden aangehaald als bewijs voor de klinische werkzaamheid van contextuele therapie of van de inzet van een contextueel werker.

Binnen de discipline Contextueel werker markeert dit lopende traject een belangrijk, maar nog pril onderdeel van de bredere evidentiebasis: het toont aan dat er actief wetenschappelijk wordt gewerkt aan de onderbouwing en praktijkvertaling van de contextuele benadering, terwijl het tegelijkertijd eerlijk moet worden gepositioneerd als theorieontwikkelend en praktijkgericht onderzoek, niet als effectiviteitsonderzoek. Voor de praktijk van de contextueel werker betekent dit een uitnodiging tot transparantie over de huidige stand van de evidentiebasis, en tot alertheid op toekomstige publicaties uit dit traject, die mogelijk wel de empirische onderbouwing kunnen bieden waaraan het vakgebied op dit moment nog behoefte heeft.

Eindnoten

  1. ICB Nederland (Instituut voor Contextuele Benadering). Promotieonderzoek Contextuele Therapie: Van contextuele theorie naar praktijk. Geraadpleegd 2026. https://www.icbnederland.nl/promotieonderzoek-contextuele-therapie
  2. Vereniging van Contextueel Werkers. Ivan Boszormenyi-Nagy: grondlegger van de contextuele benadering. https://www.contextueelwerkers.eu/de-contextuele-benadering/ivan-boszormenyi-nagy
  3. Nagy Academie. Contextueel gedachtegoed: kernbegrippen van de contextuele benadering volgens Ivan Boszormenyi-Nagy. https://www.nagyacademie.nl/nagy-academie/gedachtegoed/
  4. Vrije Universiteit Amsterdam. Promoveren: het doctoraatstraject aan een Nederlandse universiteit. https://www.vu.nl/nl/onderzoek/promoveren
  5. ICB Nederland (Instituut voor Contextuele Benadering). Over ICB Nederland: platform voor opleiding, onderzoek en ontwikkeling van de contextuele benadering, verbonden aan de Christelijke Hogeschool Ede. https://icbnederland.nl/
  6. Vereniging van Contextueel Werkers. Beroepsvereniging voor contextueel werkers en contextueel therapeuten in Nederland. https://www.contextueelwerkers.eu/

Auteur

Rick

Gepubliceerd op

11 augustus, 2026

Thema

Wetenschappelijke studies

Tags

Deel dit artikel

Elke dag een druppeltje zon

Zes maanden lang gratis!

Gerelateerde artikelen