Gastcolumn
door Hugo Plug, directeur Health Benefits 08
Al vanaf 1986 heb ik beroepsmatig te maken met kruidenpreparaten. Kruidenpreparaten in alle toonaarden: van kruidenthee tot en met geregistreerde (kruiden)geneesmiddelen. De laatste jaren bekruipt mij het gevoel dat de marketing rondom specifieke kruiden een steeds grotere rol gaat spelen bij de informatieoverdracht aan voorschrijvers en eindgebruikers.
Een goed voorbeeld hiervan is de marketing die erop gericht is de biologische beschikbaarheid van kruiden te verhogen met behulp van verschillende technologieën. De (traditionele) ervaring, de literatuur en de kennis van de werkingsprincipes van kruiden in het algemeen lijkt daarbij steeds verder naar de achtergrond te verdwijnen, ten faveure van technische specificaties van het product. Deze verschuiving kan eenvoudig leiden tot verkeerde keuzes in voorschrift en/of gebruik.
Een goed voorbeeld daarvan is de huidige race om, met behulp van toevoegingen, nieuwe presentaties en/of – bestanddelen de beste opnamesnelheid te verkrijgen.
De automatische gedachte ‘nieuw, sneller of meer is beter’ ligt hierbij immers voor de hand. Wanneer dat altijd gepaard zou gaan met deugdelijk wetenschappelijk bewijsvoering, onder meer in vergelijking met extracten op basis van (delen van) het oorspronkelijke kruid, kun je mogelijk spreken van een interessante ontwikkeling. Maar juist dat laatste ontbreekt in helaas heel veel gevallen. Al enige tijd zoek ik naar informatie die mijn gevoel ‘woorden’ kan geven. Twee weken terug vond ik deze informatie geheel onverwacht onder een pakkende koptekst over een zeer actueel bestanddeel dat vanuit verschillende bronnen gewonnen kan worden: het molecuul resveratrol.
DE ‘RESVERATROL PARADOX’
De biologische beschikbaarheid van resveratrol is laag. En toch lijkt het bewijs van haar biologische activiteit, vanuit meer dan 200 gepubliceerde klinische studies, onbetwistbaar. De lage niveaus, die in het bloedplasma worden gevonden, lijken ons dus niet het hele verhaal te vertellen. Resveratrol ondergaat een zeer snelle metabolisatie tot sulfaat- en glucuronideconjugaten. Deze metabolieten, die in de verschillende doelorganen kunnen worden teruggevonden, moeten waarschijnlijk worden beschouwd als een onderdeel van het antwoord op de biologische effectiviteit.
Ik dacht na het lezen van de bovenstaande tekst direct aan de discussies rondom curcuma. Ook bij dit kruid is de biologische beschikbaarheid laag, terwijl klinische studies het bewijs van haar activiteit goed ondersteunen. Bovendien spelen ook hier de metabolieten daarbij mogelijk een doorslaggevende rol. Een goed voorbeeld daarvan is wellicht het biologisch actieve THC, dat in vivo krachtige antioxidatieve eigenschappen vertoont.
De aanwezigheid van synergistische eigenschappen van de verschillende bestanddelen in kruiden vormt een bekend en belangrijk aspect binnen het gebruik van kruiden in het algemeen. De gehele plant of het gehele plantendeel bevat normaal gesproken altijd alle mogelijke bestanddelen. Daarom lijkt het vooralsnog aannemelijk dat het ruwe materiaal en/of juist het gewone alcoholische dikextract de beste garantie vormt voor het verkrijgen van de gewenste effecten. Iets dat vanuit de traditie en vanuit de literatuur al jarenlang uitgebreid wordt onderschreven. Het blind inzetten op uitsluitend een toename van de biologische beschikbaarheid zal in veel gevallen niet het beste uit een kruid naar voren halen.
www.hb08.nl
