Rustig sta ik te wachten tot hij de deur uitkomt: een klein mannetje van tien jaar. “Ha, ben jij Astrid?” roept hij enthousiast, terwijl hij mijn kant op loopt. Vandaag hebben we ons eerste gesprekje samen. “Mag ik mijn directeurenhoed ophouden? Die heb ik zelf gemaakt. Mooi, hè?” “Natuurlijk mag dat,” zeg ik, “hij is prachtig.”
Onderweg naar mijn ruimte vertelt hij dat hij directeur is van zijn eigen kantoor. “Heb jij ook een kantoor?” vraagt hij. “Ja,” glimlach ik, “daar lopen we nu heen.” Zijn ogen glimmen. “Ik heb een nieuw kantoor in onze berging thuis. En ik woon vlakbij mijn andere kantoor. Dat is op het schoolplein vlak bij ons huis. Maar mijn hoofdkantoor staat in mijn slaapkamer.” “Jeetje, dan zal je het wel druk hebben met al die kantoren”, zeg ik.
“Jaha!” zegt hij trots. “Ik ben er elke dag. Ik teken en knutsel vooral.” “Dan moet het wel een heel mooi kantoor zijn.” “Jaha, ik maak de mooiste dingen!” “Misschien moet je binnenkort wel personeel aannemen?” stel ik voor. Hij denkt even na. “Nee… dat vind ik nog geen goed idee. Soms mag er iemand mee knutselen, maar die moet dan ook weer weg, het is mijn kantoor. Weet je wat mijn directeurennaam is? Mijn naam is ‘Meneer Kaasgaaf’. Mooi he! Ken je de echte Meneer Kaasgaaf? Die heeft zijn kantoor in ‘Julianadorp’. Weet je waar dat is?”
Deze jongen maakt me aan het lachen. In een paar minuten neemt hij mij mee in zijn wereld. En ik denk: waarom raken we die wereld als volwassenen zo vaak kwijt? Is het door het harde werken, de volle agenda’s, de haast en druk die nooit lijkt te stoppen? Wat als we, net als hij, af en toe weer even mochten verdwalen in onze fantasie? Wat je niet meteen ziet, is dat hij tien jaar is, maar een ontwikkelingsleeftijd heeft van ongeveer zes. Zijn fantasie is grenzeloos en hij heeft veel humor. Maar juist dat maakt het soms moeilijk voor hem. Zijn leeftijdsgenootjes kunnen niet altijd mee in zijn wereld vol hoeden, kantoren en knutselplannen. Want soms wordt hij gepest. Hij lijkt het niet altijd in de gaten te hebben, misschien juist omdat hij zo opgaat in zijn eigen verhalen. Misschien omdat zijn humor hem beschermt. Of misschien omdat hij nog gelooft dat iedereen welkom is in zijn wereld.
Na veertig minuten sluiten we de sessie af met een spelletje. Hij kiest voor memory. We lachen. Plotseling kijkt hij me aan, zijn directeurenhoed nog op zijn hoofd, en zegt: “Nu kennen wij elkaar. Jij bent Astrid. Nu weet ik wie je bent.” En daar zijn ze weer: die glinsterende ogen.
Wat is het toch mooi, denk ik, om in gesprek te zijn met iemand die je nog helemaal niet kent en die zó blij is om jou te leren kennen en dat ook gewoon zegt.
Hij gaf mij een dag met een lach.

