Nadat in maart 2022 mijn tweede boek over bore-out verscheen, werd mijn verlangen om een derde exemplaar te produceren, steeds groter.
Ik was me namelijk steeds meer gaan verbazen over het – vaak ineffectieve – gedrag dat mensen in een bore-outsituatie vertonen. Dat je je werk zo dodelijk vervelend vindt, dat je je er niet meer gemotiveerd toe kunt zetten, is iets wat je overkomt. Maar waardoor grijp je dan niet eerder in en laat je het zo ver uit de hand lopen dat je er ziek en soms depressief van wordt? Je hebt toch allerlei mogelijkheden om te proberen je situatie te verbeteren! Het probleem aankaarten bij je baas en/of je collega’s bijvoorbeeld. Misschien heeft je werkgever wel werk dat meer uitdaging en plezier biedt, of is er een collega die werk met je wil ruilen. En als dat allemaal niets oplevert, kun je toch een cursus of opleiding doen, waardoor je meer mogelijkheden krijgt, of in het uiterste geval solliciteren.
Natuurlijk zou dat allemaal kunnen, maar het is de vraag of iedereen in een bore-outsituatie de vrijheid ervaart om zoiets te doen. Sommige barrières kun je je misschien wel voorstellen: anderen zijn afhankelijk van jouw inkomen, waardoor solliciteren een riskante optie is. Je bent te oud om nog aan een nieuwe studie of opleiding te beginnen of je hebt een werkgever die niet openstaat voor jouw vragen en vindt, dat je maar ‘zin moet maken’. Je wordt immers betaald voor je werk.
Ook de mening van het grote publiek helpt vaak niet om je ontevredenheid over je werk(omstandigheden) te durven uiten. Bore-out wordt nog steeds vaak geassocieerd met luiheid, je te goed voor iets voelen en aanstellerij, waardoor er nog steeds een taboe op rust.
Onlangs maakte ik een groepsrondreis met onder andere een voormalige huisarts. Ze was net een jaar met pensioen. Het fenomeen ‘bore-out’ kende ze niet en toen ik erover vertelde, snoof ze: ‘Weer zo’n ziekte waar mensen mee thuis gaan zitten, zeker!’ Ik antwoordde, dat ik schrok van haar reactie, dat mensen met een bore-out inderdaad vaak ziek thuis komen te zitten en dat ik hoopte dat ze dan op meer begrip en empathie van hun huisarts mogen rekenen dan wat doorklonk in haar woorden.
Deze oorzaken zijn voor iedereen waarneembaar. Ze spelen in de bovenstroom van het leven. Maar er is ook een onderstroom. Het onderbewuste dat gevormd wordt in iemands systeem van herkomst, het gezin waarin hij of zij is geboren. Soms ligt de bron al in eerdere generaties, die van de groot- of overgrootouders. Als jong kind krijg je allerhande ouderlijke boodschappen, die verankerd raken in je onderbewuste. Boodschappen die voor jou dan voortaan een leidraad worden voor je leven. Of niet natuurlijk, want er zijn ook rebelse kinderen, die precies het tegenovergestelde doen van wat hun wordt voorgeleefd.
Drie oerwetten van systemisch werk spelen daarbij een rol. Als die overtreden worden, raakt het systeem uit balans en in een onevenwichtig systeem ontvangt een kind niet het goede wat het leven voor hem in petto heeft en kan het zich niet ontwikkelen tot een volwassen persoon die beslissingen neemt op eigen kracht zonder zich gehinderd te voelen door misplaatste loyaliteit aan of afhankelijkheid van iemand uit zijn systeem.
Allereerst is er het uitgangspunt dat iedereen zijn eigen, bij zijn geboorte gegeven plek heeft. Als kind van zijn biologische ouders en in de rij van broertjes en zusjes. Daarbij horen ook doodgeboren kindjes, miskramen en abortussen. Als een kind van zijn plek gaat, doordat het taken overneemt van een ouder, omdat die bijvoorbeeld ziek is, of gaat moederen of vaderen over broertjes en zusjes, omdat de echte ouder niet beschikbaar is, gaat het op de plek van die ouder staan en krijgt daar niet wat hem in het leven toekomt.
Dan is er de balans van geven en ontvangen, de oerkracht die bepaalt dat het niet oké is, als je alleen maar geeft of ontvangt. Dat er een bepaalde wederkerigheid dient te zijn omdat het systeem ook uit balans kan raken, als die ontbreekt. Als je alleen maar geeft, word je behoeftig, maar ook als je alleen ontvangt, ontstaat een probleem. In beide gevallen ontstaat er een scheve relatie, gebaseerd op schuld.
De derde oerkracht betreft het gegeven dat iedereen die tot een systeem hoort, ingesloten moet worden. Mag je er niet bij horen, terwijl jouw geboorteplek daar wel is, dan zorgt ook dat voor disbalans. Als je wordt buitengesloten omdat je bijvoorbeeld een misdaad hebt gepleegd, je partner van je gescheiden is, of als je niet past in het milieu van het systeem.
Elke vorm van onbalans kan ervoor zorgen, dat een kind niet opgroeit tot de zelfstandige, zelfredzame volwassene waar het leven om vraagt, zodat het niet voor zichzelf op durft te komen, niet het gevoel heeft belangrijk te zijn, niet op hulp durft te rekenen, als het zijn probleem bij iemand aankaart, er zelfs niet op durft te vertrouwen dat het er dan nog bij hoort. Ouderlijke boodschappen, verbaal of non-verbaal, impliciet of expliciet geuit, kunnen zodanig verankerd raken in het systeem van een kind, dat het zijn eigen belangen later niet goed behartigt, dat het denkt niet meer of niets anders te verdienen, dat het bang is niet serieus te worden genomen of te worden buitengesloten.
‘Het wordt vanzelf vijf uur,’ zei de vader van iemand die ik sprak, als ze probeerde te vertellen dat haar werk haar met weerzin vervulde. Oftewel, je hebt je werk ‘gewoon’ te doen. Of je het prettig vindt of er voldoening uit haalt, is onbelangrijk. Zo was vader altijd met zijn eigen werk omgegaan en dat vond hij ook van zijn kinderen te mogen verwachten. Kinderen die al jong dat soort boodschappen krijgen, kunnen ook op latere leeftijd de vrijheid missen om op te komen voor zichzelf en hun eigen welbevinden op de eerste plek te plaatsen. Daardoor kunnen ze ook in een bore-outsituatie te lang niet voor zichzelf opkomen en ziek worden.
Marjo Crombach

