Classificeren is iets anders dan diagnosticeren

Malou van Hintum over de DSM-5: wie een classificatie krijgt, hoeft nog geen diagnose te krijgen, en omgekeerd.

Door: Malou van Hintum

Classificeren en diagnosticeren worden vaak door elkaar gehaald, maar zijn niet hetzelfde.

Wat was ik blij toen ik de Nederlandse titel las van de uit het Amerikaans vertaalde DSM-5, het handboek dat de meeste psychiaters en klinisch psychologen in hun spreekkamer hebben staan. Niks ‘diagnostisch’ handboek, maar ‘Handboek voor de classificatie van psychische stoornissen – DSM-5’ (mijn cursivering). Muggenzifterij, denkt u misschien, maar niets is minder waar. Door al in de titel te benadrukken dat in de DSM geen ziekten staan, wordt een hardnekkig misverstand de wereld uit geholpen.

De DSM is de culturele spiegel van wat de westerse wereld, en dan in het bijzonder de Amerikaanse, afwijkend gedrag vindt. Het staat bomvol criteria die, als ze in voldoende mate op jou van toepassing zijn, je een classificatie opleveren: ADHD, autisme, depressie, of een van die andere 300 psychische labels. Maar heb je zo’n classificatie, dan wil dat niet zeggen dat je een psychische stoornis hebt. Daarvoor is een diagnose nodig: de afgewogen en beargumenteerde interpretatie die een bekwame professional geeft aan (1) zijn observaties, (2) de resultaten van somatisch onderzoek, (3) gesprekken met de classificatiedrager zelf en allerlei informanten uit diens omgeving, en (4) de resultaten van verschillende tests en vragenlijsten.

Classificeren gaat om disfunctioneren, lijdenslast en zorgbehoefte

Van een stoornis is pas sprake als mensen hoog scoren op disfunctioneren, lijdenslast en zorgbehoefte. Of ze daarop hoog scoren, hangt onder meer samen met hun IQ, hun copingstijl, hun sociale netwerk en het aanpassingsvermogen van hun omgeving. Psychische stoornissen zijn culturele artefacten. Dat ze een neurobiologisch substraat hebben, doet daar niets aan af. Dat heeft al ons gedrag.

Wat normaal is, is vooral een sociaal-culturele definitie
Wat we normaal vinden, hangt in hoge mate samen met onze culturele oriëntatie. Zo beschreef de arts Samuel Cartwright in 1851 de hardnekkige neiging van slaven om van hun meesters weg te vluchten als drapetomanie. Hij bedacht er ook een adequate medische behandeling voor: zweepslagen. Homoseksualiteit gold lange tijd als een psychische ziekte, en is dat in sommige landen nog. Dat vinden de meeste Nederlanders achterlijk. Voor het ontstaan en benoemen van gestoord gedrag hebben we daarom meer aan een antropoloog of transcultureel psychiater dan aan een neurobioloog. Die ziet wat hij ziet, maar weet niet wat het waard is – die waarde wordt toegekend in de samenleving, niet in het lab.

Hoge maatschappelijke eisen verscherpen normaliteit
De huidige discussies over ‘modeziektes’ als ADHD, autisme en depressie worden vaak op een welles-nietes-manier gevoerd: er zijn wel meer mensen die terecht de diagnose ADHD, autisme of depressie krijgen, of juist niet. Bedenk voordat je hierover een standpunt inneemt, dat beter wetenschappelijk inzicht, een autoritatieve opvoedingsstijl, smalle maatschappelijke marges en een verscherpte definitie van normaliteit eraan bijdragen dat we meer kinderen zien met problemen. Ze worden niet meer afgeranseld, niet in een gesticht gestopt, moeten wel een schoolloopbaan voltooien en zich ook communicatief en sociaal vaardig kunnen gedragen. Onze maatschappij is slecht ingericht op kwetsbare mensen, en dat zal ook niet meer veranderen. De eisen die we elkaar stellen zullen niet lager worden, eerder hoger; wat impliceert dat gedrag dat niet aan die verscherpte normaliteit beantwoord, sneller een ‘stoornis’ kan worden genoemd. Eigenlijk houdt de psychiater de maatschappij een spiegel voor: hoe tolerant wilt u zijn?

Cruciaal is iemands kracht, niet zijn zwakte
Ik zou de term ‘stoornis’ graag willen reserveren voor mensen die aangewezen zijn op professionele ondersteuning omdat zijzelf en hun omgeving niet bij machte zijn om op een adequate manier om te gaan met hun disfunctioneren, lijdenslast en zorgbehoefte. Dat betekent dat iemand met een goede copingstijl, een kwalitatief hoogwaardig sociaal netwerk en een tolerante maatschappelijke omgeving in de regel minder professionele hulp nodig heeft dan iemand die deze drie kwaliteiten ontbeert – zelfs als hij ernstigere symptomen heeft, of meer symptomen. Classificeren is dus niet hetzelfde als diagnosticeren: wie een classificatie krijgt, hoeft nog geen diagnose te krijgen, en omgekeerd. Het wordt tijd dat overheid en zorgverzekeraars zich dat ook realiseren.

Malou van Hintum is auteur van ‘Doe eens normaal. Over zin en onzin van psychiatrische diagnoses’. Dit boek was genomineerd voor de Psyche Mediaprijs 2013. www.malouvanhintum.nl | @malouvh. Malou van Hintum geeft op de zaterdag van de PSC-dagen een lezing over dit onderwerp.

Meer lezen over psychische gezondheid en diagnostiek? Bekijk ook de andere artikelen in het PSC Magazine 2014.

Auteur

Malou van Hintum

Gepubliceerd op

20 augustus, 2026

Thema

PSC Magazine 2014

Deel dit artikel

Gerelateerde artikelen