Rene Benneker is al 25 jaar werkzaam voor verschillende beroepsgroepen in de gezondheidszorg. Ooit is hij begonnen als vaktherapeut. Daarna is hij bestuurskunde gaan doen en sinds 2000 is hij aan het werk als zelfstandige. Vanuit die rol heeft hij zich beziggehouden met het opzetten van verschillende kwaliteitsregistratiesystemen voor beroepsorganisaties die niet in het BIG-register zitten, en met de professionele ontwikkeling van organisaties in de gezondheidszorg.
De laatste tijd word ik regelmatig benaderd door organisaties binnen de alternatieve of complementaire gezondheidszorg om mee te denken over hoe zij om moeten gaan met de huidige tijd en hoe ze hun beroep kunnen ontwikkelen. Het model van de T-shaped professional is hierbij goed bruikbaar om het gesprek aan te gaan. Bijna iedereen die werkt binnen de gezondheidszorg, heeft een heel sterke inhoudelijke basis, of dat nu de reguliere of complementaire gezondheidszorg is. Daarnaast zie je dat het tegenwoordig eigenlijk steeds belangrijker is om een aantal andere competenties te ontwikkelen zoals communicatie- en marketingvaardigheden en samenwerken. Dit is de dwarsbalk van de T. Deze vaardigheden hebben professionals vaak niet geleerd tijdens de opleiding, omdat die vaak meer vakinhoudelijk is. Wanneer je werkzaam bent in de complementaire zorg, is het nog meer van belang dat je deze vaardigheden ontwikkelt omdat er meer van je verwacht wordt. Je bedje is minder gespreid en je zult jezelf en je beroep meer moeten bewijzen. Je zult moeten weten hoe je aan klanten laat zien dat jij er bent.
Doordat de geldstromen in de zorg anders gaan lopen, zie je dat de organisatie en het aanbod van de zorg veranderen. Mensen die psychosociale zorg nodig hebben en dat niet kunnen betalen, moeten via andere kanalen aan hulp zien te komen. Hulpverleners die deze hulp willen bieden, zullen deze dus ook op een andere manier moeten aanbieden. Veel psychosociale hulpverleners hebben een eigen praktijk en hebben voor een specifieke doelgroep gekozen. De grote partijen die verantwoordelijk zijn voor het regelen van gefinancierde zorg, zijn vooral de gemeenten en wellicht nog wat zorgkantoren. Voor die grote partijen is het knap lastig zaken te doen met al die verschillende kleine partijen.
Je ziet dat er eigenlijk een soort tweesprong ontstaat. Of je richt je als hulpverlener op de cliënt die zijn hulp zelf kan betalen en dit ook wil betalen. Dan besteed je veel aandacht aan marketing en positionering en dan weet je dat cliënten ook echt voor jou gekozen hebben en gemotiveerd zijn. Of je richt je op de grote doelgroep van mensen die de zorg niet kunnen betalen. Wanneer je je als hulpverlener op deze groep wilt richten, zit je met het probleem dat het moeilijk zaken doen is voor gemeenten met individuele zorgverleners. Voor de grote zorginkopers is het ook van belang dat werkwijzen evidence based zijn. Grote organisaties werken meer met protocollen met het risico dat je hier buiten valt als individu. De complementaire zorg werkt niet met protocollen, maar heeft een holistische werkwijze om het probleem op te lossen. En dat is volgens mij een interessante propositie.
Deze kant van de tweesprong leidt naar het T-shaped model, naar samenwerken en naar het oprichten van netwerken. Samenwerken levert veel voordelen op. Je bundelt je krachten en kennis. Als de ene hulpverlener een cliënt niet kan helpen, stuurt hij hem door naar de andere, of samen werken ze aan een deel van zijn hulpvraag. Met elkaar werk je integraal aan antwoorden op de vraag die wordt gesteld. Dat zie ik als een kans. Op andere gebieden zie je deze samenwerking al tot stand komen, bijvoorbeeld bij de geboortezorg. Verzekeraars willen een integrale aanpak voor iemand die zwanger is. Zij willen dat partijen gaan samenwerken zodat er van het begin tot het einde gezorgd wordt voor moeder en kind. Je ziet dat er gestimuleerd wordt om op regioniveau samen te gaan werken. Je ziet ook dat de financieringsvormen gericht zijn op het oplossen van het totale probleem. Alle verloskundigen moeten gaan samenwerken met de ziekenhuizen en daar bestaat nog geen ongedeeld enthousiasme over. Je ziet dat er verloskundigen zijn die daar heel ondernemend op reageren en de samenwerking op zoeken. Anderen beschermen vanuit een angstreactie hun eigen domein. Dat is wat je in de gezondheidszorg wel vaker ziet, die domeinbewaking. Deze houdt de samenwerking tegen. Toch zie je in de geboortezorg al vruchtbare samenwerkingsverbanden ontstaan. Dat komt ook omdat er vanuit de overheid en de zorgverzekeraars flink wordt gestimuleerd en gestuurd op samenwerking. Voor hen bestaat bijvoorbeeld het landelijk College Perinatale Zorg dat wordt ondersteund door de minister. Samenwerking wordt centraal aangestuurd en gestimuleerd.
Voor de complementaire gezondheidszorg is het tot nu toe moeilijk verbintenis aan te gaan met de reguliere zorg. Daarom zul je als complementaire beroepsgroep veel meer samen op moeten trekken om een positie in te kunnen nemen. Opvallend is het onlangs uitgekomen signalement van ZonMw: Ontwikkeling en implementatie van evidence-based complementaire zorg waarin wordt geadviseerd een infrastructuur op te zetten waar onderzoek, praktijk en beleid elkaar weten te vinden en controle plaatsvindt op complementair zorggebruik ten behoeve van een andere invulling van zorg. Ik hoop dat dit signalement ertoe zal leiden dat er ergens een keer een specialist in het ziekenhuis opstaat die samenwerking wil opzoeken met de complementaire hulpverlening. Die samenwerking kan veel voor een patiënt of cliënt betekenen.
Ik moet hierbij denken aan mijn buurman die artrose had. De reumatoloog gaf hem op den duur toe dat hij niets meer kon betekenen voor mijn buurman. Omdat hij veel pijn had, is hij op zoek gegaan naar therapievormen die hem hierbij konden helpen. Hij heeft van alles geprobeerd en uiteindelijk ook iets gevonden. Maar het zou zoveel fijner zijn geweest, als de reumatoloog zelf een samenwerking had gehad met andere richtingen, die misschien niet helemaal evidence based zijn, maar die wel kunnen werken. Dat was sneller geweest en had veel geld kunnen sparen. Nu heeft mijn buurman eerst van alles geprobeerd tot hij iets vond dat hem hielp.
Ik zou psychosociale hulpverleners dan ook willen aanraden om te kijken in de regio waar in de reguliere gezondheidszorg mensen zitten, die willen samenwerken om met het signalement van ZonMw onder de arm te gaan praten over samenwerken. Dat is volgens mij de manier om psychosociale hulp voor zoveel mogelijk mensen bereikbaar te maken. Hierbij is het belangrijk te weten welke taal er wordt gesproken, zodat je elkaar begrijpt. Het lijkt me een daarbij een belangrijke en mooie uitdaging voor psychosociale hulpverleners om samen heel goed kwaliteit te definiëren om zo het kaf van het koren te scheiden.
Andere trends
Ik denk dat er twee trends zijn waar de psychosociale beroepsgroep rekening mee kan houden. Dat is de tweedeling in de samenleving. Er is een kleine groep die het goed voor elkaar heeft, die geld heeft en dingen voor zichzelf kan regelen en een grotere groep die het minder goed voor elkaar heeft. Die tweedeling wordt steeds duidelijker.
Daarnaast is er een trend rond het communiceren via het internet en digitale middelen. Er zullen steeds meer mensen komen die vanachter hun computer hulpverlening zoeken. Ik stel mezelf zo voor dat er psychosociaal contact kan plaats vinden via bijvoorbeeld Skype, individueel of in groepsverband. Het lijkt me dat dit een laagdrempelige manier van zorg is. Daar zou je je op kunnen gaan richten. Zeker als je kijkt naar de tweedeling waar we het net over hadden. Internet zou een laagdrempelige manier kunnen zijn om contact te leggen met de groep die minder te besteden heeft. Daarbij is het goed te bedenken dat de jonge generatie deze manier van communiceren al eigen is. De generatie van 45 plus zal zich dit vaak nog eigen moeten maken. Vaak is het deze generatie die hulp aanbiedt. De jongere generaties hebben een andere gedachte over privacy, zoeken naar hulp en oordelen. De jongere generatie gaat vaak niet meer naar de huisarts om te vragen wat er met hem of haar moet gebeuren. Ze gaan zelf op zoek en zoeken daarbij ook naar sociale aansluiting in de vorm van fora bijvoorbeeld. Ik denk dat dit een belangrijke trend is. Ik vraag me af of wij, de oudere generatie, wel in de gaten hebben hoe belangrijk deze trend is en ik vraag mij af of wij dit eigenlijk überhaupt gaan begrijpen. En de veranderingen gaan zo snel. De mensen blijven misschien wel hetzelfde, maar de middelen om met elkaar in verbinding te treden veranderen razendsnel.
De toekomst van de zorg
Wie in de zorg werkt, doet er goed aan om breed inzetbaar te blijven en open te staan voor nieuwe ontwikkelingen. Meer lezen over de zorgsector? Bekijk ook de andere artikelen op Curova, of verdiep je verder via Wikipedia.

