Inhoudsopgave
Lagere zorgkosten als bijeffect is een onderwerp dat steeds meer aandacht krijgt binnen de gezondheidszorg en preventieve leefstijlgeneeskunde.
De Nederlandse gezondheidszorg behoort tot de beste ter wereld, maar tegelijkertijd ook tot de duurste. Al jaren zoeken beleidsmakers, zorgverzekeraars en zorgverleners naar manieren om de kwaliteit van zorg op peil te houden zonder dat de kosten onbeheersbaar stijgen. De discussie gaat vaak over digitalisering, concentratie van gespecialiseerde zorg en het terugdringen van administratieve lasten. Juist die vraag stond centraal in twee opvallende Nederlandse onderzoeken van econoom Peter Kooreman en onderzoeker Erik Baars.
In deze studies werden grote verzekeringsbestanden geanalyseerd om te onderzoeken of patiënten van huisartsen met aanvullende scholing in complementaire geneeskunde andere zorgkosten hadden dan patiënten van reguliere huisartsen. De resultaten bleken verrassend. In beide onderzoeken werden lagere zorgkosten gevonden bij patiënten van deze huisartsen, met name op het gebied van ziekenhuiszorg en geneesmiddelengebruik.
De uitkomsten hebben in de jaren na publicatie regelmatig discussies opgeroepen. Zijn deze verschillen het gevolg van een andere manier van werken? Komen ze voort uit verschillen tussen patiëntengroepen?
Of zeggen ze vooral iets over de organisatie van zorg binnen de eerste lijn? Hoewel de studies geen definitieve antwoorden geven, bieden zij wel een interessant perspectief op de relatie tussen zorggebruik, behandelstijl en kosten.
De opmerkelijke uitkomst van twee Nederlandse onderzoeken
000 verzekerden. Daarbij werden patiënten van reguliere huisartsen vergeleken met patiënten van huisartsen die aanvullend waren opgeleid in onder meer acupunctuur, homeopathie of antroposofische geneeskunde. De onderzoekers constateerden dat de zorgkosten van deze patiënten gemiddeld lager lagen. Afhankelijk van leeftijdsgroep en type aanvullende scholing varieerden de verschillen aanzienlijk. Vooral de uitgaven aan ziekenhuiszorg en geneesmiddelen vielen lager uit.
Omdat één onderzoek zelden voldoende is om stevige conclusies te trekken, werd enkele jaren later een veel grotere vervolgstudie uitgevoerd. Daarbij maakten de onderzoekers gebruik van gegevens van ruim 1,5 miljoen verzekerden over een periode van zes jaar. Ook in deze analyse bleven de lagere zorgkosten zichtbaar.
Wederom bleek een aanzienlijk deel van het verschil samen te hangen met minder ziekenhuiszorg en lagere farmaceutische kosten. Anders dan in de eerdere studie konden echter geen overtuigende verschillen in sterfte worden vastgesteld.
Het feit dat beide onderzoeken in dezelfde richting wezen, maakte de bevindingen relevant. Niet omdat daarmee een oorzakelijk verband was bewezen, maar omdat de resultaten voldoende consistent waren om verdere aandacht te rechtvaardigen.
Huisartsen met aanvullende scholing binnen dezelfde eerstelijnszorg
Een veelvoorkomende misvatting is dat deze onderzoeken reguliere geneeskunde vergeleken met alternatieve zorg buiten het medische systeem. Dat was nadrukkelijk niet het geval. De onderzochte artsen waren allemaal regulier opgeleide huisartsen die werkzaam waren binnen dezelfde Nederlandse gezondheidszorgstructuur. Het verschil lag in hun aanvullende opleiding. Sommige artsen hadden zich verdiept in acupunctuur, anderen in homeopathie of antroposofische geneeskunde.
Dat maakt de bevindingen juist interessant. Wanneer kostenverschillen ontstaan binnen een verder grotendeels vergelijkbare omgeving, ontstaat de vraag welke factoren daarvoor verantwoordelijk kunnen zijn.
Minder ziekenhuiszorg, minder medicatie
De meest consistente uitkomst van beide onderzoeken heeft betrekking op ziekenhuisopnames en geneesmiddelengebruik. In de grotere studie uit 2014 bleek dat patiënten van CAM-geschoolde huisartsen gemiddeld lagere ziekenhuiskosten hadden. Ook in de eerdere studie waren deze patronen zichtbaar. De verschillen in totale zorgkosten werden grotendeels verklaard door minder ziekenhuiszorg en minder uitgaven aan medicatie. Deze bevinding betekent niet automatisch dat patiënten minder ziek waren. Zij zegt evenmin dat minder medicatie per definitie beter is.
Binnen de gezondheidseconomie is dat een relevant gegeven. Ziekenhuiszorg behoort immers tot de duurste onderdelen van het zorgsysteem. Relatief kleine verschillen in verwijzingen of opnames kunnen daardoor grote financiële gevolgen hebben.
De betekenis van consultvoering en behandelstijl
Een van de meest besproken verklaringen voor de gevonden verschillen ligt in de manier waarop artsen met patiënten omgaan. In diverse onderzoeken waarnaar de auteurs verwijzen, geven patiënten van complementair geschoolde artsen aan dat zij zich vaker gehoord voelen, meer tijd ervaren tijdens consulten en sterker betrokken worden bij besluiten over hun behandeling. Dergelijke factoren laten zich moeilijk vertalen naar harde economische modellen, maar kunnen wel degelijk invloed hebben op zorggebruik. Tegelijkertijd zou het te eenvoudig zijn om alle kostenverschillen uitsluitend toe te schrijven aan communicatie.
De studies bevatten geen gegevens die zo’n conclusie rechtvaardigen. Zij laten wel zien dat de arts-patiëntrelatie een factor is die nadere aandacht verdient.
Selectie-effect of daadwerkelijk verschil?
Ook Kooreman en Baars besteden hier uitgebreid aandacht aan. Zij wijzen erop dat mensen die bewust kiezen voor een huisarts met aanvullende scholing mogelijk andere kenmerken hebben dan mensen die dat niet doen. Misschien letten zij meer op voeding, bewegen zij vaker of hebben zij een andere houding tegenover medische interventies. De onderzoekers probeerden rekening te houden met diverse verstorende factoren, waaronder leeftijd, geslacht en postcodegebieden. Toch erkennen zij dat niet alle mogelijke verschillen tussen patiëntengroepen volledig kunnen worden uitgesloten. Juist deze wetenschappelijke terughoudendheid maakt de onderzoeken geloofwaardig.
De auteurs presenteren hun resultaten niet als definitief bewijs, maar als bevindingen die aanleiding geven tot verdere studie.
Passende zorg in een tijd van stijgende uitgaven
De actuele betekenis van deze onderzoeken is misschien groter dan toen zij werden gepubliceerd. In de afgelopen jaren heeft het begrip passende zorg een centrale plaats gekregen binnen het Nederlandse zorgbeleid. Opvallend genoeg sluiten verschillende verklaringen die de onderzoekers noemen aan bij deze visie.
Dat betekent niet dat complementaire geneeskunde automatisch gelijkstaat aan passende zorg. Wel suggereert het dat bepaalde principes die binnen deze benaderingen worden benadrukt mogelijk aansluiten bij bredere ontwikkelingen in de gezondheidszorg.
De betekenis voor het Nederlandse zorgdebat
De discussie over complementaire geneeskunde wordt vaak gevoerd in tegenstellingen. Voorstanders benadrukken een mensgerichte aanpak, terwijl critici wijzen op het wisselende niveau van wetenschappelijk bewijs voor specifieke behandelmethoden.
De onderzoeken van Kooreman en Baars leggen echter een andere vraag op tafel. Niet zozeer of complementaire geneeskunde gelijk of ongelijk heeft, maar welke elementen van bepaalde behandelstijlen mogelijk bijdragen aan doelmatig zorggebruik.
Dat maakt de discussie relevanter dan een debat over afzonderlijke therapieën. Wanneer bepaalde kenmerken van consultvoering, preventie of patiëntparticipatie samenhangen met lagere kosten zonder aantoonbaar slechtere gezondheidsuitkomsten, kan dat ook voor reguliere zorgmodellen waardevolle inzichten opleveren.
Ruimte voor verdere onderbouwing
Beide onderzoeken eindigen met een oproep tot vervolgonderzoek. De auteurs pleiten voor studies waarin niet alleen kosten en sterfte worden onderzocht, maar ook kwaliteit van leven, ziekteverzuim, patiëntgerapporteerde uitkomsten en objectieve gezondheidsmaten. Dat lijkt een logische conclusie. De studies hebben interessante patronen zichtbaar gemaakt, maar beantwoorden niet alle vragen. Voor een zorgstelsel dat voortdurend zoekt naar manieren om kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid met elkaar te verbinden, vormt dat een relevante observatie.
Misschien ligt de grootste waarde van deze onderzoeken uiteindelijk niet in een oordeel over complementaire geneeskunde, maar in de uitnodiging om opnieuw na te denken over de factoren die gezondheidszorg effectief, mensgericht en betaalbaar maken.
Bronnen
Kooreman, P., & Baars, E. W. (2012). Patients whose GP knows complementary medicine tend to have lower costs and live longer. European Journal of Health Economics, 13, 769-776.
Baars, E. W., & Kooreman, P. (2014). A 6-year comparative economic evaluation of healthcare costs and mortality rates of Dutch patients from conventional and CAM GPs. BMJ Open, 4, e005332.
Herman, P. M., Poindexter, B. L., Witt, C. M., et al. (2012). Are complementary therapies and integrative care cost-effective? A systematic review of economic evaluations. BMJ Open, 2, e001046.
Lagere zorgkosten als bijeffect in het kort
Lagere zorgkosten als bijeffect blijft een onderwerp waar wetenschap en praktijkervaring niet altijd naadloos op elkaar aansluiten. Meer weten over de wetenschappelijke stand van zaken? Bekijk de achtergrondinformatie van het Amerikaanse National Center for Complementary and Integrative Health (NCCIH). Benieuwd naar een verwant onderwerp? Lees ook ons artikel ‘Geef jezelf een podium en anderen een ervaring’.
Lagere zorgkosten als bijeffect op de lange termijn
Onderzoek laat zien dat lagere zorgkosten als bijeffect vaak optreden wanneer mensen structureel gezonder gaan leven. Deze lagere zorgkosten als bijeffect ontstaan niet vanzelf, maar zijn het resultaat van minder huisartsbezoeken en minder medicijngebruik.
Voor zorgverzekeraars en werkgevers zijn lagere zorgkosten als bijeffect een aantrekkelijk neveneffect van preventiebeleid.
Kortom, lagere zorgkosten als bijeffect zijn een waardevolle extra reden om te investeren in preventie en een gezonde levensstijl.
Ook op de lange termijn blijven lagere zorgkosten als bijeffect merkbaar, doordat chronische klachten minder vaak escaleren.


