Inhoudsopgave
Complementaire therapeuten krijgen in ziekenhuizen als Isala in Zwolle een steeds grotere rol, vertelde een oncologieverpleegkundige daar onlangs: patiënten die net te horen hebben gekregen dat ze kanker hebben, zoeken diezelfde avond nog online naar aanvullende behandelingen. Voedingssupplementen, acupunctuur, mindfulness, een kruidenmengsel dat een kennis aanraadde. Ze doen dat vaak zonder het aan hun oncoloog te vertellen, uit angst voor een afkeurende blik of het gevoel dat het “niet serieus” wordt genomen. Onderzoek laat zien dat zestig tot zeventig procent van de oncologische patiënten op eigen houtje naar aanvullende zorg zoekt. Een deel van hen komt daarbij terecht in wat artsen het “alternatieve circuit” noemen, waar onzinnige of zelfs schadelijke therapieën worden aangeraden zonder dat er iemand meekijkt.
Dat is precies het probleem dat integratieve poliklinieken in ziekenhuizen als Isala, HagaZiekenhuis, Rijnstate en Máxima Medisch Centrum proberen op te lossen. Ze bieden patiënten een plek waar een arts of gespecialiseerd verpleegkundige samen met hen kijkt welke aanvullende zorg wél zinvol is, en welke beter vermeden kan worden. Geen vervanging van de reguliere behandeling, wel een aanvulling erop, voor de vermoeidheid, pijn en mentale belasting waar de kankerbehandeling zelf vaak weinig oplossing voor biedt.
Dat een aantal ziekenhuizen dit al doet, is een teken dat de vraag naar complementaire zorg niet meer weg te denken is uit de gezondheidszorg. De vraag is niet óf mensen ernaar op zoek gaan. Dat doen ze toch al. De vraag is of ze dat doen mét of zonder begeleiding van iemand die er verstand van heeft, en of die begeleiding onderdeel is van hun behandeltraject of iets waar ze zelf, buiten het zicht van hun arts, naar op zoek moeten.
Een gat dat de reguliere zorg zelf laat liggen
Huisartsen en specialisten zijn opgeleid om ziekte te behandelen, en dat doen ze doorgaans goed. Maar de tijd die zij per patiënt hebben is beperkt, en veel van wat mensen dwarszit past niet netjes in een diagnosecode. Aanhoudende vermoeidheid na een zware periode. Slaapproblemen die niet met medicatie opgelost willen worden. Chronische pijn waarbij scans niets afwijkends laten zien. Spanningsklachten die het gevolg zijn van een opeenstapeling van dingen, niet van één aanwijsbare oorzaak.
Voor dat soort klachten kunnen complementaire therapeuten, denk aan een haptotherapeut, een orthomoleculair therapeut of iemand die met ademhalingstherapie werkt, vaak meer tijd en aandacht bieden dan een huisartsenpraktijk met de huidige werkdruk kan opbrengen. Niet omdat complementaire zorg per definitie beter is, maar omdat het een ander soort aandacht biedt: meer tijd per consult, een bredere blik op leefstijl en context, en een behandelrelatie die niet is ingeklemd tussen een wachtkamer vol andere patiënten.
Dat is ook precies waarom zorgverzekeraars complementaire zorg via de aanvullende verzekering vergoeden, ook al valt het niet onder de basisverzekering. Vijfendertig verschillende therapievormen, van acupunctuur tot shiatsu, komen in aanmerking voor een vergoeding, meestal tot een jaarlijks maximum tussen de honderd en duizend euro. Verzekeraars zouden dat niet doen als er geen patiëntvraag naar was. Het probleem is dat die vergoeding op dit moment vrijwel altijd losstaat van het reguliere behandeltraject. De huisarts weet vaak niet dat zijn patiënt drie keer per maand naar een kinesioloog gaat, en de kinesioloog krijgt zelden te zien wat er in het medisch dossier staat. Twee zorgcircuits naast elkaar, die elkaar nauwelijks spreken.
Dat gebrek aan afstemming is niet alleen jammer, het kan ook onveilig zijn. Sint-janskruid, een kruid dat veel wordt gebruikt bij lichte somberheid, versnelt de afbraak van tientallen geneesmiddelen, van de anticonceptiepil tot bepaalde bloedverdunners en medicatie tegen hartritmestoornissen. Een orthomoleculair therapeut die hoge doses vitamine K aanraadt bij iemand die tegelijk bloedverdunners van de huisarts krijgt, kan zonder het te weten die medicatie juist tegenwerken. Dat zijn geen hypothetische risico’s, het zijn precies het soort dingen dat wél voorkomen kan worden als een therapeut weet welke medicatie een patiënt gebruikt, en een huisarts weet welke supplementen of kruiden er naast de voorgeschreven medicijnen worden ingenomen. Op dit moment hangt die kennis vaak af van hoeveel de patiënt toevallig zelf deelt, in plaats van een structurele check aan beide kanten.
Een plek in de reguliere zorg, concreet ingevuld
Een plek in de reguliere zorg voor complementaire therapeuten hoeft niet te betekenen dat elke therapeut morgen een praktijk in het ziekenhuis krijgt. Het betekent vooral dat de twee circuits gaan communiceren in plaats van elkaar te negeren.
Denk aan een vaste verwijsroute, zoals de integratieve poliklinieken in de oncologie al laten zien: een arts die twijfelt of een bepaalde aanvullende therapie zinvol is voor een patiënt, kan doorverwijzen naar een therapeut die aan erkende kwaliteitseisen voldoet, in plaats van de patiënt op eigen houtje te laten zoeken. Denk aan een simpele afspraak dat complementair therapeuten relevante bevindingen terugkoppelen aan de huisarts, zoals fysiotherapeuten en psychologen dat nu ook al doen. En denk aan scholing: huisartsen in opleiding leren op dit moment nauwelijks iets over wat complementaire zorg wel en niet kan, waardoor ze hun patiënten er ook niet goed over kunnen adviseren.
Niets hiervan vraagt om complementaire zorg gelijk te stellen aan reguliere zorg, of om het uit de aanvullende verzekering te halen en in het basispakket te stoppen. Het vraagt om erkenning dat een deel van de zorgvraag van patiënten nu eenmaal buiten het spreekuur van tien minuten valt, en dat die vraag beter binnen zicht van de reguliere zorg kan worden opgevangen dan erbuiten.
De voorwaarde voor complementaire therapeuten die vaak wordt overgeslagen: dezelfde eisen als de rest van de zorg
Hier wringt iets, en het is het punt waar voorstanders van complementaire zorg soms te makkelijk overheen stappen. Een plek aan tafel vragen zonder je aan dezelfde regels te houden als de rest van de zorg, is geen serieus voorstel. Wie meepraat over samenwerking met huisartsen en ziekenhuizen, moet ook meedoen aan de kwaliteitseisen die daarbij horen.
Voor een deel bestaat dat systeem al, en dat wordt weleens vergeten in het debat. De NAP-Koepel en de NFG (Nederlandse Federatie Gezondheidszorg) stellen eisen aan therapeuten die zich willen laten registreren: een opleiding op hbo-niveau of post-hbo-niveau, jaarlijkse bij- en nascholing, een geldige verklaring omtrent het gedrag, een aansluiting bij een beroepsvereniging die specifieke kwaliteitseisen voor het vakgebied bewaakt, en een klachtenregeling. De NFG werkt met een ISO 9001-certificering en wordt jaarlijks extern geaudit. Duizenden therapeuten staan inmiddels bij zulke organisaties geregistreerd.
Zorgverzekeraars gebruiken dit soort registers al als voorwaarde voor vergoeding. Een therapeut die niet is aangesloten bij een erkende beroeps- of koepelorganisatie, komt simpelweg niet in aanmerking voor vergoeding vanuit de aanvullende verzekering. Sinds de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) uit 2016 geldt bovendien voor alle zorgverleners, regulier én complementair, dat ze aangesloten moeten zijn bij een erkende geschilleninstantie zoals SCAG, met een onafhankelijke klachtenprocedure voor patiënten die daar behoefte aan hebben.
Met andere woorden: het idee dat complementaire zorg een ongereguleerd wilde westen is waarbij iedereen zomaar een bordje op de deur kan hangen, klopt in de praktijk allang niet meer voor wie serieus in dit vakgebied werkt. Wat ontbreekt, is niet zozeer de regelgeving zelf, maar de brug tussen die regelgeving en de reguliere zorg. Een registratie bij de NAP-Koepel of de NFG zegt een huisarts op dit moment weinig, simpelweg omdat er geen gewoonte is om ernaar te kijken.
Als complementaire therapeuten serieus meepraten over een plek binnen de reguliere zorg, dan hoort daar wel iets bij: transparantie over wat er wel en niet met onderzoek onderbouwd is. Yoga bij hoge bloeddruk heeft inmiddels een stevige onderzoeksbasis, met tientallen studies die een meetbaar effect laten zien. Acupunctuur bij bepaalde vormen van chronische pijn ook, al blijft de omvang van het effect onderwerp van discussie onder onderzoekers. Voor sommige andere behandelvormen bestaat die onderbouwing veel minder, of is die er niet. Een therapeut die zijn vak serieus neemt, is daar eerlijk over tegenover de patiënt, in plaats van elke behandeling als bewezen effectief te verkopen.
Critici van complementaire zorg, zoals de Vereniging tegen de Kwakzalverij, waarschuwen niet voor niets dat het risico bestaat dat complementaire zorg als “paard van Troje” ongefundeerde behandelingen binnensmokkelt onder het mom van erkenning. Dat is een terechte zorg, en het antwoord erop is niet om die kritiek weg te wuiven, maar om de kwaliteitseisen zo in te richten dat precies dát wordt voorkomen: onderscheid maken tussen therapievormen met een redelijke onderzoeksbasis en therapievormen die dat missen, in plaats van de hele complementaire sector over één kam te scheren, in welke richting dan ook.
Van beleidsnota naar praktijk
Een paar dingen moeten er gebeuren voordat “samenwerking” meer wordt dan een woord op een beleidsnota.
Om te beginnen is er een gedeeld kwaliteitskader nodig dat huisartsen en ziekenhuizen daadwerkelijk kennen en gebruiken. De NAP-Koepel, de NFG, SCAG en de aangesloten beroepsverenigingen bestaan al, maar zolang een huisarts niet weet wat die registraties betekenen, blijft het papier zonder gewicht in de spreekkamer. Voorlichting richting de reguliere zorg, niet alleen richting patiënten, is daarvoor nodig.
Er zijn ook duidelijke afspraken over informatie-uitwisseling nodig. Een patiënt die bij een orthomoleculair therapeut onder behandeling is voor vermoeidheidsklachten, en tegelijk bloedonderzoek laat doen bij de huisarts, is erbij gebaat dat beide zorgverleners van elkaars bevindingen weten. Dat vraagt niet om één gedeeld dossier, dat is met de huidige privacywetgeving en systemen niet realistisch op korte termijn, maar wel om een cultuur waarin patiënten worden aangemoedigd om open te zijn over wat ze naast hun reguliere behandeling nog meer doen, en waarin dat serieus wordt genomen in plaats van weggewuifd.
En er is meer onderzoek nodig naar wat wél en niet werkt, uitgevoerd op een manier die door de reguliere wetenschap als valide wordt erkend. Complementaire zorg heeft een geschiedenis van claims die niet altijd hard gemaakt konden worden, en dat wantrouwen wordt niet weggenomen door erover te klagen. Het wordt weggenomen door de effecten te laten zien in onderzoek dat aan dezelfde methodologische eisen voldoet als ander medisch onderzoek. Voor therapievormen als yoga, mindfulness en bepaalde vormen van massagetherapie is die onderbouwing er inmiddels voor een deel al. Voor andere vormen is er nog een weg te gaan, en dat mag gezegd worden zonder dat het als verraad aan het vak wordt gezien. Complementaire therapeuten die daaraan meewerken, versterken juist hun eigen positie in dat gesprek.
Geen vrijbrief, wel een uitgestoken hand
De kern van dit alles is niet dat complementaire zorg per se “beter” is dan reguliere zorg, of dat huisartsen en specialisten het bij het verkeerde eind hebben. De kern is dat een aanzienlijk deel van de bevolking, ziekenhuis-oncologie liet dat met cijfers zien, sowieso naar aanvullende behandelingen zoekt. Die zoektocht kan begeleid gebeuren, binnen zicht van de reguliere zorg en onder kwaliteitseisen die er al grotendeels zijn, of ongeleid, in een circuit waar niemand meekijkt of het klopt wat er wordt beweerd.
Complementaire therapeuten die vragen om serieus genomen te worden binnen de reguliere zorg, vragen tegelijk om zich te houden aan wat daar hoort: opleiding op niveau, aantoonbare bij- en nascholing, een onafhankelijke klachtenregeling, en eerlijkheid over wat onderzocht is en wat niet. Dat is geen oneerlijke eis. Het is precies de eis die de reguliere zorg ook aan zichzelf stelt. Een plek aan tafel verdien je niet door erom te vragen, maar door te laten zien dat je aan dezelfde tafelmanieren houdt als de rest.

