Inhoudsopgave
Nog een jong onderzoeksveld

Onderzoek naar Somatic Experiencing groeit gestaag, al is het nog geen uitgebreid onderzoeksveld zoals bij oudere behandelmethoden. Onderzoek naar Somatic Experiencing wordt de laatste jaren serieuzer opgepakt door universiteiten in verschillende landen.
Somatic Experiencing bestaat sinds de jaren tachtig, maar grootschalig wetenschappelijk onderzoek ernaar is relatief nieuw. Dat betekent niet dat er niets bekend is: er zijn wel degelijk gecontroleerde studies gedaan, maar wel dat het bewijs minder omvangrijk is dan bij bijvoorbeeld cognitieve gedragstherapie of EMDR, methodes die al decennia in honderden trials zijn onderzocht. Onderzoekers die het veld overzien, zijn het inmiddels wel over één ding eens: de eerste resultaten zijn voorzichtig positief, maar er is behoefte aan meer grootschalige, goed gecontroleerde studies voordat harde uitspraken mogelijk zijn. Dat is precies waarom het eerlijk is om SE te zien als veelbelovend, niet als wetenschappelijk bewezen op het niveau van de gevestigde traumatherapieën.
Bevindingen uit een overzichtsstudie
Een scoping review uit 2021 van onderzoeker Kuhfuß en collega’s bracht de complete onderzoeksliteratuur tot dan toe in kaart: 83 artikelen werden gescreend, waarvan er 16 aan de kwaliteitseisen voldeden om mee te nemen. De conclusie was voorzichtig positief: er is ‘preliminair bewijs voor positieve effecten van SE op PTSS-gerelateerde klachten’. Tegelijk was de onderzoeksgroep eerlijk over de beperkingen: de algehele kwaliteit van de bestudeerde onderzoeken was wisselend, met kleine steekproeven en niet altijd de sterkste onderzoeksopzet. De auteurs riepen dan ook nadrukkelijk op tot meer en beter uitgevoerd gerandomiseerd onderzoek, het soort studie dat het meest overtuigend bewijs oplevert.
De volledige scoping review van Kuhfuß en collega’s is openbaar te raadplegen en geeft een goed overzicht van de stand van het onderzoek naar Somatic Experiencing tot 2021. Opvallend is dat de onderzoekers ook keken naar wat cliënten en behandelaars zelf als werkzame elementen ervaren, zoals de nadruk op eigen hulpbronnen en het gebruik van aanraking tijdens sessies. Dat sluit aan bij wat therapeuten in de praktijk vaak al vermoedden.
Minder klachten na vijftien sessies
Een van de studies die overtuigt, is die van Brom en collega’s uit 2017: 63 deelnemers met PTSS werden willekeurig verdeeld over een groep die 15 SE-sessies kreeg en een wachtlijstgroep die (nog) geen behandeling kreeg. Bij de groep die daadwerkelijk behandeld werd, zagen de onderzoekers een significante afname van zowel PTSS-klachten als depressieve klachten, terwijl de wachtlijstgroep nauwelijks verandering liet zien. Zo’n opzet, met een controlegroep die niets krijgt, is belangrijk omdat het uitsluit dat verbetering vanzelf zou zijn opgetreden. Al blijft de kanttekening dat een wachtlijst geen actieve andere behandeling is, waardoor niet gezegd kan worden dat SE beter werkt dan bijvoorbeeld gesprekstherapie.
Wat deze studie van Brom en collega’s extra waarde geeft, is de directe vergelijking met een groep die niets kreeg. Onderzoek naar Somatic Experiencing heeft dat soort gecontroleerde opzetten hard nodig, juist omdat trauma vaak vanzelf iets verbetert of verergert, wat resultaten zonder controlegroep lastig te interpreteren maakt.
Ook bij chronische pijn een verschil
Een ander interessant onderzoek, van Andersen en collega’s uit 2017, keek naar 91 patiënten met chronische lage rugpijn die ook PTSS-klachten hadden, een combinatie die je in de praktijk vaak ziet, omdat langdurige pijn en trauma elkaar kunnen versterken. Bij de groep die SE kreeg, zagen de onderzoekers na een jaar follow-up betere uitkomsten op het gebied van PTSS-klachten, angst voor bewegen en algeheel functioneren, vergeleken met de controlegroep. Dit onderzoek is met name interessant omdat het laat zien dat SE niet alleen bij ‘zuivere’ PTSS iets kan betekenen, maar mogelijk ook bij de complexe combinatie van lichamelijke klachten en psychisch trauma die in de praktijk zo vaak samen voorkomt.
Deze combinatie van lichamelijke en psychische klachten komt in de praktijk vaker voor dan vaak wordt gedacht. Onderzoek naar Somatic Experiencing bij deze specifieke groep patiënten blijft echter schaars, waardoor voorzichtigheid bij het trekken van algemene conclusies op zijn plaats blijft. Toch geeft het een aanwijzing dat de aanpak breder inzetbaar kan zijn dan alleen bij op zichzelf staande traumaklachten.
Een eerlijke blik op de beperkingen

Bij elkaar genomen is het beeld hoopvol, maar niet onomstreden. De meeste studies zijn relatief klein, gebruiken uiteenlopende meetinstrumenten, en zijn vaak uitgevoerd door onderzoekers die ook bij de ontwikkeling van de methode betrokken zijn, iets wat in elk onderzoeksveld tot voorzichtigheid maant. Grote, onafhankelijke trials waarin SE rechtstreeks wordt vergeleken met bewezen effectieve behandelingen zoals traumagerichte cognitieve gedragstherapie ontbreken nog grotendeels. Voor wie een therapievorm zoekt, is dat waardevolle informatie: SE kan een goede aanvulling of alternatief zijn, zeker als praten alleen niet voldoende blijkt te werken, maar het is verstandig om dat af te wegen tegen behandelingen met een dikker wetenschappelijk dossier, en in gesprek te gaan met een behandelaar over wat het beste bij jouw situatie past.
Meer lezen over lichaamsgerichte behandelmethoden in het algemeen? Bekijk de thema-pagina lichaamsgerichte-psychotherapie voor een breder overzicht. Onderzoek naar Somatic Experiencing zal de komende jaren naar verwachting verder toenemen, naarmate meer onderzoeksgroepen zich op de methode richten.
Voor nu blijft de conclusie genuanceerd: veelbelovend, met een groeiende hoeveelheid bewijs, maar nog niet zo stevig onderbouwd als de gevestigde behandelmethoden voor trauma.

