Critici gebruiken studie als handvat om aan te tonen dat het gebruik van vitamines onzin is? Een nuancering is op zijn plaats!
Door Jan Blaauw
Direct na het uitkomen van de studie werd door verschillende critica deze studie aangegrepen om aan te tonen dat het gebruik van een multivitamine onzin is. Koren op de molen dus. Graag maak ik in deze uitgave gebruik van de studies om een en ander te nuanceren.
De studie die sociale media bezighield
In juni 2024 verscheen in JAMA Network-Open een cohortstudie met 390.124 (vanuit 3 prospectieve cohortstudies) overwegend gezonde volwassenen die meer dan 20 jaar werden gevolgd om te kijken of het dagelijks gebruik van een multivitamine geïssocieerd was met een voordeel op mortaliteit. De basis was zelf gerapporteerd gebruik van een multivitaminen (MV).
De studiehypothese
In deze studie onderzochten ze de hypothese dat dagelijks MV-gebruik verband houdt met een lager sterfterisico onder, over het algemeen gezonde, Amerikaanse volwassenen door gebruik te maken van gegevens uit drie grote en geografisch diverse Amerikaanse cohorten met herhaalde beoordelingen van MV-gebruik en uitgebreide follow-up voor sterfteresultaten. Met een gecombineerde steekproefomvang van meer dan 390.000 volwassenen en 164.000 sterfgevallen wilden ze de associatie tussen MV-gebruik en de belangrijkste oorzaken van chronische ziekte gerelateerde sterfte (d.w.z. hart- en vaatziekten en kanker) evalueren en systematisch bronnen van vooringenomenheid onderzoeken, die bijdragen aan onzekerheid rond het verband tussen MV-gebruik en sterfte.
De conclusie van de onderzoekers zelf
Deze studie sluit af met een belangrijke conclusie vanuit de onderzoekers:
“In deze cohortstudie onder 390.124 Amerikaanse volwassenen zonder een voorgeschiedenis van ernstige chronische ziekten hebben we geen bewijs gevonden ter ondersteuning van een langere levensduur onder gezonde volwassenen die regelmatig multivitaminen slikken. We kunnen echter de mogelijkheid niet uitsluiten dat dagelijks MV-gebruik in verband kan worden gebracht met andere gezondheidsresultaten die verband houden met veroudering.”
Dit op zichzelf is al een probleem omdat je dan uitgaat van het feit dat het gebruik van een multivitamine altijd zal leiden tot het uitstellen van de dood. Terecht wordt gesteld dat er niet is gekeken naar voordelen van het gebruik van een multivitamine over langere tijd.
Het goede nieuws is dat hier wel degelijk onderzoek naar is gedaan. Dit laten we voor nu buiten beschouwing.
Een breakdown van de 3 gebruikte cohortstudies
NIH-AARP (American Association of Retired Persons) Diet and Health Study
De NIH-AARP Diet and Health Study is een grootschalige cohortstudie die in 1995-1996 werd opgezet door het National Institutes of Health (NIH) en de American Association of Retired Persons (AARP) om de relatie tussen voeding, leefstijl en het risico op verschillende ziekten, zoals kanker, hartziekten en andere chronische aandoeningen, te onderzoeken.
Volgperiode. Duur van de follow-up: de deelnemers zijn sinds hun inschrijving in 1995-1996 voor een langere tijd gevolgd. De studie heeft deelnemers gedurende meerdere decennia gevolgd, met follow-ups die doorgingen tot minstens 2011 (en mogelijk nog langer voor sommige gezondheidsuitkomsten).
Gemiddelde volgduur: de gemiddelde follow-upduur voor veel van de uitkomsten bedroeg 10 tot 15 jaar, afhankelijk van de specifieke gezondheidsuitkomst die werd bestudeerd.
Vervolgonderzoeken en vragen: na de initiële vragenlijst in 1995-1996 werden meerdere vervolgvragenlijsten en updates uitgevoerd om veranderingen in dieet, leefstijl en gezondheidsstatus bij te houden. De vragenlijsten richtten zich op verschillende aspecten van de gezondheid en leefstijl van de deelnemers, waaronder:
- Voedingsgewoonten: deelnemers vulden een uitgebreide voedselvragenlijst in, waarin ze rapporteerden over hun voedingsinname, portiegroottes en frequentie van het consumeren van verschillende voedingsmiddelen. De voedingsvragenlijst omvatte ook supplementgebruik (zoals multivitaminen), inname van alcohol en andere dieetgerelateerde factoren.
- Leefstijlfactoren: vervolgvragenlijsten vroegen naar lichaamsbeweging, roken, alcoholgebruik en andere gedragingen die van invloed konden zijn op de gezondheid. Deelnemers werd gevraagd naar hun veranderingen in deze gedragingen gedurende de follow-up.
- Medische geschiedenis: er werd regelmatig informatie verzameld over de medische geschiedenis van deelnemers, waaronder de diagnose van kanker, hartziekten, beroertes, diabetes en andere chronische ziekten. Deelnemers rapporteerden over nieuwe diagnoses en behandelingen voor aandoeningen die tijdens de follow-up werden vastgesteld.
- Specifieke ziekte-uitkomsten: de studie richtte zich in het bijzonder op de ontwikkeling van verschillende vormen van kanker en hart- en vaatziekten. Gegevens over ziekten werden verzameld via zelfrapportage, ziekenhuisgegevens en in sommige gevallen via koppeling aan kankerregisters en sterfteregisters.
- Demografische en sociaaleconomische gegevens: vragenlijsten bevatten ook informatie over sociaaleconomische status, opleidingsniveau, burgerlijke staat en andere factoren die mogelijk van invloed waren op de gezondheid.
- Antropometrische metingen: naast zelfgerapporteerde metingen, zoals lengte, gewicht en BMI, werden soms specifieke metingen zoals gewichtsschommelingen door de jaren heen verzameld.
Belangrijke vervolgstudies: na de oorspronkelijke cohortstudie zijn er talrijke substudies uitgevoerd die specifieke gezondheidsuitkomsten onderzochten, zoals:
- De relatie tussen dieet en verschillende vormen van kanker (bijvoorbeeld colon-, borst- en prostaatkanker).
- De invloed van voedingsstoffen, zoals vetten, vezels en specifieke vitaminen op hart- en vaatziekten.
- De invloed van andere leefstijlfactoren zoals lichamelijke activiteit, roken en alcoholgebruik op ziekte-uitkomsten.
De studie is van start gegaan met een aantal van 566.398 deelnemers. Hier zijn uiteindelijk ‘maar’ 327.732 deelnemers geweest, die bij de uiteindelijke resultaten van de studie zijn betrokken.
PCOL Trial
De PLCO-studie (Prostate, Lung, Colorectal and Ovarian Cancer Screening Trial) was een grote gerandomiseerde klinische studie in de Verenigde Staten, opgezet door het National Cancer Institute (NCI), om te onderzoeken of screenings voor prostaat-, long-, darm- en eierstokkanker de sterfte aan deze kankers kon verminderen.
Volgperiode. Duur van de follow-up: de deelnemers aan de PLCO-studie werden gedurende ten minste 13 jaar gevolgd, met sommige deelnemers die tot wel 20 jaar in de studie bleven. De actieve wervingsfase vond plaats tussen 1993 en 2001; de meeste deelnemers zijn gevolgd tot ten minste 2014.
Gemiddelde follow-up: de mediane follow-upduur voor de kanker specifieke uitkomsten bedroeg ongeveer 12 tot 13 jaar, maar sommige uitkomsten werden over langere periodes gevolgd, afhankelijk van de beschikbaarheid van gegevens.
Vervolgonderzoeken en vragen: tijdens de PLCO-studie werden verschillende vervolgvragenlijsten en onderzoeken uitgevoerd om gezondheid, screeningsgedrag en leefstijlveranderingen te volgen. De vragen en onderzoeken waren ontworpen om informatie te verzamelen over zowel het kankeronderzoek zelf als andere gezondheid gerelateerde factoren.
- Screeningsprocedures: deelnemers in de interventiegroep ondergingen regelmatige screenings voor de vier onderzochte kankertypes – Prostaatkanker: jaarlijkse PSA-bloedtesten en rectale onderzoeken; Longkanker: jaarlijkse röntgenfoto’s van de borstkas; Darmkanker: flexibele sigmoïdoscopie om de 3 tot 5 jaar; Eierstokkanker: jaarlijkse transvaginale echografie en CA-125-bloedtesten bij vrouwen. De controlegroep volgde hun gebruikelijke zorg zonder screeningsinterventie.
- Vragenlijsten over gezondheid en leefstijl: baseline vragenlijst bij aanvang over demografische gegevens, medische geschiedenis, familiegeschiedenis van kanker, rook- en drinkgedrag, voedingsgewoonten en lichaamsbeweging. Jaarlijkse follow-upvragenlijsten om nieuwe medische aandoeningen te rapporteren, inclusief eventuele nieuwe kankerdiagnoses, behandelingen en veranderingen in gezondheidsstatus, en eventuele bijwerkingen van de screeningsprocedures. Leefstijlvragenlijsten periodiek gericht op veranderingen in dieet, lichaamsbeweging, alcohol- en tabaksgebruik en andere leefstijlfactoren.
- Medische geschiedenis en kankerdiagnoses: deelnemers werd gevraagd om elk jaar informatie te verstrekken over nieuwe kankerdiagnoses of andere ernstige medische aandoeningen. Kankerdiagnoses en sterfte werden daarnaast bevestigd door koppeling aan nationale kankerregistraties en sterfteregisters, evenals medische dossiers.
- Dieet en voedingsvragenlijsten: in sommige gevallen werden aanvullende vragenlijsten over voeding en dieet afgenomen. Dit werd gedaan om de relatie tussen dieet en kanker te bestuderen. Deze vragenlijsten registreerden bijvoorbeeld de inname van specifieke voedingsmiddelen, voedingssupplementen en de totale energie-inname.
- Fysieke metingen en tests: tijdens de screenings werden verschillende fysieke metingen uitgevoerd, zoals bloedonderzoeken (voor PSA, CA-125 en andere biomarkers), sigmoïdoscopieën en radiologische onderzoeken (zoals röntgenfoto’s van de borstkas). Bloed- en weefselmonsters werden soms opgeslagen voor toekomstig onderzoek naar biomarkers en genetische analyses.
- End-of-trial follow-up: aan het einde van de actieve screeningsperiode werden deelnemers nog steeds gevolgd via medische dossiers en sterftecijfers. Deze follow-up was bedoeld om de langetermijneffecten van screening op kanker gerelateerde sterfte en algemene sterfte te beoordelen.
Belangrijke vervolgstudies: naast het primaire doel van het onderzoeken van kanker gerelateerde sterfte is de PLCO-studie ook gebruikt voor andere gezondheidsonderzoeken:
- Relatie tussen leefstijl en de ontwikkeling van chronische ziekten zoals hart- en vaatziekten en diabetes.
- Studie van biomarkers in bloedmonsters voor het voorspellen van kanker.
- Onderzoek naar genetische risicofactoren voor kanker en andere ziekten door analyse van opgeslagen DNA-monsters van deelnemers.
Hier wordt gericht gezocht naar kanker en het zal dan ook leiden tot de diagnose van meer kanker met daarnaast de psychologische uitwerking van de boodschap en prognose.
The Agriculture Health Study
De Agricultural Health Study (AHS) is een grote, langlopende cohortstudie die in 1993 werd gestart om de gezondheidseffecten van blootstelling aan pesticiden en andere landbouwchemicaliën te onderzoeken bij boeren, hun echtgenotes en commerciële pesticidenapplicators in de Amerikaanse staten Iowa en North Carolina.
Volgperiode. Duur van de follow-up: de deelnemers van de AHS zijn sinds de start in 1993 gevolgd en worden nog steeds gemonitord. De studie heeft een langdurige follow-up die inmiddels meer dan 30 jaar beslaat.
Frequentie van follow-ups: deelnemers werden in verschillende fasen van de studie bevraagd en er werden aanvullende gegevens verzameld over hun gezondheid gedurende de jaren.
Vervolgonderzoeken en vragen: de AHS verzamelde gegevens via verschillende methoden, waaronder gedetailleerde vragenlijsten, interviews en medische onderzoeken. Hieronder volgt een overzicht van de belangrijkste onderdelen van de vervolgonderzoeken:
- Vragenlijsten over pesticidengebruik en blootstelling: gedetailleerde informatie over het gebruik van pesticiden, inclusief welke specifieke pesticiden werden gebruikt, hoe vaak en in welke hoeveelheden. Ook informatie over blootstelling aan andere landbouwchemicaliën zoals herbiciden, fungiciden en meststoffen, en over blootstellingsroutes (bijvoorbeeld inademing of huidcontact) en beschermende maatregelen.
- Leefstijl- en gezondheidsvragenlijsten: informatie over roken, alcoholgebruik, dieet en fysieke activiteit, en over slaapgedrag en de mogelijke invloed van landbouwactiviteiten op slaap en vermoeidheid.
- Medische geschiedenis en gezondheid: nieuwe diagnoses van ziekten, waaronder kanker, ademhalingsaandoeningen, hart- en vaatziekten en neurologische aandoeningen zoals de ziekte Parkinson en Alzheimer. Zelfgerapporteerde gezondheid en medische dossiers, bevestigd via koppeling aan nationale kankerregisters en andere gezondheidsdatabases.
- Vragenlijsten over mentale gezondheid: de relatie tussen blootstelling aan landbouwchemicaliën en mentale gezondheidsproblemen, zoals depressie en angststoornissen, en neurologische symptomen zoals tremoren, geheugenverlies of andere cognitieve problemen.
- Vervolgonderzoeken naar specifieke ziekten: verband tussen pesticidengebruik en het risico op kanker, waaronder non-Hodgkin-lymfoom, prostaatkanker, longkanker en leukemie; blootstelling aan pesticiden en stof in de landbouwomgeving in relatie tot ademhalingsproblemen zoals astma en COPD; en impact van blootstelling aan landbouwchemicaliën op de vruchtbaarheid en zwangerschapsuitkomsten bij vrouwelijke deelnemers.
- Bloed- en urinetests: biomarkers die blootstelling aan pesticiden konden aantonen of vroege tekenen van ziekte konden opsporen, en genetisch onderzoek naar varianten die de gevoeligheid voor pesticiden-gerelateerde gezondheidsproblemen beïnvloedden.
- Vragenlijsten voor echtgenotes en familieleden: expositie in de familie via het werk op de boerderij of contact met pesticiden in huis, en specifieke vragenlijsten voor echtgenotes over vruchtbaarheid, zwangerschapsuitkomsten en blootstelling aan huishoudelijke pesticiden.
Hier is iets vreemds aan de hand gezien de oorspronkelijke opzet. Tussen 1993 en 1997 hebben 52.394 erkende particuliere pesticidentoepassers (voornamelijk boeren) uit Iowa en North Carolina zich ingeschreven, evenals 32.345 van hun echtgenoten. De studie omvatte in de eerste twee fasen ook 4.916 commerciële pesticidenapplicateurs in Iowa. De gemiddelde leeftijd bij inschrijving was 47 jaar, 38 jaar en 47 jaar voor particuliere aanvragers, commerciële aanvragers en echtgenoten.
Totaal dus 89.655 deelnemers. Uiteindelijk blijven er 19660 deelnemers over.
En dit is een onderzoek met het voornaamste doel om te kijken naar de associatie met kanker en gezondheidsproblemen door het gebruik van pesticiden.
Cox Proportional Hazard
Om gegevens van deze 3 studies bij elkaar te kunnen zetten is gebruik gemaakt van de zogenaamde Cox Proportional Hazard.
Een Cox Proportional Hazard-model (Cox PH-model) is een veelgebruikte statistische methode in de overlevingsanalyse, die het mogelijk maakt om de invloed van verschillende variabelen op de overlevingstijd te onderzoeken. Hier volgt een uitgebreide uitleg:
Hoofdkenmerken:
- Het model analyseert de tijd tot een bepaalde gebeurtenis plaatsvindt (bijvoorbeeld overlijden, ziekte of uitval).
- Het houdt rekening met meerdere voorspellende variabelen tegelijkertijd.
- Het kan omgaan met gecensureerde data (wanneer de gebeurtenis nog niet heeft plaatsgevonden tijdens de studieperiode).
Belangrijke eigenschappen:
- Het model gaat uit van proportionele hazards, wat betekent dat de verhouding tussen de risico’s van verschillende groepen constant blijft over tijd.
- Het is een semi-parametrisch model, wat betekent dat er geen aannames nodig zijn over de vorm van de baseline hazard-functie.
- Het model schat hazard-ratio’s, die aangeven hoeveel meer of minder risico een bepaalde groep heeft ten opzichte van een referentiegroep.
Bij het samenvatten van drie cohortstudies in één onderzoek kunnen verschillende belangrijke problemen optreden:
- Methodologische verschillen: verschillende meetmethoden tussen de studies, variatie in definities van variabelen, verschil in inclusie- en exclusiecriteria, uiteenlopende follow-upperiodes.
- Populatieverschillen: demografische verschillen tussen cohorten, verschillende geografische locaties, variatie in tijdsperiodes waarin de studies zijn uitgevoerd, verschillende selectiecriteria voor deelnemers.
- Statistische uitdagingen: heterogeniteit tussen de studies, verschillende steekproefgroottes, variatie in statistische power, problemen met het poolen van data.
- Bias en confounding: verschillende confounders per studie, variatie in de manier waarop voor confounding is gecorrigeerd, selectiebias tussen de studies, verschillende mate van loss to follow-up.
- Datakwaliteit: verschil in kwaliteit van dataverzameling, verschillende mate van missende data, variatie in nauwkeurigheid van metingen, inconsistenties in documentatie.
- Interpretatiekwesties: moeilijkheden bij het vergelijken van resultaten, verschillende definities van uitkomstmaten, variatie in rapportagemethoden, problemen met het generaliseren van conclusies.
- Praktische problemen: verschillende dataformaten, incompatibele databases, verschillende coderingssystemen, problemen met data-integratie.
Deze problemen kunnen de validiteit en betrouwbaarheid van het gecombineerde onderzoek beïnvloeden en moeten zorgvuldig worden overwogen en aangepakt in de onderzoeksmethodologie.
De gemiddelde levensverwachting in de Verenigde Staten van man en vrouw
De gemiddelde levensverwachting in de Verenigde Staten verschilt tussen mannen en vrouwen, en volgens de meest recente data van het Centers for Disease Control and Prevention (CDC) voor 2021: voor mannen 73,5 jaar, voor vrouwen 79,3 jaar.
Deze cijfers tonen een belangrijk verschil van ongeveer 6 jaar tussen mannen en vrouwen, waarbij vrouwen gemiddeld langer leven.
Enkele belangrijke punten:
- De levensverwachting verschilt ook significant tussen verschillende etnische groepen en sociaaleconomische klassen.
- Factoren die de levensverwachting beïnvloeden zijn onder andere: toegang tot gezondheidszorg, leefstijl en voedingsgewoonten, sociaaleconomische status en opleidingsniveau.
Het gebruik van de Healthy Eating Index (HEI) in de onderzoeken
Dit betreft een maatstaf voor de boordeling van kwaliteit van de voeding en inzicht in het gebruik van suppletie.
Het opnemen van de vraag over multivitaminengebruik in de Healthy Eating Index (HEI) kan leiden tot verschillende soorten fouten in zowel de vraagstelling als de beantwoording.
Hieronder staan enkele belangrijke potentiële problemen:
- Verwarring over wat wordt bedoeld met “multivitaminen”: de term kan voor verschillende mensen een andere betekenis hebben. Sommige mensen beschouwen multivitaminen als een breed scala aan supplementen, waaronder ook een multivitaminen/mineraalcomplex (MMV), terwijl anderen misschien alleen specifieke vitamines of mineralen in overweging nemen. Dit kan leiden tot inconsistentie in de manier waarop mensen de vraag interpreteren en beantwoorden, wat kan resulteren in onjuiste of onvolledige antwoorden.
- Zelfrapportagefouten: wanneer mensen zelf rapporteren over hun gebruik van multivitaminen, is er een risico op onnauwkeurigheid. Ze kunnen vergeten hoe vaak ze multivitaminen innemen, het type supplement verkeerd rapporteren of het belang van sporadisch gebruik over- of onderschatten. Dit kan resulteren in fouten in de gegevensverzameling, zoals onder- of overrapportage van het werkelijke gebruik van multivitaminen.
- Misleidende invloeden op de HEI-score: multivitaminen kunnen worden gezien als een “compensatie” voor een minder gezond voedingspatroon. Mensen die multivitaminen nemen, hebben mogelijk een lagere voedselkwaliteit, maar vertrouwen op supplementen om tekorten te dekken. Het gebruik van multivitaminen kan een vertekend beeld geven van de daadwerkelijke voedingskwaliteit. De HEI is ontworpen om de kwaliteit van het dieet te meten; het opnemen van supplementengebruik kan de focus verleggen van voeding naar aanvulling.
- Niet-meegenomen context van supplementgebruik: multivitaminegebruik kan sterk variëren op basis van de gezondheidstoestand, leeftijd of specifieke aanbevelingen van een arts. Iemand kan bijvoorbeeld multivitaminen gebruiken vanwege een medische aandoening, wat niet noodzakelijk iets zegt over de kwaliteit van het dieet. Het gebruik van multivitaminen kan in sommige gevallen verband houden met medische problemen, wat de relatie met het voedingspatroon ingewikkelder maakt en een vertekening kan veroorzaken.
- Geen onderscheid tussen soorten supplementen (100 ADH/orthomoleculair gedoseerd, biobeschikbaarheid van stoffen, kwaliteit van de ingrediënten, het gebruik van organische verbindingen): niet alle multivitaminen zijn gelijk. Sommige bevatten meer voedingsstoffen of hogere concentraties dan andere en sommige kunnen andere voordelen of risico’s hebben. Het vragen naar “multivitaminen” zonder specificatie kan belangrijke variaties in het gebruik negeren. Dit kan ertoe leiden dat verschillende vormen van supplementgebruik in één categorie worden gegroepeerd, terwijl ze in werkelijkheid mogelijk heel verschillende effecten hebben op de gezondheid en de voedingskwaliteit.
- Vertekende perceptie van gezond gedrag: mensen die multivitaminen nemen, kunnen geloven dat ze gezonder eten dan ze daadwerkelijk doen, simpelweg omdat ze een supplement nemen. Dit kan leiden tot sociaal wenselijke antwoorden waarin ze hun voeding gezonder inschatten dan ze werkelijk is. Dit kan de nauwkeurigheid van zelfrapportages over de algehele voedingskwaliteit verstoren en tot overschatting van gezonde eetgewoonten leiden.
- Beperkte individualisering: de HEI is ontworpen als een algemene maatstaf voor voedingskwaliteit en houdt geen rekening met individuele voedingsbehoeften. Factoren zoals leeftijd, geslacht, fysieke activiteit en specifieke gezondheidscondities kunnen invloed hebben op wat als “gezond” wordt beschouwd voor een individu, maar deze nuances worden in de HEI niet meegenomen.
Belangrijke conclusies uit het onderzoek
- Bij het begin van deze 3 prospectieve cohortstudies zijn de mensen gemiddeld 61,5 jaar. Tel daar de looptijd van de diverse studies van op. Gemiddeld 20 jaar van een studie. Dan zal de gemiddelde deelnemer uitkomen op 81,5 jaar. Die 61,6 is een gemiddelde, maar stel, iemand is al 71 en tel daar de 20 jaar studieduur bij op, dan is de kans al aanwezig dat deze persoon de studie niet heeft overleefd.
- Ook zegt de studie alleen iets over de lengte van het leven en niet over de kwaliteit ervan. Het is ook mogelijk dat vitamines nuttig zijn zonder het risico op vroegtijdige sterfte te verminderen. Zou een langer leven van belang zijn? De moderne geneeskunde claimt trots dat zij de levensverwachting heeft laten toenemen. Hoe zit het met onze health span? Waarom neemt de gemiddelde leeftijd waarop mensen gemiddeld hun eerste chronische ziekte ontwikkelen, steeds verder af en nemen de aantallen toe? Waarom kan de moderne geneeskunde een ‘eenvoudige’ reumatische aandoening of astma niet genezen? Nederland telt ongeveer 9,9 miljoen mensen met één of meer chronische aandoeningen. Dit is meer dan de helft van de Nederlandse bevolking!
- Zoals eerder uitgelegd zal het gebruik van een multivitaminen onderhevig zijn aan verschillende kwaliteit en normprincipes om als goed of slecht te kunnen kenmerken en dit bepaalt mede ook de uitkomst (gezondheidswinst). Daarnaast is er een groot verschil of er sprake is van een multivitaminen of een complex van multivitaminen-mineralen. Deze laatste toevoeging, de mineralen, spelen veelal een rol als cofactor in duizenden biologische pathways en zijn veelal essentieel hiervoor. Een multivitaminen-mineralencomplex dient niet alleen om tekorten op te lossen, maar ook om suboptimaal te werken in diverse biologische processen. Losstaand van de behoefte die bestaat bij iemand vanuit sexe, leeftijd, gezondheid, inspanningsniveau, etnische afkomst, etc.
- Alle drie de studies zijn nooit opgezet om als eindpunt de hypothese te toetsen of het gebruik van multivitaminen de mortaliteit kan terugdringen. Dit is een onderzoek met voornaamste doel om te kijken naar de associatie met kanker en gezondheidsproblemen door het gebruik van pesticiden.
- Er wordt gesproken over geografische diversiteit qua 3 onderzoeken. Maar zijn deze ook heterogeen? Daar is niet bepaald sprake van. De AHS-studie is eigenlijk een hazard-onderzoek. Het onderzoekt het in contact komen en het gebruik van pesticiden bij boeren en hun gezin bij ook nog een relatief jongere deelnemersgroep met gemiddeld 47 jaar ten opzichte van de NIH-AARP, wat een groot bevolkingsonderzoek betreft met deelnemers die gemiddeld 62 jaar waren bij aanvang.
- De cohortstudie levert geen positief verband maar ook geen negatief verband op met MV. In het begin werd 4% meer sterfte onder gebruikers gemeten, maar dit corrigeerde zich weer (wat op zich ook weer opvallend is en waar niet over wordt gesproken door critici).
- Pure associatie is nog geen causaliteit (correlatie). De cognitieve achteruitgang bij het ouder worden kan parten spelen bij de beantwoording van zelf in te vullen vragenlijsten in de loop van de studie.
Eindconclusie
Critici lezen schijnbaar alleen de abstract van het genoemd artikel. De genoemde conclusies spreken voor zichzelf.
Er kan ook geen conclusie worden getrokken of het gebruik van een multivitaminen schadelijk is, want dit komt ook niet uit het onderzoek. Kan je dan zeggen als conclusie uit dit onderzoek: multivitaminen hebben geen schadelijk uitwerking bij langdurig slikken? Nee dus!
En wat helemaal niet uit het onderzoek komt is, dat als je gebruik maakt van een multivitaminen-mineraal in dit onderzoek je daar al helemaal geen uitspraak over kan doen, omdat het domweg niet is onderzocht.
Het is voor de lezer misschien een technisch artikel geworden. Maar hiermee wil ik ook aangeven dat, als je je als orthomoleculair therapeut wilt uitgeven, je ook op de hoogte dient te zijn van deze kennis om een beeld te kunnen vormen van wetenschappelijk onderzoek. Enige basisbegrippen zoals hier genoemd, dienen als kennis verondersteld te worden. Het zal ook het onderscheid uitmaken met welke therapeut je te maken hebt in de praktijk.
Jan Blaauw is orthomoleculair en natuurgeneeskundig therapeut bij Praktijk Blaauw. Hij is tevens oprichter en hoofddocent van het opleidingsinstituut Ortho Linea.

