Wat beweegt me?

Menselijk gedrag begrijpen met behulp van de holistische en optimistische psychologie van Alfred Adler (1870-1937). Door: Pauline Hofstra.

Door: Pauline Hofstra

De psychologie van Adler is een holistische, sociale en doelgerichte psychologie, die mensen bemoedigt zichzelf te vertrouwen, hun persoonlijke kracht en capaciteiten te erkennen en deze in te zetten voor een betere kwaliteit van leven. Geestelijke gezondheid hangt in dit verband samen met de wijze waarop iemand streeft naar bijdragen, gelijkwaardigheid en wederzijds respect tussen individuen en groepen. Sinds het begin van de vorige eeuw zijn er diverse effectieve methoden ontwikkeld ter preventie en behandeling van psychische en sociale problemen. De theorie van Adler biedt concrete stappen ter verbetering van menselijke relaties binnen het gezin, op school, in werksituaties en daarbuiten (Eva Dreikurs-Ferguson, 2013). Hoewel de naam Adler niet bij alle psychologen bekend is, gebruiken veel mensen ongemerkt begrippen die hij heeft geïntroduceerd zoals gemeenschapsgevoel, gevoelens van minderwaarde en minderwaardigheidscomplex. Zijn opvattingen zijn nog altijd terug te vinden in hedendaagse psychotherapeutische stromingen (Jaap Bij de Vaate, 2004). Tijd voor een nadere kennismaking!

De theorie van Adler is gebaseerd op 5 principes. In dit artikel wordt dieper ingegaan op Adlers eerste basisprincipe. Aan de hand van een praktijkvoorbeeld wordt duidelijk hoe dit principe een rol speelt in ervaren problemen.

De 5 belangrijkste principes van Alfred Adler:

1. Mensen zijn sociale wezens die zich verbonden willen voelen met andere. We willen onze plek vinden in de wereld. Dat is van primair belang voor ons. Even belangrijk is mee kunnen doen en bij kunnen dragen aan het grotere geheel waar we deel van uitmaken. We noemen dit gemeenschapsgevoel. Iemand met veel gemeenschapsgevoel handelt vanuit de wens te doen wat nodig, is helpend en respectvol voor het grotere geheel waar hij/zij zich deel van weet. Iemand met weinig gemeenschapsgevoel is (onbewust) vooral bezig met de eigen behoeftes en plaatst zich voor de ander. Hij/zij ervaart regelmatig gevoelens van minderwaarde.

2. Mensen zijn actief en streven van een ervaren ‘min’ naar een veronderstelde ‘plus’. We willen ons goed voelen over onszelf. We zijn actieve deelnemers aan ons eigen leven. We beslissen wat we willen doen en hoe we reageren. We zijn geen slachtoffers van onze omstandigheden. We zijn ons er niet altijd van bewust waarom we doen wat we doen, maar we doen het wel zelf. Daarom kunnen we veranderen wat we doen. We zijn zelfbepalend.

3. Menselijk gedrag is doelgericht en doelbewust. Ook al zijn we ons er niet altijd van bewust wat onze doelen zijn of waar we naar streven, we komen in beweging omdat we iets willen bereiken. Veel mensen zoeken naar oorzaken en richten zich op de vraag waarom zij doen wat zij doen. Maar oorzaken zijn speculatief en kunnen meestal niet worden veranderd. Doelen kunnen worden bijgesteld. Wanneer ze eenmaal zijn herkend, is er de keus: wil ik hiernaar blijven streven of kies ik een ander doel. Dit is onze vrijheid en dat is bemoedigend.

4. Mensen zijn creatief en geven betekenis aan hun leven. De werkelijkheid is zoals wij die waarnemen. Er is geen absolute waarheid, er is alleen de waarheid die wij ervaren en de betekenis die wij eraan toekennen. Hoewel we niet kunnen veranderen wat we hebben meegemaakt, kunnen we de betekenis die we eraan hebben gegeven, wel veranderen. Wanneer we de huidige situatie niet kunnen veranderen, zijn we vrij om er een andere betekenis aan te geven. Wat voor de één een handicap is, vormt voor de ander een uitdaging. Wij beslissen.

5. Mensen zijn holistisch. Het hele individu bestaat uit verschillende delen (gedachtes, gevoelens, gedrag, dromen, herinneringen, fysiologie), maar de delen zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Willen we iemand begrijpen, dan zullen we moeten kijken naar de hele persoon, niet naar de afzonderlijke delen. Omdat mensen altijd onderdeel vormen van een groter geheel, wordt menselijk gedrag onderzocht en begrepen binnen de sociale relaties die zij onderhouden met andere mensen.

Mensen zijn sociale wezens die zich verbonden willen voelen met andere. Ida is een baby. De eerste weken van haar leven besteedt ze voornamelijk aan slapen, drinken, plassen en poepen en opnieuw slapen, drinken… Hoe ouder ze wordt, hoe meer aandacht ze krijgt voor haar omgeving. Ze ziet haar ouders staan, zitten, bukken, lopen, lachen en praten. Ida wil dat ook. Ze probeert te rollen en na veel oefening lukt haar dat. Vervolgens wil ze zitten, staan en lopen. Iedere dag opnieuw oefent ze het gedrag dat ze de mensen in haar omgeving ziet doen. Ida ontwikkelt zich tot mens in aanwezigheid van andere mensen.

Mensen hebben andere mensen nodig om te overleven, maar ook, net als Ida, om te leren wat het betekent mens te zijn. We kunnen als mensen zelfstandig functioneren, maar niet alleen leven. Degenen die denken dat dit wel kan, vergeten dat er heel veel mensen nodig zijn om ervoor te zorgen dat wij zelfstandig kunnen leven. Mensen zijn op samenwerking met andere mensen aangewezen. Menselijke problemen zijn dan ook sociale problemen. Zelfs kleine Ida heeft een sociaal probleem als ze gefrustreerd raakt over het feit dat ze nog niet kan wat ze andere mensen ziet doen. Ze wil erbij horen en meedoen op haar manier!

Verbonden voelen en ertoe doen

En dat is wat ons in beweging brengt: we willen onze plek innemen en ons waardevol voelen. Een kind dat ziek is, hoopt dat de andere kinderen hem zullen missen op school. Als partner wil je graag horen dat je man of vrouw zich gelukkig prijst met je. In je werk hoop je dat je bijdrage wordt gewaardeerd. En als je afspreekt met vrienden, verwacht je dat zij dat niet uit verplichting doen, maar omdat ze jouw gezelschap op prijs stellen (Zivit Abramson, 2014).

Als jonge vrouw zoekt Ida contact met mijn praktijk. Ze zit niet lekker in haar vel, is lichtgeraakt en ervaart stress. Ida weet niet wat ze kan doen om zich beter te voelen. Uit de gesprekken die volgen blijkt, dat ze gelooft dat ze, zo zoals ze is, niet goed genoeg is. Ze gelooft dat ze moet doen wat anderen normaal vinden en van haar verwachten om zich nog enigszins van waarde te voelen. Ida vergelijkt zichzelf continu met anderen en voelt zich soms goed, maar steeds vaker onzeker en gespannen. Ze heeft het idee dat ze zichzelf kwijtraakt en steeds minder weet wie ze is en wat ze zelf belangrijk vindt. Ze wil zich weer de moeite waard vinden. Wat te doen?

Je niet goed genoeg voelen, je buitengesloten voelen, ongewenst, niet geliefd, betekent dat je je minder waard voelt dan andere mensen. De anderen ervaar je als ‘boven, beter, meer geliefd en meer waard …’ en jij voelt je ‘onder, minder geliefd en minder waard’. De pijn die hiermee gepaard gaat, willen we als mens altijd vermijden. Het streven naar verbondenheid, naar het ervaren van liefde en het hebben van betekenis, is nu precies wat ons beweegt!

Er zijn globaal twee manieren waarop mensen ervaren dat zij erbij horen en van betekenis zijn:

1. Je onvoorwaardelijk geliefd, waardevol en verbonden voelen vanaf je geboorte. Sommige mensen hebben het geluk dat zij enkel bemoedigende ervaringen hebben gehad in hun jeugd, zich nooit bekritiseerd of afgewezen hebben gevoeld en alleen samenwerking op basis van gelijkwaardigheid hebben waargenomen en ervaren. Zij hebben de conclusie getrokken: Zo, zoals ik ben, hoor ik er onvoorwaardelijk bij. Bovendien geloven ze dat dit voor andere mensen ook zo geldt. We zijn als mens gelijkwaardig, niet gelijk maar allemaal nodig. We kunnen allemaal op onze eigen manier bijdragen en van betekenis zijn. Mensen die dit geloven, ontwikkelen een positief, realistisch gevoel van eigenwaarde en gemeenschapsgevoel, de basis voor constructieve samenwerking tussen mensen. Ze vertrouwen op zichzelf, denken en handelen zelfstandig. Ze durven initiatief te nemen, verantwoordelijkheid te dragen en fouten te maken. Is het nodig dat ze hun talenten inzetten, dan doen ze dat. Is het nodig dat ze bijdragen door iets te doen wat ze niet zo goed kunnen, dan doen ze dat ook. Ze laten zich leiden door wat helpend is voor het grotere geheel waar zij zich bij voelen horen. Ze richten zich op het WIJ: JIJ en IK.

2. Je voorwaardelijk geliefd, waardevol en verbonden voelen. De meeste mensen hebben onbewust als kind geconcludeerd dat zij er alleen bij horen en van waarde zijn, als aan een conditie wordt voldaan: Ik hoor er voorwaardelijk bij. Alleen als ik het goed doe en succes heb … Alleen als ik me hulpeloos opstel en me laat helpen …. Alleen als ik het laatste woord heb… Alleen als anderen van me houden … heb ik een plek en hoor ik erbij. Deze condities bevinden zich op een verticale as: zijn ze eenmaal vervuld, dan plaatst dat de betreffende persoon op een bepaalde manier ‘boven’ de anderen. Met als gevolg dat iemand anders zich ‘onder’ bevindt. Er wordt gedacht in termen van meer of minder, beter of slechter, JIJ of IK. Er wordt constant gekeken naar anderen en vergeleken met anderen. Hoe doe ik het in vergelijking met de rest?

Een ander gevolg is egocentrisme: ik hoor erbij als IK bepaal wat er gebeurt, als IK de aandacht heb, als IK win, etc. Het draait om MIJ, niet om anderen, niet om relevantie en nut, niet om plezier. Als ik help, doe ik dat in eerste instantie omdat het mij een goed gevoel geeft. Dat merk ik vooral aan het nare gevoel dat ik ervaar, wanneer mijn hulp niet in goede aarde valt, en aan de manier waarop ik mijn gevoel van eigenwaarde vervolgens probeer op te krikken door de ander ondankbaar te vinden. Als ik echt wil helpen en doen wat nodig is, hoef ik me immers niet afgewezen te voelen. Ik zou kunnen vragen of en hoe ik wel van dienst kan zijn zonder gevoelens van minderwaarde. Je voorwaardelijk geliefd voelen, maakt je afhankelijk van (de reactie van) anderen en kan leiden tot een onrealistisch en negatief gevoel van eigenwaarde. Het zorgt in veel gevallen voor stagnatie van het ontwikkelen van gemeenschapsgevoel.

De erfenis van Adler

De inzichten van Adler zijn nog steeds actueel binnen de psychologie en hulpverlening. Door te kijken naar gemeenschapsgevoel en persoonlijke kracht, biedt Adler praktische handvatten voor betere relaties en meer welzijn. Lees ook andere artikelen op curova.nl of meer achtergrond via Wikipedia.

Ida heeft als jong kind onbewust de conclusie getrokken dat zij zich er alleen bij voelt horen, wanneer zij doet waar zij zin in heeft, als zij zelf kan bepalen wat ze doet en met wie ze omgaat. Haar ouders mopperen wel, maar stellen geen grenzen die zij als belemmerend ervaart. Ze kan doen en laten wat ze wil. Als tiener krijgt Ida nieuwe vrienden en gaat zij zich anders gedragen. Haar ouders klagen niet alleen over haar nieuwe vrienden en haar gedrag, ze eisen bovendien dat zij weer normaal doet en met haar nieuwe vrienden breekt. Ida reageert daarop met gedrag dat zij haar hele leven al heeft geoefend om zich beter te gaan voelen: ‘zelf bepalen wat ik doe en doen waar ik zin in heb’. Ze verwijt haar ouders dat zij haar niet met rust laten en vermijdt steeds vaker de woonkamer. Ze verlaat stiekem de woning om vrienden te bezoeken. Haar ouders beperken haar vrijheid en stellen meer en meer grenzen. Hun dochter voelt zich steeds meer beknot en minder geliefd. Als ze op een gegeven moment een nacht niet thuis komt, barst de bom. Er vallen harde woorden; de jonge vrouw voelt zich ongewenst en waardeloos. In een poging zich beter te voelen en thuis niet genegeerd maar geaccepteerd te worden, concludeert Ida dat het nodig is in het vervolg te doen wat anderen van haar verwachten. ‘Als ik niet kan doen wat ik wil, moet ik doen wat anderen willen.’ Het maakt haar echter op de lange termijn niet gelukkig en het resulteert in een negatief, onrealistisch gevoel van eigenwaarde.

Waar komt het idee vandaan dat er aan een conditie moet worden voldaan om erbij te horen en van waarde te zijn? Het is een grove fout en veroorzaakt veel pijn en leed. Vanaf het moment waarop we geboren worden, verkennen we de wereld waarin we zijn beland. We nemen de omgeving waar en geven alles wat we ervaren een subjectieve betekenis. Zo leren we niet alleen wat hard is en wat zacht, wat warm is en wat koud, maar ook hoe mensen met elkaar omgaan en wanneer wij ons prettig (en veilig verbonden) voelen en wanneer niet. Hoewel we goed waarnemen, is ons denk- en beoordelingsvermogen op deze leeftijd nog niet volledig ontwikkeld. We trekken onze conclusies veel te vroeg en hebben de neiging te generaliseren: dit geldt vanaf nu altijd. Zo werken onze hersenen nu eenmaal en het is ook vaak helpend: iedere dag controleren of je bij een rood stoplicht nog steeds moet stoppen, is immers ondoenlijk. Maar het is minder helpend als het conclusies over onszelf en anderen betreft.

Ida heeft als kind ervaren: ik kan doen en laten wat ik wil, de ander moppert hooguit maar stelt geen grenzen en dat voelt goed, en daaruit de conclusie getrokken: om mij goed te voelen, moet ik kunnen doen wat ik wil. De generalisatie die daaruit volgt, luidt: ik voel mij er alleen bij horen en waardevol als ik kan doen wat ik wil zonder dat iemand mij belemmert. Als ik belemmerd word in mijn doen en laten, voel ik me onvrij en waardeloos. Ik moet er dus voor zorgen dat deze conditie altijd in vervulling gaat. Kunnen doen en laten wat Ida wil, wordt zo een voorwaarde om zich verbonden, geliefd en waardevol te voelen voor de rest van haar leven. Al haar gedrag is (onbewust) gericht op het verwezenlijken van dit doel en het vermijden van het tegendeel. Als tiener reageert zij dan ook heel ‘logisch’ op het gedrag van haar ouders, wanneer zij weerstand ervaart.

Adlerianen hebben dan ook een andere kijk op ‘storend gedrag’ van kinderen. Storende kinderen zien zij als ontmoedigde kinderen die onbewust verkeerde conclusies hebben getrokken over de manier waarop zij erbij horen en van waarde zijn. Zij helpen ouders bemoedigend reageren, zodat hun kinderen ervaren dat zij er vanzelfsprekend bij horen, waardevol maar ook nodig zijn (Theo Schoenaker, 2000).

Wat te doen? De ‘doe-het-zelf’route

Wat kun je doen als je tot de conclusie komt, dat jij je er ook voorwaardelijk bij voelt horen? Volgens Adler is er een ‘doe-het-zelf’route waarop je een redelijk stabiel gevoel van verbondenheid kunt ontwikkelen en gezond gevoel van eigenwaarde kunt opbouwen. Door gedrag te kiezen vanuit gemeenschapsgevoel. Door jezelf af te vragen: wat kan ik nu doen dat helpend en nodig is in deze situatie? Bij alles wat je doet heb je immers de keuze: doe ik wat vooral goed is voor MIJ of doe ik wat de situatie nu vereist en wat helpend en nodig is voor ONS (WIJ: JIJ en IK)? Mensen die voor deze ‘doe-het-zelf’route kiezen, zijn moedige mensen. Ze laten de voor hen zo vertrouwde en veilige strategieën los op basis waarvan zij zich veilig verbonden en waardevol hebben gevoeld. Ze vertellen zichzelf een nieuw verhaal op basis van nieuw verworven inzichten en nemen de beslissing dat ze, om iets anders te willen ervaren, anders willen reageren. Daarmee verlaten zij hun ‘habit-zone’ en nemen risico. Er is immers geen garantie op succes! Het voelt in het begin alsof je voor het eerst van het ene trapezestokje naar het andere vliegt: je moet het oude stokje loslaten en even door de lucht zweven, voordat je het nieuwe stokje kunt pakken. Zonder garantie dat het je de eerste keer ook lukt. En daar is moed voor nodig en de bereidheid je onhandig en ongemakkelijk te voelen, omdat je iets nieuws probeert. Maar ook bewuste aandacht, veel geduld en een grote dosis mildheid. Mensen die de ‘doe-het-zelf’route kiezen, zullen dus moeten leren hoe zij zichzelf kunnen bemoedigen en blijven bemoedigen. In de praktijk blijkt meer dan eens dat hun moedige gedrag juist weer bemoedigend is voor anderen.

Ida leert tijdens de begeleidingssessies over de onbewuste conclusies die ze in haar vroege jeugd heeft getrokken en waarop haar huidige gevoel van eigenwaarde is gebaseerd*. Ze ontdekt dat haar doel positief is (zich verbonden en waardevol voelen) maar haar strategie (ik moet doen waar ik zin in heb) niet helpend en realistisch. Ida wordt zich bewust van de opbrengst van deze conclusie (o.a. me onbelemmerd kunnen uitleven, zelfstandig kunnen handelen, nieuwe dingen durven uitproberen) maar ook van de prijs die zij betaalt (o.a. afhankelijkheid van anderen, anderen ervaren als obstakel, ruzie, sociale afstand en eenzaamheid). Ze leert dat haar strategie ‘of doen waar ik zin in heb, of doen wat anderen willen’ leidt tot gevoelens van meer of minder waarde, en haar op de lange termijn niet helpt zich de moeite waard te vinden. Ida ontdekt hoe zij zich veilig, waardevol en geliefd kan voelen in een samenwerking die gebaseerd is op gelijkwaardigheid en wederzijds respect. Hoe ze zich ook kan richten op bijdragen en geven, in plaats van op nemen en krijgen. Ida besluit het risico te nemen en haar vaardigheid ‘nieuwe dingen durven uitproberen’ in te zetten voor het aanleren van deze nieuwe strategie. Zo doet Ida nieuwe ervaringen op en ontwikkelt ze langzaam maar zeker een positief en realistisch gevoel van eigenwaarde. Zo ervaart ze dat ze het stuur van haar leven zelf in handen heeft en de richting die zij in wil slaan, zelfstandig bepaalt. Dat onafhankelijkheid betekent dat zij altijd zelfstandig kiest, maar niet altijd alles alleen hoeft te doen om zich goed (waardevol) te voelen.

*In Adleriaanse councelingssessies wordt o.a. gebruik gemaakt van diagnostische methoden als: familieconstellatie, plaats in de kinderrij, jeugdherinneringen en dromen.

Meer weten over Adlers psychologie en wat dit voor jou (en jouw praktijk) kan betekenen? Neem dan eens een kijkje op de volgende websites: www.Icassi.net (jaarlijkse internationale Summerschool voor iedereen die zich persoonlijk en professioneel wil verdiepen in Adlers theorie en methoden: de Individual Psychologie), www.individualpsychologie.nl (De Nederlandse Werkgemeenschap voor Individual Psychologie), www.centrumanimare.nl (praktijk voor individuele en relatietherapie van Pauline Hofstra, De Wijk), www.meermoed.nl (opleidingen, trainingen, lezingen, workshops, Wil en Renie Bahlmann, Assen), www.schoenakerinstituut.nl (opleidingen, trainingen, lezingen, workshops, Theo en Julitta Schoenaker, Marry en Jan Oostijen, Genemuiden).

Bronnen bij dit artikel: Zivit Abramson, Learning Couples, ASIIP, 2014; Jaap Bij de Vaate, Psychologie voor het dagelijks leven, Uitgeverij SWP, 2004; Eva Dreikurs-Ferguson, De theorie van Adler, Boeve boeken, 2013; Theo Schoenaker, Moed doet Goed, Uitgeverij Anode, 2000.

Pauline Hofstra is psycholoog bij Centrum Animare, De Wijk en bestuurslid van de Nederlandse Werkgemeenschap voor Indivual Psychologie (NWIP, www.indicidualpsychologie.nl). Daarnaast is ze docent/facultymember (voor youth) bij de internationale Summerschool Icassi (www.icassi.net).

Auteur

Redactie PSC magazine

Redactie PSC Magazine

Gepubliceerd op

20 augustus, 2026

Thema

PSC Magazine 2014

Deel dit artikel

Gerelateerde artikelen