Inhoudsopgave
Een persoonlijke ervaring
”Kom op Onno! Slaan, slaan, slaan! Nog 20 seconden, beuken!” Hier stond ik dan, vijf maanden na het overlijden van mijn geliefde moeder. In een sportzaal sloeg ik alles wat ik in mij had uit op een stootkussen. Iedere stoot die ik maakte, dreunde door mijn lijf en bij iedere stoot voelde ik de vermoeidheid en de pijn die ik als grote, stoere jongen had proberen weg te stoppen. Het werd mij deze donderdagavond dan ook te veel. Ik brak. Voor het eerst sinds maanden kon ik weer uiting geven aan de impact die het ziekbed en overlijden van mijn moeder, zowel mentaal als lichamelijk, op mij heeft gemaakt. Eindelijk leek het verdoofde gevoel dat ik had, het gevoel alsof ik droomde, opgeheven en ik voelde mijn verdriet. En nog verwonderlijker, ik voelde tussen alle zweetdruppels door ook tranen over mijn wangen rollen.
Op 12 augustus 2016 is mijn moeder overleden en in september van datzelfde jaar ben ik stage gaan lopen bij IKOS Training & Hulpverlening. Zij hebben een lichaamsgerichte methodiek ontwikkeld waarin zij de bokssport implementeren als middel binnen de hulpverlening. Mijn stagebegeleider René de Boer heeft mij de mogelijkheid gegeven om deel te nemen aan de 18+ groep. Het deelnemen aan deze groep was voor mij de uitgelezen kans om kennis te maken met de methodiek die boksen gebruikt als middel, maar tegelijkertijd was het een mogelijkheid om mijn verdriet te leren delen en vorm te geven aan mijn persoonlijke rouwproces. Mijn eigen ervaring met deze methodiek heeft geleid tot de vraag: wat maakt de inzet van de bokssport nodig voor jongens in de hulpverlening?
Het jongensprobleem
Zolang als ik mij kan herinneren heb ik het al moeilijk gevonden om emoties en gevoelens een naam te geven, laat staan de woorden te vinden om emoties te delen met anderen. Delfos (2004) stelt dat jongens gemiddeld minder talig zijn op gevoelsmatig gebied dan meiden. Jongens kunnen vaak niet zo goed hun gevoelens onderkennen en verwoorden als meiden. Volgens Ykema (2016) komt dit doordat de linkerhersenhelft bij jongens minder ontwikkeld is, en hierin bevinden zich de vermogens tot taal: spreken, luisteren, begrijpen en zelfreflectie (innerlijke taal). Doordat deze linkerhersenhelft minder ontwikkeld is, zijn jongens meestal minder sterk in zelfreflectie en in zelfonderzoek. Woltring (2003) stelt dat je taal nodig hebt om te kunnen reflecteren op je beweging, daarvoor is verbinding nodig tussen de linker- en rechterhersenhelft. Volgens Woltring (2003) ontwikkelen jongens taal het beste door te doen en door te bewegen.
Newsom, Congdon & Anthony (2015) belichtten in hun werk dat veel jongens de maatschappelijke druk voelen om een man te moeten zijn. En dat de maatschappij vraagt dat een man niet spreekt over zijn gevoelens. Verschoor (2013) schrijft in haar artikel over mannelijkheidscoderingen die in Nederland gelden. Dit zijn opvattingen en denkbeelden, die mannen tijdens hun socialisatie mee krijgen over wat gewenst en ongewenst gedrag is. Harthoorn en Weustink (2016) stellen dat mannen zich moeten bevrijden van het knellende en beperkende harnas dat mannelijkheid wordt genoemd om hun volledige menselijke potentieel te ontwikkelen. Het sociaalpsychologische aspect dat jongens mannelijkheid dienen na te streven, en het bio-psychologische aspect dat jongens minder talig zijn, maken volgens De Boer dat de geprotocolleerde hulpverlening minder aansluiting vindt bij jongens.
Boksen als uitlaatklep bij verdriet
Voor veel hulpverleners blijkt boksen een krachtige manier om opgekropte emoties te verwerken. Door fysiek te boksen komt spanning vrij die anders vastzit in het lichaam, en juist die combinatie van boksen en bewustwording maakt het zo effectief bij rouwverwerking.
Wil je meer lezen over de kracht van beweging bij verwerking? Bekijk ook ons artikel over leven met een ingrijpende ziekte, of lees meer over de effecten van boksen op mentale gezondheid bij de Nederlandse Boksbond.
Wat werkt voor jongens in de hulpverlening
Volgens Ykema (2005) zijn jongens over het algemeen energieker en beweeglijker dan meisjes en vinden zij het moeilijker om emoties en datgene wat hen beweegt, in woorden uit te drukken. De enorme bewegingslust van jongens wordt veroorzaakt door het hormoon testosteron, waar jongens negen keer meer van bezitten dan meisjes. Ykema (2005) stelt dat jongens communicatievaardigheden, waaronder de mogelijkheid tot zelfreflectie, opbouwen door middel van sport, spel en beweging. Dit is mogelijk door de fysiek-emotionele en de verbaal-emotionele ontwikkeling samen te laten komen in een psycho-fysieke methodiek. Tevens draagt sport bij aan het aanleren van gedrag dat in de sportsetting en in andere levensgebieden van positieve invloed is op de jongens. Sporten in de hulpverlening biedt de jongens namelijk een omgeving die de ontwikkeling van attitudes, waarden, motivatie en coping skills stimuleert (De Jong, Bosman & Bakker, 2003).
De Boer beaamt deze theorie vanuit zijn eigen ervaring in het sociale werkveld en daarom heeft hij een methodiek ontwikkeld die aansluiting vindt bij jongens tussen de 16 en 24 jaar. Deze methodiek integreert de bokssport in de hulpverlening om zo tegemoet te komen aan het mannelijke aspect en aan de behoefte tot bewegen bij jongens. De jongens (de cliënten) worden belemmerd in hun functioneren door emotionele problematiek die samenhangt met hun persoonlijke ontwikkeling en persoonlijkheidstrekken. Kenmerkend voor de deelnemende cliënten is dat zij moeilijkheden ondervinden in het praten over hun gevoelens. Het creëren van het gevecht door te boksen zorgt ervoor, dat emoties, gevoelens en gedachten intensief opgeroepen worden, wat leidt tot benoeming en uiteindelijk mogelijkheden biedt tot een gesprek hierover.
Het gevecht als middel
De deelnemers aan de groepstrainingen worden geholpen aan de hand van de lichaamsgerichte methodiek waarbinnen intensief gebruik wordt gemaakt van het ”gevecht” door te boksen. Steussy en Seegers (2013) kenmerken het gevecht als een direct te ervaren lichamelijke interactie tussen twee personen. Wat aan bod komt binnen deze methodiek zijn de lichamelijke, emotionele en mentale elementen die een rol spelen binnen de problemen (De Boer, 2010). Het gevecht staat voor het in gevecht zijn met deze drie elementen. Tijdens het boksen leren de jongens niet alleen fysiek te vechten, maar ook om de interne, emotionele en psychologische gevechten die zij meedragen, van zich af te zetten. Wat van belang is binnen deze methodiek is dat er niet gevochten wordt om het fysiek vechten, maar om door middel van het boksen leersituaties te creëren die je als deelnemer verder behoren te brengen en bewustwording en zelfreflectie stimuleren.
Psychomotorische therapie
De hoofdlijn die is uitgezet binnen de methodiek en waar invulling aan wordt gegeven door het boksen, sluit aan bij verschillende gebieden waarbinnen problemen van de jongens zich afspelen. De lichaamsgerichte methodiek heeft als doel een veranderingsproces in gang te zetten bij de cliënten die worden belemmerd in hun functioneren door emotionele problematiek. Om dit veranderingsproces in gang te zetten, spelen volgens Van Hattum en Hutschemaekers (2003) het ervaren en verwoorden van lichamelijke signalen en het kunnen uiten van lichamelijke gevoelens een belangrijke rol. Lichamelijke sensaties, impulsen, spanningen, lichaamshouding en motoriek geven inzicht in het lichamelijk beleven en handelen. Tijdens de lichamelijke beweging zullen er gevoelens ervaren worden die hun problemen zonder te spreken weten te raken. Zodra deze gevoelens bloot komen te liggen, kan er gevraagd worden naar deze gevoelens en kan het verband worden gelegd met de problemen van de cliënten.
De positie van jongens in het intermenselijke contact
Gedurende de trainingen worden er door middel van verschillende boksvormen conflictsituaties nagebootst, die een cliënt in een positie plaatsen waarin hij de kans krijgt om te voelen wat een conflict of confrontatie met hem doet en hoe zijn lichaam reageert. Hierbij wordt constant gereflecteerd met de cliënt op zijn gevoelens en wordt de link gelegd met de ”echte” wereld waarin wij als mensen voortdurend te maken hebben met conflicten en confrontaties. Ondanks de negatieve toon zijn confrontaties en conflicten verbindende situaties. De boosheid die gevoeld kan worden, maakt dat wij als mensen er iets mee willen doen (Steussy en Seegers, 2013). De meest gezonde manier om gevoelens te uiten en in contact te blijven met de ander is door binnen dit contact samen te werken aan een oplossing (Adler en Rodman, 2009). Een minder gezonde manier van omgang met deze gevoelens van boosheid is het wegstoppen en uit het contact met de ander stappen.
“Na het overlijden van mijn moeder spookten er veel gedachten door mijn hoofd en deze gingen altijd gepaard met emoties en gevoelens van ongeloof, machteloosheid, boosheid en onzekerheid. Het niet bespreekbaar kunnen maken van deze gedachten zorgden tezelfdertijd voor een onderdrukking van deze gevoelens. Zodra het overlijden van mijn moeder ter sprake kwam, leidde dit tot een conflict en ik reageerde boos en nukkig en rondde het gesprek meteen weer af. Ik stapte per direct uit het contact en vluchtte weg in sport of uitte mijn boosheid door ergens tegenaan te slaan.”
De vechtstijlen die jongens kunnen aannemen
Binnen de intermenselijke contacten hebben wij als individuen allemaal manieren van bewegen en hoe wij in het contact staan. Volgens Steussy en Seegers (2013) ontwikkelt ieder mens in zijn of haar leven een eigen vechtstijl. Deze vechtstijl gaat dienstdoen als een automatische verdediging in spanningsvolle situaties. Ondanks deze automatische verdediging hebben wij als mensen altijd de keuze over de manier waarop wij ons binnen een gevecht positioneren. Binnen de methodiek wordt er onderscheid gemaakt tussen bepaalde vechtstijlen: vechtstijl 1 (ontwijken van conflicten – te weinig aanval, te veel verdediging), vechtstijl 2 (ontkennen van het conflict), vechtstijl 3 (wedijveren, het conflict willen winnen – te veel aanval, te weinig verdediging) en vechtstijl 4 (forceren van de eigen oplossing voor het conflict). Deze vechtstijlen zijn ieder niet per definitie goed of fout, maar kunnen veelzeggend zijn over een persoon. Binnen de trainingen verkennen de jongens aan de hand van het boksen hun eigen vechtstijl. Dit is het beginpunt voor het veranderen van het eigen gedrag binnen conflicten en confrontaties in het intermenselijke contact.
“Het spreken over mijn moeders overlijden resulteerde in een conflict tussen mij en diegene met wie ik in het contact stond. Tijdens het boksen kwam dit naar voren in een gevecht met een van de trainers. Ik voelde mij tijdens het boksen aangevallen en geconfronteerd met mijn pijn en mijn verdriet. Er welde een woede in mij op, die voortkwam uit de gedachte dat ik door hard te vechten mijn moeders ziekte en overlijden kon wegstoppen of misschien zelfs kon ontkennen. Mijn eerste basale reactie was om hard terug te vechten en zelf een einde te maken aan dit conflict zodat ik er niet bij stil hoefde te staan. Mij werd duidelijk dat ik in dit conflict vechtstijl III aannam, dit conflict moest ik winnen. Voor mij heeft dit inzicht gegeven in mijn gedrag. Dit beginpunt, de herkenning en erkenning van mijn vechtstijl, heeft ertoe geleid dat ik in gesprek kon gaan over de gevoelens die leidden tot deze manier van vechten.”
Het aangeven van grenzen en de persoonlijke ruimte
Aangekomen bij deze fase van de methodiek werken cliënten met conflicten en confrontaties binnen de intermenselijke contacten. Ook ondervinden zij hoe ze reageren op conflicten en confrontaties; zij weten nu welke vechtstijl ze aannemen. De volgende fase van de methodiek staat in het teken van het aangeven van grenzen en van de persoonlijke ruimte. Wilken en Den Hollander (2012) concluderen dat ieder mens een eigen territorium, persoonlijke ruimte, heeft. Verstoring hiervan leidt tot verzet en verdediging, en deze kunnen wij zien als het ontstaan van conflicten en confrontaties. Deze fase van de methodiek is er niet op gericht om conflicten en confrontaties te voorkomen. Dit is volgens Ter Avest e.a. (2009) ook niet mogelijk, want daar waar mensen samenkomen, botsen belangen en overtuigingen. Anders geformuleerd, samen leven is samen botsen. Binnen dit onderdeel van de methodiek wordt door ieder persoon aan de hand van het boksen geëxploreerd hoe diegene zich binnen contactsituaties opstelt. Hierin worden drie verschillende contactsituaties onderscheiden: de cirkels van persoonlijke ruimte raken elkaar niet (geen contact en dus geen spanning), de cirkels overlappen elkaar (spanningsvelden overlappen: wat is van de een en wat van de ander?) en de cirkels raken elkaar op de grens (men is verbonden met elkaar met behoud van ieders integriteit; er is een gezonde spanning).
“Wij kregen als opdracht om twee minuten lang in de drie verschillende contactsituaties te boksen. Tijdens situatie 1 voelde ik mij op mijn gemak en was er eigenlijk niks aan de hand. In situatie 2 en heel verrassend situatie 3 voelde ik mij vanaf het moment dat de hoepels over elkaar heen lagen, of tegen elkaar aan, aangevallen in mijn persoonlijke ruimte. Ik wou mijn tegenstander weghebben uit mijn hoepel en er ver bij vandaan houden. Ik wilde direct uit het contact met de ander treden. Ik deed dit door ongecontroleerd te slaan, bijna furieus. Ik nam vechtstijl IV aan en ik wilde mijn oplossing forceren, namelijk het wegslaan van mijn tegenstander. Deze situatie en uitkomst waren erg typerend voor het emotionele en psychologische gevecht dat ik vocht in die tijd. Ik voelde mij met het verlies van mijn moeder alleen, ik moest dit verlies alleen dragen en iedere bemoeienis of handreiking was ongewenst. Dankzij deze beleving en gewaarwording die ik doormaakte tijdens het boksen, kon ik in gesprek gaan met de therapeuten over wat er in mij omging en dit was een enorme opluchting. Dit heeft geleid tot een jongvolwassen man die nu kan praten over zijn gevoelens, emoties, gedachten en specifiek over het overlijden van zijn moeder.”
Afsluitend
IKOS Training & Hulpverlening speelt door deze methodiek zowel op de bio-psychologische aspecten als op de sociaalpsychologische aspecten van jongens in. Zij brengen door het implementeren van de bokssport in de hulpverlening een mannelijk aspect aan. Zo breken zij met de mannelijkheidscodering en geven zij jongens de ruimte om te spreken over emoties en gevoelens.
Mijn streven is om aan de hand van dit artikel meer bekendheid te geven aan deze onbekende, maar veelbelovende methodiek. Boodschap aan alle maatschappelijk werkers in het werkveld, weet dat deze methode aansluit bij jongens die moeite ervaren in het bespreken van gevoelens en hierdoor problemen ervaren met zichzelf en problemen in het contact met anderen. Verwijs deze jongens door naar instellingen die boksen toepassen in de hulpverlening. Want de lichaamsgerichte methodiek waarin wordt gebokst, die werkt!
Voor het volledige artikel en de literatuurlijst verwijzen we naar: http://www.ikwilverder.nl/actueel/331-boksen-in-de-hulpverlening

