Bestaat er een onbewuste?
Boekfragment uit: Word wat je bent, Alan Watts, www.samsarabooks.com
Wanneer we zeggen dat de voornaamste bijdrage van de hedendaagse psychologie aan de kennis van de mens het idee van de onbewuste geest is, moeten we voorzichtig zijn met onze woorden. Want het idee ‘onbewuste’ is zeker geen onderdeel van alle hedendaagse psychologie, en de richtingen waarvan het wel een onderdeel is, hebben enigszins verschillende opvattingen over het onderwerp.
Het idee wordt voornamelijk geassocieerd met de namen Freud, Jung en Adler, maar er is niet één naam die hun drie richtingen dekt. Freuds systeem is de psychoanalyse; dat van Jung is analytische psychologie; dat van Adler is individuele psychologie. Maar er is eigenlijk geen reden waarom we ze niet allemaal psychoanalyse zouden kunnen noemen, want als we ze, zoals vaak gedaan wordt, samenvoegen onder het begrip ‘hedendaagse psychologie’ vallen daar meteen belangrijke systemen als ‘gestalt’ onder, waarin het idee van het onbewuste geen rol speelt. In de populaire opvatting leert de psychoanalyse dat de mens een onbewuste geest heeft; dit is strikt genomen niet waar, want het onbewuste dient niet begrepen te worden als een eenheid of een mentaal organisme dat een omschreven plaats en identiteit heeft. Er is geen feitelijke scheiding tussen het onbewuste en de rest van het menselijke organisme, want het staat in ongeveer dezelfde relatie tot de geest als waarin de klieren, de lever, de nieren, enzovoort, tot het lichaam staan: ze maken een wezenlijk deel uit van het lichaam, maar we zijn ons er gewoonlijk niet van bewust. Het enige verschil is dat het onbewuste geen vastomlijnde grenzen heeft. Het bestaat eerder uit de toestand waarin je je niet gewaar bent van verlangens, impulsen, neigingen, reacties en fantasieën in je mentale en emotionele make-up. Het heeft zijn fysieke evenbeeld in de toestand dat je je onbewust bent van verschillende fysieke organen en processen.
Er wordt echter weinig of geen melding gemaakt van het onbewuste in de bestaande religieuze, mystieke en occulte filosofieën. Veel geïnteresseerden in deze materie staat het idee zelfs tegen, en Freud, de vader van de psychoanalyse, heeft men nooit vergeven dat hij religie voor een neurose hield. De meerderheid van gelovige mensen, of ze nu orthodox of vrijzinnig van overtuiging zijn, beschouwt in feite de psychoanalyse in al haar vormen als een nieuwlichterswetenschap, die openlijk tot doel heeft alle nobele impulsen van de mens belachelijk te maken door ze aan onderdrukte seksualiteit toe te schrijven. Vaak is de verachting die voor de psychoanalyse ten toon wordt gespreid, wel verdiend, maar dat zou ons niet blind moeten maken voor een zekere hoeveelheid goud tussen het stof.
De moeilijkheid met deze nieuwe wetenschap zit hem niet zozeer in de psychoanalyse als wel in de psychoanalytici. We zouden de professor kunnen noemen die hoofd is van een zekere bekende kliniek, die zijn leven wijdt aan het bestuderen van inktvlektesten. Men verzoekt de patiënt een klodder inkt op een stuk papier te laten vallen en vraagt hem plotseling waar die volgens hem op lijkt. Een beetje in de war gebracht en met gevoel voor humor grijnst de patiënt meestal en zegt iets als: ‘O, misschien een olifant met wratten?’, waarop de professor afwezig begint te kijken en mompelt: ‘Heel significant. Zeer interessant. Een olifant, ja. Met wratten. Buitengemeen interessant.’ Dit geval is niet ongebruikelijk, want met het vreemde gedrag van psychoanalytici en psychiaters zou je boeken kunnen vullen. Ik heb afgestudeerde medische doctorandussen het geval van een jongetje horen bespreken wiens neiging tot bedwateren ongetwijfeld te wijten was aan zijn onbewuste identificatie met Jupiter Pluvius, de regengod. Nog meer zegt het bijeenkomen van dokters en patiënten in zomercursussen, waar mensen je bij je hand pakken, in je ogen kijken en je vragen of je een extravert of een introvert bent. Dergelijke vormen van psychologie hebben in razend tempo alle symptomen van een excentrieke godsdienst aangenomen. Maar zoals er in de mystiek en het occultisme behalve oprechte studenten ook debielen en charlatans zijn, heeft ook de psychologie haar hoogte- en dieptepunten, zowel wat betreft haar ideeën, als haar beoefenaars. Ze kent ook dezelfde interne conflicten, dezelfde onverdraagzaamheid, hetzelfde dogmatisme, dezelfde persoonsverheerlijking, maar men kon nauwelijks anders verwachten; de wederzijdse verachting tussen godsdienst en psychologie is een kwestie van de pot die de ketel verwijt dat hij zwart is.
Ondanks alles heeft de psychoanalyse echter een uitgesproken en waardevolle bijdrage te bieden aan wie in onze tijd godsdiensten bestudeert. Ik zeg ‘in onze tijd’, want de psychoanalyse is in wezen een hedendaagse remedie voor een hedendaagse kwaal; zij bestaat voor die periode in de mensgeschiedenis, waarvoor het onbewuste een probleem vormt; en het is een probleem sinds de mens zich begon in te beelden dat al zijn moeilijkheden van ziel en leefomgeving alleen met de kracht van de menselijke rede opgelost zouden kunnen worden. De oude wegen van mystiek en occultisme losten het probleem van het onbewuste op vanaf het begin, nog voor het een probleem werd, want hun eerste eis was dat de mens zichzelf moest kennen. Waarop hij heel snel merkte dat de enorme, brute krachten van de natuur hun tegenhangers hadden in zijn ziel, dat zijn wezen niet een eenvoudige eenheid was, maar een pantheon van goden en demonen. Alle goden van de oude geloofsstelsels waren bij de ingewijden zelfs bekend als de bewoners, niet van de Olympus, maar van de menselijke ziel. Ze waren niet louter voortbrengselen van de menselijke fantasie, net zomin als zijn hart, longen en maag. Integendeel, het waren zeer reële krachten die zowel hoorden bij de natuur (de macrokosmos) als bij de mens (de microkosmos). Occultisme was daarom de kunst om met je goden en demonen te leven, en je moest weten hoe je in jezelf met hen moest omgaan, voordat je je in de kosmos met hen kon verstaan. De ouden begrepen de wetten waaraan de mens zich moest houden om met hen te leven, hoe door liefde de goden je vrienden werden en de demonen je dienaars. Bij elk inwijdingsritueel was het noodzakelijk door dat dal van de schaduw te gaan waar de neofiet de Bewaker van de Ingang ontmoet en al die verschrikkelijke krachten van de ziel. Maar het ritueel kon alleen succes hebben als hij ze met liefde tegemoet trad en hen herkende als manifestaties van dezelfde goddelijkheid als waar zijn eigen ware zelf uit bestond. Door deze liefde verbrak hij hun betovering en werd hij een echte ingewijde.
Alan Watts (1915 – 1973) was een Engels filosoof, schrijver en spreker. Hij is met name bekend geworden als een van de pioniers die de oosterse filosofie bij een breed westers publiek bekend heeft gemaakt. Dertig jaar na zijn dood heeft zijn zoon Mark deze bijzondere verzameling teksten samengesteld, waarvan de meeste nog niet eerder in boekvorm zijn verschenen. In dit boek voert hij de lezer, in twintig hoofdstukken, langs tal van religieuze stromingen en religies zoals het taoïsme, boeddhisme, zenboeddhisme, christendom en hindoeïsme. Daarnaast bevat de bundel teksten over psychologie en psychotherapie, waarin Watts zich afvraagt of het begrip ‘het onbewuste’ wel bestaat.

