Psychologie en spiritualiteit, een relatie?
Is spiritualiteit echt zo zweverig als velen onder ons denken, of zijn er spirituele visies die juist heel nauw aansluiten bij de psychologie? In de humanistische psychologie spreekt Abraham Maslow van de behoefte aan zelfrealisatie, die ontstaat als aan andere, meer basale behoeften, is voldaan. Waar hebben we het dan over?
Lenie van Schie is psycholoog, spiritueel coach, lichaamsgericht therapeut en auteur. In dit artikel is ze aan het woord en laat ze het verband zien tussen psychologie en spiritualiteit. Hiervoor gebruikt ze citaten uit haar recent verschenen boek Langs de weg van het hart.
Groei en ontwikkeling
In de humanistische psychologie gaat het over de behoefte van ons mensen om te groeien, ons te ontwikkelen. Sterker: wij zouden onszelf willen ‘realiseren’. Ik maakte kennis met deze stroming tijdens mijn doctoraalprogramma in 1970 en was direct geraakt. Deze benadering vond ik terug in de lichaamsgerichte psychologie; ik volgde er een opleiding.
Toen ik halverwege de jaren negentig aan mijn eerste boek werkte en zocht naar een manier om die groei en ontwikkeling, zoals beschreven in het lichaamsgerichte werk, te verbinden met andere psychologische theorieën, ervoer ik deze vooral afstandelijk; hun begrippen bleven voor mij zweven. Het was het werk van A.H. Almaas, grondlegger van de Diamantbenadering, die voor mij de basis legde onder de psychologische benaderingen, en die ging over onze spirituele oorsprong. Ik pas die uitgangspunten toe in mijn praktijk en schreef er een nieuw boek over. Groei en ontwikkeling, ze beginnen bij het begrip ‘ziel’.
Psyche en ziel
Psychologie is afgeleid van het woord psyche, Grieks voor ziel, en in woorden als ‘bezieling’ en ‘de ziel is eruit’, kunnen we enige notie krijgen van wat ziel is: iets dat ons motiveert, ons in beweging zet, ons warm doet lopen. In de Diamantbenadering is de ziel ons individuele bewustzijn:
“Het is de ziel die gewaarwordt, die voelt, ziet, beleeft, kent. Dat bewustzijn is onderhevig aan veranderingen: ervaringen leiden tot gevoelens, gedachten, inzichten, tot nieuwe ervaringen die weer leiden tot gevoelens… Hier is continu een beweging gaande, die ons bewustzijn beïnvloedt en verandert.” (p.72)
“Onze ziel wil ontdekken, leren, wil de wereld kennen. Ze doet dat door met onze ervaringen samen te vallen. Ze proeft, voelt, ruikt, tast. We zien die gretigheid – die oneindige nieuwsgierigheid – onbelemmerd aanwezig in een jong kind. Via onze zintuigen neemt de ziel alles in zich op wat zich aandient, en dat doet ze ook met meningen, standpunten, met gedachten en inzichten. ‘Werken aan onszelf’, een term die nogal eens gebezigd wordt, betekent ‘werken aan de ziel’. Als we spreken over zelfrealisatie, dan gaat het om de realisatie van het potentieel dat in onze ziel aanwezig is.” (p. 76)
De ontwikkeling van de ego-persoonlijkheid
Al ‘werkend aan onszelf’ ontstaat er in dat veld van de ziel, in dat veld van bewustzijn, een zekere notie van wie wij zijn ten opzichte van onze omgeving. Er ontstaat een persoonlijkheid.
“De term ‘persoon’ komt van persona, een Latijns woord en begrip uit de theaterwereld dat ‘masker’ betekent. Is onze persoonlijkheid alleen een masker? Als we kijken naar de manier waarop de ziel haar ervaringen opdoet, dan is de persoonlijkheid meer dan een masker. De persoonlijkheid vormt zich door ervaringen die we opdoen in wisselwerking met onze omgeving en die ontwikkeling is een stapsgewijs proces. Vanaf onze geboorte groeit ons vermogen tot gewaarzijn en ontwikkelen onze lichamelijke capaciteiten zich. We gaan meer nuances voelen en onze verstandelijke vermogens nemen toe. In dit hele proces vormt zich ons bewustzijn. Essentie draagt bij aan deze ontwikkeling. Specifieke kwaliteiten spelen in de vroege ontwikkelingsfasen een belangrijke rol.” (p.79)
Kwaliteiten van essentie
‘Essentie’ of ‘Zijn’ is voor ons meestal iets wat geen rol speelt in het dagelijks leven, iets wat ver weg is, boven ons of in de Andere Dimensie. Het voelt vaag en ongrijpbaar. We zijn tijdens onze reis op Aarde vaak afgescheiden geraakt van wat ook wel de ‘Universele Grond’ of de ‘Bron’ wordt genoemd. Maar Essentie is hier, ze is dicht bij ons, leeft in ons. Zonder die Universele Grond zouden we niet bestaan.
“Een van de manieren om Essentie te ontmoeten is in haar specifieke kwaliteiten. Meestal ervaren we deze kwaliteiten als gevoelens, maar ze zijn meer: ze geven je een dieper besef van Zijn als je ze gaat herkennen.” (p.48-49)
Verschillende kwaliteiten van Essentie zijn aanwezig gedurende de eerste levensjaren, die periode waarin onze persoonlijkheid zijn eerste vorm krijgt.
“Dat wat we de ego-persoonlijkheid zijn gaan noemen, ontstaat in de eerste vijf à zes levensjaren. In deze jaren groeit de pasgeborene uit tot een uniek individu dat zichzelf kent als een entiteit, een op zichzelf staand persoon met een specifieke identiteit die we het ego-zelf noemen. Dit is de eerste ontdekkingsreis van de ziel op aarde, die begint in een staat van Eenheid.”
“Net na de geboorte is er eigenlijk nog niet zoiets als een ‘kind’. Er is ziel, puur open gewaarzijn, en er is lichamelijkheid. […] De pasgeborene verkeert in een staat van Eenheid met alles om zich heen, een staat waarin alles Liefde is. Deze Liefde heeft iets zachts en zoets en is versmeltend. Het is een veld waarin de pasgeborene geheel versmolten is met de ander, vaak de moeder.” (p.80)
Versmeltende liefde, Merging Love, is de eerste specifieke kwaliteit van Essentie die zich manifesteert in dit proces van groei en ontwikkeling. Als de eerste separatie tussen moeder en kind ontstaat, manifesteert zich de essentiële kwaliteit Kracht. En als het kind, na dat alsmaar oefenen, van kruipen tot staan komt en we zijn triomf zien, zoals Margaret Mahler dat beschrijft, ervaart het kind zichzelf als een Ik, een Ik Ben.
“Vol vertrouwen en geheel vervuld van zichzelf, van de eigen ontwikkeling, treedt dit jonge mensje de wereld tegemoet. Het ‘kan’ en ‘is’. Hier valt het kind samen met het Essentiële Zelf, het Wezenlijke Ik. Ze is hier ongevoelig voor wat de buitenwereld wel of niet met haar doet. Ze leeft in haar eigen bubbel.” (p.82)
Het essentiële zelf
Het essentiële zelf is in verschillende spirituele tradities beschreven als het authentieke ik. Het komt deels overeen met de zelf-theorie van Heinz Kohut, die hier een link legt met het narcisme. Mahler noemt deze ontwikkelingsfase de narcistische fase.
Almaas spreekt van een eerste moment van zelfrealisatie: het kind valt, zonder dat het zich daarvan bewust is, samen met dat authentieke ik. We hoeven kinderen op die leeftijd maar te observeren en we zien hun onbevangenheid en spontaneïteit. Dit zelf is het onverwoestbare, centrale deel in de ziel.
“De ziel kenmerkt zich door een open, voortdurend veranderend veld én een tijdloos, onverwoestbaar Ik. Het onverwoestbare Ik kunnen we ons voorstellen als het centrum van een mandala. De mandala zelf is een open veld van gewaarzijn. Samen vormen ze het BewustZijn.” (p.72-73)
Dat authentieke zelf wordt gedurende de ontwikkeling van de persoonlijkheid als het ware aangekleed en bedekt met aannames over wie en wat je bent, aannames die ontstaan in relatie tot de omgeving.
Invloed van de cultuur
“Als we geboren worden, landen we op Aarde. Maar wat voor Aarde is dat? De grond waarop we geboren worden is geen lege, vrije ruimte. Die is ingevuld, bepaald door de specifieke cultuur van de tijd en van ons geboorteland. We komen terecht in een gezin, met ouders die hun eigen motieven en achtergrond hebben. We zijn de eerste in een rij van kinderen, de laatste of het enige kind. Ons bewustzijn van onszelf en de wereld vormt zich in die specifieke omgeving, en onze blik op onszelf en op de wereld wordt bepaald door de blik van onze ouders of opvoeders. Zo ‘worden we iemand’, ontwikkelen we een persoonlijkheid. Wat voor iemand is dat? Is hier nog iets aanwezig wat helemaal van onszelf is? Dat is zeker het geval! We hoeven maar om ons heen te kijken: er is geen mens, geen kind hetzelfde. Onze uniciteit, wie en wat we in wezen zijn, is er nog steeds. Ze wordt hier gegoten in een zekere vorm, die we ‘persoonlijkheid’ noemen. Deze ontwikkeling speelt zich grotendeels af in de eerste vijf à zes levensjaren. In deze periode vindt een bijzonder proces plaats, dat we in dit hoofdstuk en in het volgende nader zullen onderzoeken.
Wat betekent de persoonlijkheid voor ons? Ze geeft ons de mogelijkheid om in de wereld te functioneren en om er relaties aan te gaan. We leren en studeren, ontwikkelen ons, we sluiten vriendschap, wisselen ervaringen uit, delen de liefde, bouwen een gezin op, een mooie carrière. Het leven biedt ons tal van mogelijkheden.
De persoonlijkheid heeft ook beperkingen. Dit leven is zo gericht op de uiterlijke werkelijkheid, dat de vraag opkomt die Peggy Lee in 1969 al stelde in haar lied dat ik aan het begin van dit deel citeerde: ‘Is that all there is…?’ Want alles waar we ons in dit leven op richten is vergankelijk, tijdelijk. Zijn we alleen onze persoonlijkheid, of zijn we meer? Het antwoord op deze vraag lijkt te zijn: ja, wij zijn meer. We móéten meer zijn, toch? In ons is iets werkzaam dat we Zijn kunnen noemen of Universele Grond. Dat brengt ons bij de vraag: Wie ben ik eigenlijk?” (p.45-46)
Zelfbeelden
“De ego-persoonlijkheid is opgebouwd uit beelden. Laten we even teruggaan naar de narcistische fase, waarin het kind ontdekt: ‘Ik Ben.’ Hier wordt het Essentiële Zelf wakker. Het kind in deze fase is dat Zelf. Er is een vanzelfsprekend Zijn en het kind valt daar als vanzelfsprekend mee samen. We zien hier Essentie in actie. Dat maakt ook dat we zo geraakt zijn als we kinderen van die leeftijd observeren. Maar het kind ‘kent’ zichzelf niet als zodanig. Het is zich niet bewust van dit Zelf. Het leert zichzelf kennen in de manier waarop het gespiegeld wordt door de ander – moeder, vader, leeftijdgenoten, meesters en juffen. Hoe het kind zichzelf leert kennen is dus voor een groot deel afhankelijk van de manier waarop anderen, met name de ouders, naar haar kijken. De feedback die we als kind van de mensen uit onze omgeving ontvangen, lezen we als informatie over hoe wij zijn. Een kind kan nog niet zien dat hier sprake is van een specifiek perspectief van de ouder. In die zin is het kind afhankelijk van het bewustzijn van degenen in wier spiegel het kijkt.” (p.85-86)
“Zelfbeelden geven weer wie wij denken te zijn. Ze worden grotendeels bepaald door onze relatie met de omgeving, met het andere dat buiten ons is. Dat weten we inmiddels: het zijn die befaamde objectrelaties. We ‘weten’ dat we onze zelfbeelden niet zijn, maar we zijn er vaak zo mee vergroeid, dat we niet beseffen hoe groot de impact daarvan is. Een zelfbeeld zit niet alleen als een beeld in ons hoofd; het zit in ons lijf, in onze gevoelens over onszelf en anderen, in onze overtuigingen. Zelfbeelden vormen onze identiteit. We hebben er jaren aan gewerkt, jaren in die beelden van onszelf geïnvesteerd. En ze hebben een functie: ze bieden ons veiligheid, stevigheid en stabiliteit. Ze bepalen onze plek in de wereld, in de rangorde, en ons gevoel van eigenwaarde. We denken niet alleen dat we zo zijn; we geloven dat het waar is. En we moeten ons zelfbeeld hooghouden, want wie zijn we anders nog?” (p. 190)
“Ik vermoed dat zeker tachtig procent van de mensen lijdt onder een negatief zelfbeeld dat op allerlei manieren moet worden opgepoetst. Dat betekent dat we er – met alle kracht die in ons is – een positief zelfbeeld tegenover proberen te stellen. Een beeld waarin wij de beste zijn, iemand die altijd wint, een van de mooisten, intelligentsten, stoersten, slimsten, of handigsten. Een negatief zelfbeeld, daar willen we niet aan. Toch is dat wat hier gevraagd wordt: de negatieve beelden van onszelf te onderzoeken: de zelfbeelden die de kern van de persoonlijkheid gaan uitmaken.” (p.191)
Een veranderende tijd
In een snel veranderende tijd ontstaat er een grote druk op de aangeleerde zelfbeelden, op het lang niet altijd functionele gedrag; de onzekerheid neemt toe, verdrongen gevoelens manifesteren zich. Dat is het krachtenveld waar wij als hulpverleners in functioneren. We zijn nu niet gebaat met classificaties van ziektebeelden. Wat we nodig hebben is een heldere visie op de potentie van ons mensen tot groei en ontwikkeling. Uiteindelijk zijn wij het zelf die de toekomst vormgeven.
Alle schuingedrukte tekst is te lezen in: Langs de weg van het hart, Samsara, 2021. De paginanummers verwijzen naar de betreffende passages in het boek.

