Op weg naar een gezonde stofwisseling gaat dit boek van de Duitse gezondheidstherapeut Lothar Ursinus, die voedingsadvies baseert op bloedgroepen en persoonlijke stofwisselingstypen.
Door Lothar Ursinus
Gezond en actief worden. Dat is het doel van het stofwisselingsprogramma dat de Duitse gezondheidstherapeut Lothar Ursinus ontwikkelde na jarenlang onderzoek en interpretatie van vitale bloedwaarden en stofwisselingsanalyse. Zijn programma vormt ook de basis van dit boek. Daarin legt hij uit dat we voor een goed voedingsadvies moeten uitgaan van het individu. Doorgaans denken we vanuit voedingsmiddelen. Ieders stofwisseling is anders en ieder mens heeft een andere behoefte. Er bestaat volgens hem dan ook geen enkel voedingspatroon dat voor iedereen geschikt is. Hij onderbouwt dit met verschillende voorbeelden. Zo wordt voeding ingedeeld in zuur en basisch, maar wat iemand eet, kan bij de een zuur en bij de ander basisch uitwerken. Ook gaat ieders lichaam anders om met vitaminen, mineralen en sporenelementen. Dat heeft onder andere te maken met de darmflora die eveneens van mens tot mens verschilt en essentiële invloed heeft op hoe wij ons eten verwerken.
Om erachter kan komen wat iemands persoonlijke voedingsbehoeften zijn, adviseert Ursinus om uit te gaan van bloedgroepen. Hij heeft daarvoor een overzicht opgenomen van zes bloedgroepen (OO, AA, BB, AB, AO, BO) en de bijbehorende stofwisselingstypen. Hij stelt onder andere dat mensen met bloedgroep O en B meer enzymen hebben voor eiwitsplitsing dan A en AB. Over tarwe schrijft hij dat dit graan een lastige is voor alle stofwisselingstypen. In een staatje geeft hij weer welke graansoorten bij welke groep passen. Dit verhaal roept overigens de vraag op of je nog wel van ‘individueel’ kan spreken als je uitgaat van bloedgroepen. Die vraag is niet alleen retorisch: een grootschalige studie van de Universiteit van Toronto vond geen enkel bewijs dat het bloedgroepdieet daadwerkelijk verband houdt met de gezondheidseffecten die ervoor worden geclaimd. De onderzoekers concludeerden dat het niet de bloedgroep is die bepaalt hoe iemand op een dieet reageert, maar vooral de mate waarin iemand zich aan een verstandig voedingspatroon weet te houden.
Het boek bevat veel informatie die aansluit of zou kunnen aansluiten op de orthomoleculaire voedingsleer zoals we die in onze branche kennen. Zo is hij een voorstander van intermitterend vasten en zegt hij dat de kwaliteit van dierlijke eiwitten afhankelijk is van wat dieren zelf hebben gegeten en hoe met ze is omgegaan. Daarnaast doet Ursinus echter opmerkelijke uitspraken waaruit je tegelijkertijd kan opmaken dat zijn visie op sommige punten flink verschilt. Bijvoorbeeld dat vitamine D een van de stoffen is die het mineralisatieproces versterken waardoor botten minder elastisch worden en sneller kunnen breken. Ook veegt hij de vloer aan met de trend dat ‘volkoren’ gezond is. Hij zegt hierover dat duizenden jaren lang de vezelige bestanddelen van tarwe en andere graansoorten er bij het malen uit gezeefd werden. En niet voor niets. Door dat te doen werd het meel juist gemakkelijker te verteren. Eenzelfde principe geldt voor zilvervliesrijst. Het vliesje daarvan bevat lectine, een antinutriënt, dat daarom met recht vaak wordt verwijderd.
Lothar Ursinus schreef verschillende boeken die in het Nederlands zijn vertaald. Het is duidelijk dat hij een geheel eigen visie heeft op diverse aspecten van ons vakgebied. Los van of je het op sommige punten wel of niet met hem eens bent, het is altijd de moeite waard om af en toe vanuit andere invalshoeken naar je vak te kijken om een frisse blik te blijven houden.
Uitgeverij Akasha, ISBN 9789460152115
Een gezonde stofwisseling: individueel maatwerk of niet?
De kern van dit boek, dat een gezonde stofwisseling draait om individueel maatwerk, is op zichzelf een gedachte die goed aansluit bij de orthomoleculaire voedingsleer. Toch laat de kritiek op het bloedgroepdieet zien dat ‘individueel’ bij Ursinus vooral wordt ingevuld met een vaste indeling in zes categorieën, in plaats van met werkelijk persoonlijk maatwerk op basis van bijvoorbeeld bloedwaarden, darmflora-onderzoek of klachtenpatroon. Voor lezers die op zoek zijn naar een gezonde stofwisseling op basis van harde metingen in plaats van bloedgroep, blijft aanvullend onderzoek dus de moeite waard.
Wat het boek wel waardevol maakt, is dat het uitnodigt om aannames binnen de eigen praktijk kritisch te blijven bekijken. Ursinus stelt bijvoorbeeld vragen bij de gedachte dat volkoren producten voor iedereen gezonder zijn, en bij het idee dat vitamine D zonder meer goed is voor de botten. Of je het nu met hem eens bent of niet, dat soort prikkelende stellingen dwingt behandelaars om hun eigen kennis over een gezonde stofwisseling scherp te houden. Wie meer wil lezen over voeding en stofwisseling vanuit verschillende invalshoeken, vindt op Curova meer achtergrondartikelen over dit onderwerp.
Kortom, wie op zoek is naar een pasklaar antwoord voor een gezonde stofwisseling, zal in dit boek deels bediend worden, maar doet er goed aan de bloedgroep-indeling met een korrel zout te nemen en de wetenschappelijke onderbouwing zelf verder te onderzoeken.
Voor therapeuten die cliënten begeleiden richting een gezonde stofwisseling, blijft het belangrijk om verschillende bronnen naast elkaar te leggen. Het boek van Ursinus kan dienen als denkoefening en gespreksstof, maar de wetenschappelijke onderbouwing voor een gezonde stofwisseling op basis van bloedgroep is dun. Wie zijn of haar advies over een gezonde stofwisseling wil baseren op metingen in plaats van op een vaste indeling, doet er goed aan aanvullende diagnostiek te overwegen, zoals bloedonderzoek of een uitgebreide voedingsanamnese.



