Praten over eetstoornissen. De belangrijkste do’s & don’ts voor de omgeving

Charlie Paludanus zet de belangrijkste do's en don'ts op een rijtje voor wie in gesprek gaat met iemand met een eetstoornis.

Praten over een eetstoornis is mega ingewikkeld. Als je zelf een eetstoornis hebt, maar ook voor de omgeving. Toch helpt praten over het probleem bij het herstellen van een eetstoornis. Hoe kun je als coach of therapeut de helpende hand reiken en welke tips kun je meegeven voor ouders, vrienden, familie? Ik zet de belangrijkste do’s en don’ts op een rijtje.

5 Don'ts: Wat kan je omgeving beter niet doen of vragen?

1. Zeggen: ‘Ach, iedereen heeft weleens een eetbui.’
Ondanks dat dit soort opmerkingen natuurlijk goed bedoeld zijn (je wilt immers dat de ander zich niet zo lullig voelt over die eetbui), toch valt dit in de categorie bagatelliseren. Je zegt eigenlijk dat de ander geen (groot) probleem heeft. Hierdoor voel je je met je eetbui niet serieus genomen. Voor jou is het immers een levensgroot, werkelijk probleem.

2. Zeggen: ‘Je moet gewoon normaal gaan eten.’
Deze opmerking wordt veel gemaakt. Tja, dat wil je zelf natuurlijk ook, maar het lukt je niet. Door zo’n opmerking besef je maar al te goed dat de ander jou niet begrijpt en ook geen idee heeft hoe groot het probleem eigenlijk is. Je kunt er eigenlijk geen kant mee op.

3. Vragen: ‘Wat heb je dan precies allemaal gegeten?’
Heb je net, ondanks je eigen schaamte en teleurstelling, al je moed verzameld en je partner verteld over je zoveelste eetbui, vraagt ‘ie: ‘Wat heb je dan precies allemaal gegeten?’ Ja, dat is wel een interessevraag, maar wel eentje in de categorie dat je je nog een grotere ‘loser’ voelt dan je je al voelde. Het wrijft alleen maar zout in de wond. Grote kans dat direct je luiken dichtgaan en je spijt hebt dat je ooit wat hebt gezegd. Volgende keer verzwijg je die eetbui wel. Het gaat immers niet om wat je precies hebt gegeten, maar om wat eronder schuilgaat.

4. Er bovenop gaan zitten
Als je eenmaal weet dat je vriend(in), partner, kind of cliënt een eetstoornis heeft, ga je bijna als vanzelf op alles letten. Vanuit het helperssyndroom. En zo kan het zomaar gebeuren dat mensen die weten dat je een eetstoornis hebt, continu vragen of je niet meer moet eten of juist wat minder. Dat ze je eten gaan opdringen of het juist bij je weghouden. Dat ze je in de gaten houden bij het eten, boodschappen doen of zelfs met je meelopen als je naar toilet of badkamer gaat (omdat ze bang zijn dat je gaat braken). Lief bedoeld allemaal, maar zo verstikkend! Je zou van de weeromstuit al geen honger meer hebben of juist een eetbui krijgen. En dat is natuurlijk niet zoals het bedoeld was.

5. Boos worden of zeggen dat je de ander niet meer vertrouwt.
Reken maar dat samenleven met iemand met een eetstoornis ingewikkeld is. Je ziet dat degene van wie je houdt, niet gelukkig is, blijft aankomen of juist afvalt, niet altijd eerlijk is of destructieve dingen doet. Keer op keer. Ik kan me de frustratie en machteloosheid goed voorstellen. Toch is boos worden of zeggen dat je de ander niet meer vertrouwt, niet de oplossing. Een eetstoornis heb je immers niet expres. Het is een stoornis waarvan je moeilijk af kunt komen, net als bij een verslaving. Je wilt wel anders, maar soms is de ‘eetstoornis’ sterker dan je zelf bent. En dat is frustrerend voor alle partijen.
Herstellen van een eetstoornis gaat met vallen en opstaan. Zie het als een kind dat leert lopen. Daar word je ook niet boos op als dit een keertje valt (hoop ik). Nee, die moedig je aan om weer op te staan en het nog een keer te proberen.

5 Do's: Welke reacties of vragen helpen wel?

1. Toon begrip
Toon allereerst begrip als je merkt of hoort dat je cliënt, vriend(in), partner of kind de mist is ingegaan. Door bijvoorbeeld heel simpel te zeggen: ‘Wat rot voor je.’ Of naar, vervelend, balen of welk ander woord dan ook bij jullie past. Meer hoeft niet. Blijf ademen en laat alle andere opmerkingen, oordelen, meningen of adviezen achterwege. Je hoeft er alleen maar te zijn op dit moment en mee te leven met de ander. Meer is er op dit moment ook niet mogelijk, want de ander zit waarschijnlijk helemaal in zijn/haar eigen frustratie, boosheid, schaamte, verdriet of paniek.

2. Laat stoom afblazen
Zoals ik al aangaf, gaat zo’n misser, vaak gepaard met de nodige emoties. Zolang deze er nog zitten, is er eigenlijk geen zinnig gesprek te voeren. Probeer het dus maar niet eens. Eerst moeten die emoties en frustraties afvloeien.
Heb je begrip getoond, dan gaat dat stoom afblazen vaak vanzelf. Expressief in de vorm van bijvoorbeeld geëmotioneerd vertellen, huilen, stampvoeten, met dingen smijten of explosief dingen gaan opruimen. Het kan ook zijn dat iemand helemaal in zichzelf keert, onder de douche wil, opgekruld onder een dekentje op de bank wil kruipen of even alleen wil zijn. Of juist in jouw armen tot rust wil komen.
Bied gerust jouw open armen aan als je dat zo voelt of stel voor om samen een blokje om te gaan lopen. Hoe het zich ook uit, laat het gaan en luister-luister-luister. Totdat de emoties tot bedaren zijn gekomen. Er zijn is genoeg.

3. Toon interesse
Het stoom afblazen is geweest, nu komt er pas ruimte voor een gesprek. Het enige dat je nu hoeft te doen, is benieuwd zijn. Zoals je ook iemand kunt vragen naar z’n werk of een willekeurig ander probleem. Wees oprecht geïnteresseerd in wat er misging, hoe het voor de ander was of hoe het zo ver heeft kunnen komen. Je kunt bijvoorbeeld vragen naar: wat was er nu zo lastig? Wat maakte dat die eetbui (het spugen of moeten bewegen) onontkoombaar was? Wat maakte dat je in paniek raakte van het eten? Wat ging er aan de eet/beweeg/braakdrang vooraf? Hoe zat het met de spanning? Was deze bijvoorbeeld al de hele dag aanwezig, bouwde die zich op of kwam deze na een lastige of vervelende situatie?
Ga deze fase trouwens alleen in als je oprecht geïnteresseerd bent en de ander er écht zelf over wil praten. Stel niet alle bovenstaande vragen tegelijk (het is geen kruisverhoor) en laat ook hier oordelen, meningen en adviezen achterwege totdat jullie samen helder hebben wat het probleem was.

4. Motiveer en denk mee
Als er wat meer rust komt, help dan om te bemoedigen. Moedig aan niet op te geven, maar door te gaan. Straal vertrouwen uit. Benoem de kleine stapjes vooruit die jij soms wel kunt zien, maar de ander misschien op dit moment niet. En denk mee over mogelijke oplossingen. Althans, als de ander daar ook voor openstaat. Geef dus ook nu geen ongevraagd advies. Wat zou een volgende keer kunnen helpen als zo’n situatie weer voorkomt? Welke alternatieven kunnen we bedenken? Hoe kan ik je helpen op dit soort moeilijke momenten? Of iemand anders? Hoe kun je misschien ook voorkomen dat de spanning/drang zo opbouwt?

5. Praat met elkaar
Van een eetstoornis heb je niet alleen zelf last, maar ook je omgeving. Soms kan het blijven voortduren van een eetstoornis relaties behoorlijk onder druk zetten. Praat op een rustig moment met elkaar en luister naar elkaar en probeer afspraken te maken over hoe jullie hiermee om willen gaan. Mogelijke onderwerpen waar jullie het over kunnen hebben: wat vind jij/ik lastig aan de eetstoornis? Wat is jouw/mijn grootste frustratie? Wat doet de eetstoornis met jou/mij? Welk effect heeft het op jou/mij, onze relatie, etc.? Hoe eerlijk zijn we naar elkaar? Zien we voldoende vooruitgang of zijn we aan het aanmodderen? Moeten we meer, andere en/of professionele hulp inschakelen? Doen we nog wel genoeg leuke dingen met elkaar? Vraag ook eens aan degene zonder eetstoornis of hij/zij ook problemen heeft waar tot nu toe nooit over gesproken is. Wat willen we samen anders gaan doen? En hoe gaan we dat realiseren?

En? Hoe kun je deze do's & don'ts gebruiken?

Ik hoop dat de do’s en don’ts uit dit artikel helpen om het gesprek aan te gaan met je cliënt, naaste, kind, of omgeving. Heb je een cliënt met een eetstoornis, dan kun je misschien ook een kopie maken van deze tips zodat ze deze kunnen laten lezen aan de mensen in hun omgeving en op basis hiervan het gesprek kunnen aangaan.

Hoe ingewikkeld misschien ook, praten over een eetstoornis geeft lucht. Aan degene met de eetstoornis, in je praktijk en aan de omgeving. Zo krijgt iedereen het gevoel er niet alleen voor te staan, maar gesteund te worden.

Ik moedig je bij deze aan het gesprek aan te gaan.

Charlie Paludanus is eetstoornis- en traumatherapeut, oprichter van Vrij van Eetstoornis en auteur van de boeken Bevrijd jezelf van eetbuien & boulimia en Een emmer kots in de kast. Ze staat bekend om haar verfrissende en positieve aanpak van eetstoornissen. Met de focus op persoonlijke ontwikkeling in plaats van op eten en gewicht. En een grenzeloos vertrouwen in de veerkracht en het verandervermogen van de mens. Charlie is zelf het levende bewijs dat je 100% kunt herstellen van een eetstoornis. Ze bevrijdde zichzelf van de boulimia waar ze tussen haar 20e en 27e aan leed. vrijvaneetstoornis.nl

Auteur

Rick

Gepubliceerd op

16 augustus, 2026

Thema

TCC Magazine 2024

Tags

Deel dit artikel

Gerelateerde artikelen