Samenvatting
Een kritische bespreking van de systematische review met meta-analyse van Souza, Moura, Silva en Elkins (2024)
Binnen het domein Psychosociaal, en specifiek binnen de discipline Hypnotherapie, bespreekt dit artikel de systematische review met meta-analyse van Souza, Moura, Vieira Almeida Silva en Elkins (2024), gepubliceerd in Complementary Therapies in Clinical Practice, naar de effectiviteit van hypnose bij depressie1. De vooraf in PROSPERO geregistreerde review doorzocht zeven databases zonder taalrestrictie en identificeerde zes gerandomiseerde gecontroleerde trials (RCT’s) bij volwassenen met een depressieve stoornis, waarin hypnose als hypnocognitieve behandeling naast cognitieve gedragstherapie (CGT), als aanvulling op psycho-educatie, of vergeleken met gebruikelijke zorg werd onderzocht. In tegenstelling tot het onderzoek naar hypnose bij pijn en posttraumatische stressstoornis, waar de bevindingen elders in dit corpus relatief consistent gunstig zijn, laat deze review voor depressie een wisselend beeld zien: van de zeven onderzochte vergelijkingen bereikte er slechts één een statistisch significant voordeel voor hypnose, terwijl de overige geen significant verschil lieten zien of van zeer lage bewijskracht waren volgens GRADE. De auteurs concluderen expliciet dat er onvoldoende bewijs is om hypnose klinisch aan te bevelen bij depressie, hoewel geen ernstige bijwerkingen werden gevonden.
Dit artikel plaatst deze bevindingen in hun theoretische en methodologische context: het bespreekt het mechanistische kader van hypnotherapie bij stemmingsregulatie, de zoekstrategie en insluitcriteria van de review, de zes geïncludeerde RCT’s en hun uiteenlopende protocollen en controlecondities, en de gebruikte depressieschalen zoals de Beck Depression Inventory (BDI) en de Montgomery-Åsberg Depression Rating Scale (MADRS). Vervolgens wordt kritisch stilgestaan bij de belangrijkste bronnen van de wisselende resultaten: heterogeniteit tussen studies, kleine steekproeven, een hoog risico op vertekening, en selectieve uitkomstrapportage. Het artikel besluit met klinische en praktische implicaties en aanbevelingen voor toekomstig onderzoek. Geconcludeerd wordt dat hypnose bij depressie, anders dan bij pijn en PTSS, vooralsnog niet als onderbouwde behandeling kan worden aanbevolen.
1. Inleiding
Depressie, of de depressieve stoornis (major depressive disorder), behoort wereldwijd tot de belangrijkste oorzaken van ziektelast en kenmerkt zich door aanhoudende somberheid en/of verlies van interesse of plezier, gepaard met een wisselend patroon van bijkomende symptomen zoals verstoorde slaap, veranderde eetlust, concentratieproblemen en, in ernstiger gevallen, suïcidale gedachten. Depressie is een uitgesproken heterogene aandoening: de diagnostische categorie omvat een breed spectrum van ernst, beloop en symptoomprofiel, wat de vergelijkbaarheid van onderzoekspopulaties tussen studies bemoeilijkt. Sinds de coronapandemie is de prevalentie van depressieve klachten wereldwijd bovendien toegenomen, wat de vraag naar effectieve, toegankelijke aanvullende behandelvormen verder heeft aangewakkerd.
Binnen dit landschap wordt ook hypnotherapie ingezet bij depressie, doorgaans niet als geïsoleerde interventie maar als aanvulling op of variant van bestaande psychotherapie, met name CGT. Binnen de “CGO-FONG Gids Evidence Based Onderzoek Complementaire Zorg” valt hypnotherapie onder het domein Psychosociaal. Eerder in dit corpus besproken reviews naar hypnotherapie bij het prikkelbare darm syndroom, bij chronische musculoskeletale en neuropathische pijn, en bij acute perioperatieve pijn lieten overwegend consistente, gunstige bevindingen zien2 3 4. Dit artikel bespreekt daarentegen een systematische review met meta-analyse waarin de bevindingen voor een andere, psychiatrische indicatie — depressie — aanmerkelijk minder eenduidig zijn.
Het doel van dit artikel is drieledig: ten eerste wordt het theoretisch kader van hypnotherapie bij stemmingsregulatie toegelicht; ten tweede worden de methode en bevindingen van de review van Souza en collega’s (2024) besproken1; en ten derde worden deze bevindingen kritisch geplaatst binnen de bredere evidentiebasis, met aandacht voor de vraag waarom de resultaten bij depressie wisselender zijn dan bij andere indicaties binnen dezelfde discipline, en met implicaties voor de praktijk.
2. Hypnose bij stemmingsregulatie: theoretisch kader
Hypnose bij depressie wordt zelden als op zichzelf staande monotherapie toegepast, maar overwegend als aanvulling op een bestaand psychotherapeutisch kader. Het meest onderzochte protocol is cognitieve hypnotherapie (CH), waarin cognitief-gedragstherapeutische technieken — cognitieve herstructurering, gedragsactivatie — worden gecombineerd met hypnotische inductie en suggestie, met als doel de effectiviteit van de cognitieve interventie te versterken via verhoogde aandacht en emotionele toegankelijkheid. Andere varianten zijn hypnotherapie als aanvulling op psycho-educatie en mindful hypnotherapy, waarin mindfulness en hypnotische ontspanning worden gecombineerd.
Verondersteld wordt dat hypnose bij stemmingsregulatie werkt via herstructurering van disfunctionele cognitieve schema’s, vermindering van fysiologische arousal via ontspanning, en versterkte emotieregulatie door visualisatie en suggestie. Neurobeeldvormend onderzoek buiten de besproken review wijst op verschillen tussen de hersengebieden die door hypnotherapie en door CGT worden beïnvloed, wat de hypothese ondersteunt dat beide interventies via ten dele verschillende, mogelijk complementaire routes aangrijpen.
Vergeleken met de mechanismen bij hypnose voor pijn — aandachtssturing weg van een afgebakende prikkel — of bij PTSS — regulatie van traumagerelateerde herbeleving — is het werkingsmechanisme bij depressie diffuser en nauwer verweven met langdurige, stabiele cognitieve schema’s. Dit maakt aannemelijk dat het effect van hypnose bij depressie minder snel en minder uniform optreedt, en dat de heterogeniteit van depressie als diagnostische categorie een grotere uitdaging vormt voor het aantonen van een consistent effect.
3. Methode van de systematische review met meta-analyse
3.1 Zoekstrategie en inclusiecriteria
Souza en collega’s registreerden hun protocol vooraf in PROSPERO en doorzochten zeven databases (MEDLINE, Embase, CENTRAL, PsycINFO, Scopus, SciELO en LILACS) alsmede ClinicalTrials.gov, zonder taalrestrictie, om RCT’s te identificeren waarin hypnose werd toegepast bij volwassenen met een depressieve stoornis, ongeacht ernst. Het includeren van Latijns-Amerikaanse databases naast de gangbare internationale bronnen is methodologisch relevant, omdat het risico verkleint dat relevante, niet-Engelstalige studies over het hoofd worden gezien — een tekortkoming waaraan volgens de auteurs eerdere reviews leden.
De methodologische kwaliteit werd beoordeeld met het Cochrane Risk-of-Bias 2-instrument, en de bewijskracht per vergelijking met GRADE, aangevuld met PRISMA 2020-rapportage. Deze combinatie is strenger dan bij verschillende eerdere meta-analyses op dit terrein, die door de auteurs bekritiseerd worden vanwege een te lankmoedige beoordeling van vertekeningsrisico en te stellige conclusies5 6.
3.2 De zes geïncludeerde RCT's: protocollen en controlecondities
Zes RCT’s voldeden aan de inclusiecriteria, met sterk uiteenlopende steekproefomvang. De onderzochte interventies illustreren de diversiteit binnen de discipline: cognitieve hypnotherapie versus CGT alleen; hypnotherapie plus psycho-educatie versus yoga-meditatie plus psycho-educatie dan wel psycho-educatie alleen; hypnotherapie versus gebruikelijke farmacologische zorg bij een gemengde patiëntengroep; een Duitse trial die een uitgebreid protocol van twintig hypnotherapiesessies vergeleek met evenveel sessies CGT als gouden standaard, in non-inferioriteitsopzet; een kleinschalige Cubaanse trial van hypnotherapie versus rationeel-emotieve gedragstherapie; en een Iraanse trial van mindful hypnotherapy versus wachtlijst bij uitsluitend vrouwelijke deelnemers.
Deze spreiding in controlecondities — van actieve, evidence-based psychotherapie tot wachtlijst en farmacotherapie — is relevant, omdat trials met een inactieve controle doorgaans grotere effecten laten zien dan trials met een actieve vergelijkingsgroep. Ook sessieaantal varieerde sterk, van vijf tot zeven korte sessies tot twintig sessies over zes maanden, wat een directe vergelijking van effectgroottes bemoeilijkt. Deze heterogeniteit maakte dat de auteurs, ondanks de titel van de review, voor de meeste vergelijkingen geen zinvolle kwantitatieve pooling konden uitvoeren en de resultaten per vergelijking dienden te wegen.
3.3 Uitkomstmaten
De primaire uitkomstmaat was doorgaans de ernst van depressieve symptomen, gemeten met de Beck Depression Inventory (BDI), een zelfrapportagevragenlijst, en met de Montgomery-Åsberg Depression Rating Scale (MADRS) en de Hamilton Rating Scale for Depression (HAM-D), beide semigestructureerde beoordelaarsinterviews. Enkele trials gebruikten aanvullend de Beck Anxiety Inventory, de Beck Hopelessness Scale, of een categoriale remissie-uitkomst. Het onderscheid tussen zelfrapportage — gevoeliger voor verwachtingseffecten — en geblindeerde beoordelaarsinterviews vormt een belangrijk aandachtspunt bij de weging van de bewijskracht per vergelijking, zoals in paragraaf 5 wordt toegelicht.
4. Bevindingen: een wisselend beeld
De bevindingen laten zich, in tegenstelling tot de overwegend gunstige resultaten elders in dit corpus voor hypnotherapie bij het prikkelbare darm syndroom en chronische pijn2 3 4, samenvatten als wisselend en overwegend niet-overtuigend. Van de zeven onderzochte vergelijkingen bereikte er slechts één een statistisch significant voordeel voor hypnose: hypnotherapie versus gebruikelijke farmacologische zorg bij een kleine, heterogene groep. Deze bevinding werd door de auteurs zelf als zeer laag van bewijskracht gekwalificeerd, vanwege een prognostische onbalans tussen groepen, uitsluitend zelfrapportage en een zeer kleine steekproef.
In de vergelijking tussen cognitieve hypnotherapie en CGT alleen7 werd een niet-significant numeriek voordeel voor hypnotherapie gevonden, met brede betrouwbaarheidsintervallen die zowel een relevant voordeel als nadeel niet konden uitsluiten. Vergelijkbaar niet-significante bevindingen deden zich voor bij hypnotherapie plus psycho-educatie versus de andere condities, en bij hypnotherapie versus rationeel-emotieve gedragstherapie. In de grootste en methodologisch sterkste, Duitse trial werd geen significant verschil tussen twintig sessies hypnotherapie en twintig sessies CGT gevonden, met een vergelijkbaar remissiepercentage bij follow-up — volgens de auteurs de meest betrouwbare aanwijzing dat hypnotherapie, mits voldoende intensief, een gelijkwaardig alternatief voor CGT kan zijn.
Alleen de vergelijking tussen mindful hypnotherapy en wachtlijst in de kleinschalige Iraanse trial liet een groot, significant effect zien, maar deze bevinding werd met terughoudendheid geïnterpreteerd: van negen vooraf geregistreerde primaire uitkomstmaten werden er slechts drie gerapporteerd — een sterke aanwijzing voor selectieve rapportage — en de exclusief vrouwelijke steekproef beperkt de generaliseerbaarheid.
Wat betreft veiligheid werden geen ernstige bijwerkingen gerapporteerd, wat aansluit bij het gunstige veiligheidsprofiel van hypnose bij andere indicaties. De auteurs concluderen dat er, over de zeven vergelijkingen beoordeeld met GRADE, onvoldoende bewijs is om hypnose klinisch aan te bevelen bij depressie, ook al kan een gunstig effect op basis van de huidige, overwegend zeer laagzekere evidentie niet worden uitgesloten1.
5. Kritische methodologische beschouwing: waarom zijn de resultaten wisselend?
De wisselende bevindingen laten zich verklaren door een samenspel van methodologische factoren. Ten eerste is er aanzienlijke klinische heterogeniteit tussen de zes trials: verschillen in protocol (van cognitieve hypnotherapie tot mindful hypnotherapy), sessieaantal (vijf tot twintig), controleconditie (wachtlijst tot CGT), en onderzochte populatie (formele depressieve stoornis tot dysthymie en gemengde angst-depressieve klachten). Deze heterogeniteit maakte een zinvolle kwantitatieve pooling van de meeste vergelijkingen niet mogelijk en noopte tot een overwegend narratieve synthese.
Ten tweede was de methodologische kwaliteit doorgaans laag: slechts één van de zes trials beschreef randomisatie en toewijzingsverberging adequaat en had een vooraf gepubliceerd analyseplan. In drie trials werd uitsluitend zelfrapportage gebruikt zonder geblindeerde beoordelaar, wat het risico op detectiebias vergroot — een probleem dat samenhangt met de vrijwel onvermijdelijke onmogelijkheid deelnemers te blinderen. In vier trials ontbrak een adequate intention-to-treatanalyse.
Ten derde speelt de zeer kleine steekproefomvang een centrale rol: met uitzondering van de Duitse trial telden de studies doorgaans enkele tientallen deelnemers, ruim onder de omvang die nodig is voor voldoende power. De afwezigheid van een significant verschil mag daarom niet als bewijs van gelijkwaardigheid worden geïnterpreteerd, maar kan evengoed wijzen op een type II-fout.
Ten vierde is selectieve uitkomstrapportage een aangetoond risico: in de trial met het grootste effect werden slechts drie van negen geregistreerde uitkomstmaten gerapporteerd. Dit sluit aan bij een breder punt: eerdere, positievere meta-analyses naar hypnose bij depressie uit 2009 en 2019 zijn door de huidige auteurs bekritiseerd vanwege een minder strikte beoordeling van vertekeningsrisico en te stellige conclusies5 6, wat verklaart waarom deze review, ondanks overlappend bronmateriaal, tot een voorzichtiger eindoordeel komt.
Ten slotte draagt de heterogeniteit van depressie als diagnostische categorie zelf bij aan de wisselende resultaten: anders dan pijnintensiteit of het herkenbare symptoomcluster van PTSS, omvat de depressieve stoornis een breed en variabel symptoomprofiel, wat de te verwachten behandelrespons tussen patiënten en studies sterk kan laten variëren. Deze combinatie van diagnostische heterogeniteit, methodologische zwakte, kleine steekproeven en selectieve rapportage verklaart in belangrijke mate waarom het bewijs voor hypnose bij depressie wisselender is dan bij pijn of PTSS.
6. Klinische en praktische implicaties
Voor hypnotherapeuten die hypnose overwegen bij een depressieve stoornis, bieden deze bevindingen aanleiding tot terughoudendheid. Anders dan bij de eerder besproken toepassingen bij het prikkelbare darm syndroom en chronische pijn, concludeert deze review expliciet dat er onvoldoende bewijs is om hypnose als klinisch te adviseren behandeling te presenteren. Dit betekent niet dat hypnotherapie bij depressie zonder waarde is, maar wel dat zij niet als bewezen effectieve mono- of aanvullende behandeling kan worden gepositioneerd, en zeker niet als vervanging van evidence-based behandelvormen zoals CGT of, waar geïndiceerd, farmacotherapie.
Een gedeeltelijke uitzondering vormt de bevinding uit de Duitse trial, waarin een uitgebreid protocol van twintig sessies niet onderdeed voor CGT. Dit suggereert dat hypnotherapie, mits voldoende intensief, mogelijk een alternatief kan zijn voor patiënten die de voorkeur geven aan hypnotherapie boven CGT, of een aanvulling wanneer beide worden gecombineerd — een richting die de auteurs zelf als kansrijk voor vervolgonderzoek noemen. Praktisch betekent dit dat hypnotherapie bij depressie, indien toegepast, het beste past binnen een zorgvuldig gemonitord, bij voorkeur multidisciplinair traject, met transparante communicatie over het voorlopige karakter van de evidentie en alertheid op suïcidaliteit en de noodzaak van psychiatrische betrokkenheid bij ernstiger episodes.
Gezien het gunstige veiligheidsprofiel is er geen reden hypnotherapie als schadelijk te beschouwen; het probleem is niet een aangetoond risico, maar onvoldoende aangetoonde werkzaamheid. Voor de discipline Hypnotherapie onderstreept dit het belang van realistische verwachtingen bij depressie, in tegenstelling tot de stelliger onderbouwde toepassingen bij pijn en, elders in de literatuur, bij PTSS.
7. Conclusie en toekomstig onderzoek
De review van Souza en collega’s (2024), gebaseerd op zes RCT’s en zeven vergelijkingen, laat een wisselend en overwegend niet-overtuigend beeld zien van hypnose bij depressie1. Slechts één vergelijking liet een significant voordeel zien, van zeer lage bewijskracht; de overige toonden geen significant verschil of waren eveneens methodologisch kwetsbaar. Dit contrasteert met de relatief consistente, gunstige bevindingen elders in dit corpus voor hypnotherapie bij het prikkelbare darm syndroom en chronische pijn, en onderstreept dat effectiviteit van hypnotherapie niet zonder meer generaliseerbaar is tussen indicaties.
De belangrijkste verklaringen voor deze wisselende resultaten liggen in klinische heterogeniteit tussen protocollen en controlecondities, kleine steekproeven, een hoog risico op vertekening, en aanwijzingen voor selectieve uitkomstrapportage in de studie met het grootste effect. Toekomstig onderzoek zou moeten bestaan uit grootschaliger trials met formele diagnostische inclusiecriteria, vooraf gepubliceerde analyseplannen, geblindeerde uitkomstbeoordeling waar mogelijk, en voldoende power — precies de aanbevelingen die de auteurs zelf doen. Bijzondere aandacht verdient de mogelijke meerwaarde van hypnotherapie als aanvulling op, in plaats van alternatief voor, CGT.
Voor de praktijk van de complementaire zorg rechtvaardigen de huidige bevindingen, anders dan bij pijn en PTSS, een terughoudende en methodologisch kritische houding: de interventie is veilig gebleken, maar de werkzaamheid is onvoldoende aangetoond om een klinische aanbeveling te rechtvaardigen. Deze studie vormt daarmee een waardevolle, nuancerende tegenhanger binnen de discipline Hypnotherapie, die onderstreept dat de overwegend positieve evidentiebasis bij andere indicaties niet zonder meer mag worden doorgetrokken naar depressie.
Eindnoten
- Souza FL, Moura MS, Vieira Almeida Silva J, Elkins G. Hypnosis for depression: Systematic review of randomized clinical trials with meta-analysis. Complementary Therapies in Clinical Practice. 2024;57:101913. doi:10.1016/j.ctcp.2024.101913. PMID: 39388785. https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/39388785/
- Almogbel E, Al-Harbi FA, Alamro AM, Al-Saif AK, Alghamdi SM, Alkhalifah KA, Alayed RS, Al-Mutairi TA. Efficacy of hypnotherapy in the treatment of irritable bowel syndrome (IBS): A systematic review and meta-analysis. American Journal of Clinical Hypnosis. 2026;68(1):56-70. PMID: 41401051. https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/41401051/
- Langlois P, Perrochon A, David R, Rainville P, Vanhaudenhuyse A, Wood C, Pageaux B, Ounajim A, Lavallière M, Debarnot U, Luque-Moreno C, Roulaud M, Simoneau M, Goudman L, Moens M, Rigoard P, Billot M. Hypnosis to manage musculoskeletal and neuropathic chronic pain: A systematic review and meta-analysis. Neuroscience & Biobehavioral Reviews. 2022;135:104591. doi:10.1016/j.neubiorev.2022.104591. PMID: 35192910. https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/35192910/
- Yerzhan A, Ayazbekova A, Lavage DR, Chelly JE. The Use of Medical Hypnosis to Prevent and Treat Acute and Chronic Pain: A Systematic Review and Meta-Analysis. Journal of Clinical Medicine. 2025;14(13):4661. doi:10.3390/jcm14134661. PMID: 40649035. https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/40649035/
- Shih M, Yang YH, Koo M. A meta-analysis of hypnosis in the treatment of depressive symptoms: a brief communication. International Journal of Clinical and Experimental Hypnosis. 2009;57(4):431-442. doi:10.1080/00207140903099039. PMID: 20183000. https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/20183000/
- Milling LS, Valentine KE, LoStimolo LM, Nett AM, McCarley HS. A Meta-Analysis of Hypnotic Interventions for Depression Symptoms: High Hopes for Hypnosis? American Journal of Clinical Hypnosis. 2019;61(3):227-243. doi:10.1080/00029157.2018.1489777. PMID: 34874235. https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/34874235/
- Alladin A, Alibhai A. Cognitive hypnotherapy for depression: an empirical investigation. International Journal of Clinical and Experimental Hypnosis. 2007;55(2):147-166. doi:10.1080/00207140601177897. PMID: 17365072. https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/17365072/