Samenvatting
Een kritische bespreking van de meta-analyse van O’Toole, Solomon en Bergdahl (2016)
Binnen het domein Psychosociaal, en specifiek binnen de discipline Hypnotherapie, markeert deze studie een verschuiving ten opzichte van het merendeel van het hypnotherapieonderzoek dat in deze reeks is besproken: niet een somatische of pijngerelateerde klacht, maar een psychiatrische aandoening — posttraumatische stressstoornis (PTSS) — staat hier centraal. Dit artikel bespreekt de meta-analyse van O’Toole, Solomon en Bergdahl (2016), gepubliceerd in Journal of Traumatic Stress, waarin de effectiviteit van hypnotherapeutische technieken bij de behandeling van PTSS-symptomen werd onderzocht1. De auteurs doorzochten 29 databases en beoordeelden 81 studies op hypnotherapie en PTSS voor inclusie; uiteindelijk werden de resultaten van zes studies met in totaal 391 deelnemers meta-analytisch samengevoegd. Alle geïncludeerde studies lieten een positief effect van hypnotherapie zien op vermijding, intrusie en algehele PTSS-symptomatologie, met een grote, statistisch significante gepoolde effectgrootte (Cohen’s d = -1,18; p < 0,001) die ook na correctie voor studiekwaliteit groot en significant bleef. Een klassieke fail-safe N-analyse wees uit dat 290 niet-significante studies nodig zouden zijn om deze bevinding teniet te doen.
Dit artikel plaatst deze bevindingen in hun theoretische en methodologische context: het bespreekt het theoretisch kader van hypnose bij traumaverwerking — met name dissociatie, gecontroleerde regressie/exposure en ego-versterkende technieken — de zoekstrategie en inclusiecriteria van de meta-analyse, de onderzochte hypnotherapeutische technieken en protocollen, en de gebruikte PTSS-symptoomschalen. Vervolgens wordt kritisch stilgestaan bij de belangrijkste methodologische beperkingen: de vrijwel onmogelijke blindering, het risico dat traumaverwerking onder hypnose afweer of tijdelijke verergering van dissociatieve symptomen oproept, de heterogeniteit tussen protocollen, en de kwetsbaarheid van een op zes kleine studies gebaseerde synthese voor publicatiebias. Het artikel besluit met de klinische implicaties voor traumabehandeling en samenwerking met de reguliere GGZ, en aanbevelingen voor toekomstig onderzoek. Geconcludeerd wordt dat hypnotherapie een veelbelovende, grote effectgrootte laat zien bij PTSS-symptomen, maar dat de kleine en heterogene onderzoeksbasis methodologische voorzichtigheid vereist.
1. Inleiding
Posttraumatische stressstoornis (PTSS) is een psychiatrische aandoening die kan ontstaan na blootstelling aan een feitelijke of dreigende dood, ernstig letsel of seksueel geweld, en die zich kenmerkt door vier symptoomclusters: intrusieve herbelevingen, vermijding van traumagerelateerde prikkels, negatieve veranderingen in cognities en stemming, en verhoogde arousal en reactiviteit. PTSS gaat gepaard met een aanzienlijke ziektelast, hoge comorbiditeit met depressie, angststoornissen en middelenmisbruik, en een vaak chronisch beloop wanneer adequate behandeling uitblijft. De reguliere GGZ beschikt over goed onderbouwde, richtlijnaanbevolen behandelvormen, waaronder traumagerichte cognitieve gedragstherapie, prolonged exposure en EMDR, maar een substantieel deel van de patiënten reageert onvoldoende op deze interventies of haakt voortijdig af, wat de zoektocht naar aanvullende behandelvormen voedt.
Binnen dit corpus is hypnotherapie tot nu toe vooral besproken in de context van somatische en pijngerelateerde toepassingen: het prikkelbare darm syndroom, chronische musculoskeletale en neuropathische pijn, en acute perioperatieve pijn2 3 4. De hier besproken meta-analyse van O’Toole, Solomon en Bergdahl (2016) verlegt de aandacht naar een wezenlijk andere toepassing: hypnotherapie als interventie bij een psychiatrische aandoening, waarbij niet de fysiologische pijnbeleving, maar de emotionele en cognitieve verwerking van een traumatische ervaring het aangrijpingspunt vormt1. Dit belicht een ander deel van de evidentiebasis voor de discipline Hypnotherapie: niet de modulatie van somatische sensaties, maar de bewerking van traumatische herinneringen en de daaraan gekoppelde affectieve en dissociatieve processen.
Het doel van dit artikel is drieledig: ten eerste wordt het theoretisch kader van hypnotherapie bij traumaverwerking toegelicht, met aandacht voor dissociatie, gecontroleerde regressie/exposure en ego-sterkte; ten tweede worden methode en bevindingen van de meta-analyse van O’Toole en collega’s besproken; en ten derde worden deze bevindingen kritisch geplaatst binnen de bredere evidentiebasis, met implicaties voor de klinische praktijk en de samenwerking met de reguliere GGZ.
2. Hypnose bij traumaverwerking: theoretisch kader
De toepassing van hypnose bij PTSS is historisch nauw verbonden met het onderzoek naar dissociatie. Al in 1988 lieten Spiegel, Hunt en Dondershine in een veelgeciteerde studie zien dat oorlogsveteranen met PTSS een significant hogere hypnotiseerbaarheid vertoonden dan vergelijkingsgroepen, en dat de mate van hypnotiseerbaarheid samenhing met de ernst van dissociatieve symptomen5. Deze bevinding wordt doorgaans geïnterpreteerd als een aanwijzing dat de neurocognitieve processen die aan hypnotische responsiviteit ten grondslag liggen — gerichte aandacht, verminderde kritische zelfreflectie en verhoogde toegankelijkheid van geheugenrepresentaties — overlappen met de dissociatieve mechanismen die bij PTSS een rol spelen, wat hypnotherapie in theorie geschikt zou kunnen maken als aangrijpingspunt voor traumabehandeling.
Klinisch wordt dissociatie bij PTSS zowel als onderdeel van het probleem als als mogelijk therapeutisch aangrijpingspunt beschouwd. Overmatige, ongecontroleerde dissociatie kan de verwerking van de traumatische herinnering belemmeren, doordat de emotionele lading ervan wordt afgesplitst zonder geïntegreerd te worden. Binnen hypnotherapie wordt echter verondersteld dat een gecontroleerde, door de behandelaar begeleide vorm van dissociatie de patiënt in staat kan stellen traumatisch materiaal op een gedoseerde, minder overweldigende manier te benaderen, waarbij de hypnotische trance fungeert als een veilige psychologische afstand tot de intensiteit van de herbeleefde gebeurtenis.
Op deze veronderstelling zijn verschillende hypnotherapeutische technieken gebaseerd. Gecontroleerde regressie en exposure houden in dat de patiënt onder hypnotische begeleiding, in een tempo en met een emotionele intensiteit die door de behandelaar wordt gereguleerd, wordt teruggeleid naar de traumatische herinnering, met als doel emotionele verwerking (abreactie) te faciliteren zonder dat de patiënt wordt overspoeld — een vorm van exposure waarbij de hypnotische toestand wordt gebruikt om de blootstelling te doseren. De zogenoemde split-screen-methode, waarbij de patiënt zich voorstelt de traumatische gebeurtenis op een denkbeeldig scherm te bekijken vanaf een veilige, geobjectiveerde afstand, is hiervan een voorbeeld en wordt in de klinische literatuur beschreven als hulpmiddel om trauma-herverwerking te faciliteren zonder overweldigende herbeleving6.
Ego-versterkende technieken vormen een tweede, complementaire pijler. Hierbij ligt de nadruk niet op directe confrontatie met het trauma, maar op het via hypnotische suggestie versterken van gevoelens van veiligheid, zelfcontrole en emotieregulatievermogen, doorgaans als stabiliserende fase voorafgaand aan meer confronterende, exposuregerichte interventies. Deze gefaseerde opbouw sluit aan bij fasegeoriënteerde behandelmodellen die ook binnen de reguliere traumabehandeling gangbaar zijn, met name bij complexe of chronische traumatisering.
3. Methode van de meta-analyse
3.1 Zoekstrategie en inclusiecriteria
O’Toole, Solomon en Bergdahl voerden een systematische zoekactie uit in 29 databases naar studies over hypnotherapie en PTSS1. Deze brede zoekstrategie leverde 81 studies op die werden beoordeeld op de vooraf vastgestelde inclusiecriteria; uiteindelijk voldeden zes studies aan de criteria voor opname in de kwantitatieve synthese, met een gezamenlijke onderzoekspopulatie van 391 deelnemers1. Het grote verschil tussen het aantal beoordeelde studies (81) en het aantal geïncludeerde studies (6) is kenmerkend voor meta-analytisch onderzoek naar een specifieke psychotherapeutische techniek bij een specifieke stoornis: veel aanvankelijk gevonden publicaties betreffen naar alle waarschijnlijkheid case reports, ongecontroleerde series of narratieve besprekingen die niet aan de methodologische eisen voor kwantitatieve synthese voldeden.
Deze trechtering onderstreept een kernkenmerk van de evidentiebasis voor hypnotherapie bij PTSS: hoewel het klinische en theoretische corpus rond hypnose en trauma omvangrijk is, blijft het aantal methodologisch geschikte, kwantitatief vergelijkbare studies beperkt — een patroon dat deze meta-analyse deelt met vergelijkbare syntheses binnen de discipline Hypnotherapie op andere toepassingsgebieden3.
3.2 Onderzochte hypnotherapeutische technieken en protocollen
De publicatie zelf rapporteert geen sessiegewijze uitsplitsing van de precieze hypnotherapeutische protocollen binnen de zes geïncludeerde studies; wel is duidelijk dat het gaat om uiteenlopende toepassingen van hypnotherapie bij PTSS, vaak aangeboden als aanvullende interventie naast of geïntegreerd met exposuregerichte of cognitief-gedragstherapeutische elementen, in lijn met de in paragraaf 2 beschreven technieken van gecontroleerde regressie/exposure en ego-versterking. Hypnose wordt zelden als volledig op zichzelf staande behandeling ingezet, maar functioneert doorgaans als middel om de toegankelijkheid en verdraagbaarheid van traumaverwerkende interventies te vergroten.
Deze heterogeniteit in onderliggende protocollen — variërend in sessieaantal, directieve versus permissieve suggestiestijl, en mate van integratie met exposure- of cognitief-gedragstherapeutische elementen — is een terugkerend methodologisch aandachtspunt binnen hypnotherapieonderzoek, en wordt in paragraaf 5 nader besproken.
3.3 Uitkomstmaten
De meta-analyse evalueerde effectgroottes op drie samenhangende uitkomstdomeinen: vermijdingssymptomen, intrusiesymptomen (herbelevingen, indringende herinneringen) en de algehele ernst van PTSS-symptomen na hypnotherapiebehandeling1. Deze indeling sluit aan bij de klassieke driedeling van PTSS-symptomen zoals die destijds in de diagnostische classificatiesystemen werd gehanteerd. Voor alle drie de uitkomstdomeinen gold dat de geïncludeerde studies een positief effect van hypnotherapie op symptoomreductie lieten zien1, wat de auteurs samenvatten in één gepoolde effectgrootte voor de algehele werkzaamheid van hypnotherapie bij PTSS-symptomen.
4. Bevindingen
De centrale bevinding van de meta-analyse is dat alle zes geïncludeerde studies een positief effect van hypnotherapie op PTSS-symptomen lieten zien, zonder uitzondering1. De gepoolde effectgrootte over deze studies was groot: Cohen’s d = -1,18, statistisch significant met p < 0,0011. Volgens de gangbare conventies voor effectgroottes in gedragswetenschappelijk onderzoek wordt een d van 0,8 of hoger als groot beschouwd; een effectgrootte van -1,18 (het minteken geeft de richting van de verandering aan, namelijk een afname van symptomen) duidt op een klinisch aanzienlijk effect, ruim boven de drempel die doorgaans als klinisch relevant geldt.
De auteurs onderzochten de effectgrootte ook in relatie tot de methodologische kwaliteit van de geïncludeerde studies. Effectgroottes varieerden weliswaar enigszins afhankelijk van studiekwaliteit, maar bleven ook binnen de subgroep van methodologisch sterkere studies groot en statistisch significant1. Dit is relevant omdat het tegemoetkomt aan een veelgehoorde kritiek op meta-analyses van complementaire interventies, namelijk dat een gunstig gepoold effect vooral wordt gedreven door methodologisch zwakke studies; hier bleef het effect ook bij een strengere kwaliteitsselectie substantieel.
Om de mogelijke invloed van publicatiebias in te schatten, pasten de auteurs de klassieke fail-safe N-methode toe, waarmee wordt berekend hoeveel niet-gepubliceerde of niet-significante studies met een nuleffect nodig zouden zijn om de gevonden significante gepoolde effectgrootte teniet te doen. Deze analyse wees uit dat 290 dergelijke studies nodig zouden zijn om de bevindingen te nullificeren1 — een aanzienlijk aantal in verhouding tot de zes daadwerkelijk geïncludeerde studies, wat door de auteurs wordt geïnterpreteerd als een geruststellende indicatie dat het effect niet eenvoudig aan selectieve publicatie kan worden toegeschreven. Deze fail-safe N-uitkomst moet echter, zoals in paragraaf 5 wordt toegelicht, met de nodige voorzichtigheid worden geïnterpreteerd gezien de kleine absolute steekproef waarop de meta-analyse is gebaseerd.
Relevant voor de plaatsing van deze bevinding is dat in hetzelfde jaar een onafhankelijke, methodologisch vergelijkbare meta-analyse werd gepubliceerd door Rotaru en Rusu in International Journal of Clinical and Experimental Hypnosis, eveneens gericht op de werkzaamheid van hypnotherapie bij PTSS-symptomen7. Dat twee onafhankelijke onderzoeksgroepen in dezelfde periode tot een vergelijkbare gunstige conclusie kwamen, versterkt het vertrouwen dat het niet om een toevalsbevinding van één onderzoeksgroep gaat, ook al blijft de onderliggende hoeveelheid primair onderzoek in beide gevallen beperkt. Latere overzichtsliteratuur voor psychiaters citeert beide meta-analyses gezamenlijk als bewijs dat hypnotherapie bij PTSS grote effectgroottes kan opleveren, en wijst erop dat mensen met PTSS klinisch vaker als sterker hypnotiseerbaar worden beschouwd, wat aansluit bij het in paragraaf 2 beschreven theoretisch kader rond dissociatie en hypnotiseerbaarheid6.
Aangaande veiligheid rapporteert de gepubliceerde meta-analyse zelf geen gedetailleerde, gepoolde bijwerkingenanalyse; de kernbevinding betreft de werkzaamheid op symptoomniveau. In de bredere klinische literatuur over hypnotherapie bij trauma wordt evenwel gewezen op het risico dat het onder hypnose naar boven halen van traumatisch materiaal kan gepaard gaan met tijdelijke toename van spanning, indringende herinneringen of dissociatieve reacties, wat de noodzaak onderstreept van een zorgvuldig getrainde behandelaar en een gefaseerde opbouw van de behandeling.
5. Kritische methodologische beschouwing
Ondanks de grote en statistisch significante gepoolde effectgrootte verdienen verschillende methodologische kanttekeningen aandacht. De meest fundamentele beperking, die hypnotherapieonderzoek in het algemeen kenmerkt, is dat blindering van deelnemers en behandelaars vrijwel onmogelijk is: een patiënt die een hypnose-inductie ondergaat weet per definitie welke interventie hij of zij ontvangt, en de behandelaar is uiteraard op de hoogte van de toegewezen conditie. Dit vergroot het risico dat een deel van het gemeten effect wordt verklaard door verwachtings- en placebo-effecten, temeer daar de uitkomstmaten voor PTSS-symptomen doorgaans grotendeels op zelfrapportage berusten — juist het type uitkomstmaat dat het gevoeligst is voor dit soort vertekening.
Ten tweede bestaat er, specifiek voor hypnotherapie bij traumaverwerking, een reëel risico op afweer of tijdelijke verergering van dissociatieve of intrusieve symptomen tijdens de behandeling zelf. Waar bij hypnotherapie voor pijnklachten het risico op ongewenste psychologische reacties doorgaans beperkt is, ligt dit voor PTSS wezenlijk anders: het doelbewust benaderen van traumatisch materiaal onder een veranderde bewustzijnstoestand kan bij onvoldoende gedoseerde of begeleide toepassing leiden tot overweldiging, versterkte vermijding of een tijdelijke toename van herbelevingen. Dit onderstreept dat de veiligheid van hypnotherapie bij PTSS sterker afhankelijk is van de vaardigheid en ervaring van de behandelaar dan bij somatische toepassingen, en dat de gepoolde effectgrootte geen volledig beeld geeft van de klinische risico’s van een ondeskundige toepassing.
Ten derde is de heterogeniteit tussen de gebruikte hypnotherapeutische protocollen een belangrijk aandachtspunt, zoals in paragraaf 3.2 reeds werd toegelicht. Met slechts zes geïncludeerde studies is het niet goed mogelijk om via formele subgroep- of moderatoranalyses te onderzoeken welke specifieke elementen (gecontroleerde regressie versus overwegend ego-versterkende technieken, individuele versus groepsgewijze toepassing) het sterkst bijdragen aan het gevonden effect. De gepoolde effectgrootte van -1,18 moet daarom worden geïnterpreteerd als een gemiddelde over een klinisch diverse verzameling interventies, eerder dan als het effect van één eenduidig gedefinieerd protocol.
Ten vierde is het beperkte aantal geïncludeerde studies (zes, 391 deelnemers) op zichzelf een belangrijke bron van onzekerheid. Hoewel de fail-safe N-analyse met een uitkomst van 290 geruststellend oogt, is deze methode gevoelig voor kritiek: zij veronderstelt dat ontbrekende studies een gemiddeld nuleffect zouden laten zien, en houdt geen rekening met de mogelijkheid dat ontbrekende studies systematisch kleinere, maar wel degelijk aanwezige effecten rapporteren. Met zo weinig geïncludeerde studies blijft bovendien de precisie van de gepoolde schatting beperkt. Tot slot is publicatiebias, ondanks de gunstige fail-safe N-uitkomst, niet volledig uit te sluiten in een onderzoeksveld waarin kleinschalige studies met positieve bevindingen doorgaans gemakkelijker worden gepubliceerd dan studies met neutrale of negatieve uitkomsten.
6. Klinische en praktische implicaties
Voor de klinische praktijk van hypnotherapeuten en andere zorgverleners die werken met patiënten met PTSS, bieden deze bevindingen een relevant, zij het voorlopig aanknopingspunt: een grote, consistente gepoolde effectgrootte over alle geïncludeerde studies heen, die ook bij methodologisch sterkere studies overeind bleef. Dit rechtvaardigt het overwegen van hypnotherapeutische technieken als aanvullende interventie, met name bij patiënten die onvoldoende baat hebben bij of onvoldoende toegang hebben tot de gangbare traumagerichte behandelvormen binnen de reguliere GGZ, of bij wie directe exposuregerichte behandeling aanvankelijk te overweldigend blijkt.
Gezien het in paragraaf 5 besproken risico op afweer of tijdelijke symptoomverergering, is nauwe samenwerking met de reguliere GGZ hierbij van bijzonder belang. Hypnotherapie bij PTSS kan het beste worden gepositioneerd als onderdeel van een breder, multidisciplinair behandeltraject, ingezet door behandelaars met specifieke training in zowel hypnose als traumabehandeling, bij voorkeur in overleg met een GGZ-professional die de patiënt ook via andere kanalen kan ondersteunen indien nodig. Dit sluit aan bij de fasegeoriënteerde opbouw van stabilisatie en ego-versterking voorafgaand aan confronterende traumaverwerking uit paragraaf 2, die in de praktijk als veiligheidswaarborg fungeert.
Voor de discipline Hypnotherapie onderstreept deze meta-analyse verder het belang van gestructureerde, gedocumenteerde hypnotherapieprotocollen bij PTSS, eerder dan een ongestandaardiseerde, sterk van de individuele behandelaar afhankelijke toepassing, zodat behandelaars gerichter kunnen kiezen welke aanpak het beste aansluit bij de fase van herstel en de draagkracht van de patiënt.
7. Conclusie en toekomstig onderzoek
De meta-analyse van O’Toole, Solomon en Bergdahl (2016) laat, op basis van zes gecontroleerde studies met in totaal 391 deelnemers, een grote en statistisch significante gepoolde effectgrootte zien van hypnotherapeutische technieken op de vermindering van PTSS-symptomen (Cohen’s d = -1,18; p < 0,001), een effect dat overeind bleef bij correctie voor studiekwaliteit en dat volgens een fail-safe N-analyse niet gemakkelijk aan publicatiebias kan worden toegeschreven1. Deze bevinding wordt ondersteund door een onafhankelijke, in hetzelfde jaar gepubliceerde meta-analyse van Rotaru en Rusu, en sluit aan bij het langer bestaande theoretisch kader rond dissociatie, hypnotiseerbaarheid en traumaverwerking5 7.
Tegelijkertijd nopen het kleine aantal geïncludeerde studies, de vrijwel onvermijdelijke afwezigheid van blindering, de heterogeniteit tussen protocollen, en het specifieke risico op afweer of tijdelijke symptoomverergering tot methodologische en klinische voorzichtigheid. Toekomstig onderzoek zou idealiter moeten bestaan uit grotere, methodologisch strengere trials met een actieve vergelijkingsconditie, gestandaardiseerde protocollen die onderscheid maken tussen stabiliserende en exposuregerichte technieken, systematische bijwerkingenrapportage, en langere follow-upperiodes.
Voor de discipline Hypnotherapie vormt deze meta-analyse, samen met de bevindingen op het gebied van pijnbestrijding, een van de gebieden met de meest consistente en positieve resultaten binnen het onderzoek naar hypnotherapie bij psychische aandoeningen — in tegenstelling tot bijvoorbeeld het onderzoek naar hypnose bij depressie, waar de resultaten wisselender van aard zijn. In afwachting van grootschaliger repliceeronderzoek rechtvaardigen de huidige bevindingen een voorzichtig optimistische, maar methodologisch geïnformeerde houding: hypnotherapie kan met een redelijke mate van vertrouwen worden overwogen als aanvullende interventie bij PTSS, mits ingebed in een zorgvuldig samengesteld, bij voorkeur met de reguliere GGZ afgestemd behandeltraject.
Eindnoten
- O’Toole SK, Solomon SL, Bergdahl SA. A Meta-Analysis of Hypnotherapeutic Techniques in the Treatment of PTSD Symptoms. Journal of Traumatic Stress. 2016;29(1):97-100. DOI: 10.1002/jts.22077. PMID: 26855228. https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/26855228/
- Almogbel E, Al-Harbi FA, Alamro AM, Al-Saif AK, Alghamdi SM, Alkhalifah KA, Alayed RS, Al-Mutairi TA. Efficacy of hypnotherapy in the treatment of irritable bowel syndrome (IBS): A systematic review and meta-analysis. American Journal of Clinical Hypnosis. 2026;68(1):56-70. PMID: 41401051. https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/41401051/
- Langlois P, Perrochon A, David R, Rainville P, Vanhaudenhuyse A, Wood C, Pageaux B, Ounajim A, Lavallière M, Debarnot U, Luque-Moreno C, Roulaud M, Simoneau M, Goudman L, Moens M, Rigoard P, Billot M. Hypnosis to manage musculoskeletal and neuropathic chronic pain: A systematic review and meta-analysis. Neuroscience & Biobehavioral Reviews. 2022;135:104591. PMID: 35192910. https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/35192910/
- Yerzhan A, Ayazbekova A, Lavage DR, Chelly JE. The Use of Medical Hypnosis to Prevent and Treat Acute and Chronic Pain: A Systematic Review and Meta-Analysis. Journal of Clinical Medicine. 2025;14(13):4661. PMID: 40649035. https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/40649035/
- Spiegel D, Hunt T, Dondershine HE. Dissociation and hypnotizability in posttraumatic stress disorder. American Journal of Psychiatry. 1988;145(3):301-305. PMID: 3344845. https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/3344845/
- Chan NA, Zhang Z, Yin G, Li Z, Ho RC. Update on hypnotherapy for psychiatrists. BJPsych Advances. 2023;29(6):381-387. DOI: 10.1192/bja.2021.54. https://www.cambridge.org/core/journals/bjpsych-advances/article/update-on-hypnotherapy-for-psychiatrists/F8BCC7AABAEDCD28D625DBC48D51CBE1
- Rotaru TS, Rusu A. A Meta-Analysis for the Efficacy of Hypnotherapy in Alleviating PTSD Symptoms. International Journal of Clinical and Experimental Hypnosis. 2016;64(1):116-136. DOI: 10.1080/00207144.2015.1099406. https://www.tandfonline.com/doi/full/10.1080/00207144.2015.1099406