Samenvatting
Een kritische bespreking van de systematische review en meta-analyse van Wang e.a. (2020)
Binnen het domein Natuurgeneeskunde, en specifiek binnen discipline 14 (Matrix/licht- en kleurentherapie), behoort bright light therapy (lichttherapie met fel, gedoseerd kunstlicht) tot de beter experimenteel onderzochte interventies. Dit artikel bespreekt in detail de systematische review met meta-analyse van Wang, Zhang, Yao, Ding, Jiang en Wu (2020), gepubliceerd in PLOS ONE, waarin twaalf studies (vijf gerandomiseerde gecontroleerde trials en zeven cohortstudies, samen 847 patiënten) naar het effect van lichttherapie op depressieve symptomen bij bipolaire stoornis systematisch werden verzameld, beoordeeld op methodologische kwaliteit en statistisch samengevoegd. De gepoolde effectschatting op basis van de RCT’s (SMD = -0,43; 95%-BI -0,73 tot -0,13; p < 0,05) wijst op een matig, statistisch significant gunstig effect van lichttherapie op depressieve symptomen bij bipolaire stoornis, terwijl de cohortstudies een aanzienlijk grotere, mogelijk door vertekening beïnvloede effectgrootte lieten zien (SMD = -2,12; 95%-BI -2,30 tot -1,94). Dit artikel plaatst deze bevindingen in hun methodologische context, bespreekt de sterktes en beperkingen van het gecombineerde RCT-cohortdesign, de aanzienlijke heterogeniteit tussen studies en het ontbreken van systematische veiligheidsdata over manie-inductie, en weegt de resultaten af tegen de bredere evidentiebasis voor lichttherapie binnen discipline 14. Geconcludeerd wordt dat lichttherapie op basis van deze meta-analyse een redelijk onderbouwde, maar door heterogeniteit en methodologische beperkingen nog voorzichtig te interpreteren aanvullende behandeloptie is voor stemmingsklachten bij bipolaire stoornis.
1. Inleiding
Bipolaire stoornis is een chronische, terugkerende stemmingsstoornis die wordt gekenmerkt door afwisselende episodes van depressie en (hypo)manie, met een aanzienlijke ziektelast, hoog recidiefrisico en een verhoogd suïciderisico. Farmacotherapie met stemmingsstabilisatoren, antipsychotica en, met terughoudendheid, antidepressiva vormt de hoeksteen van de behandeling, maar een substantieel deel van de patiënten ervaart onvoldoende symptoomreductie, bijwerkingen of een langdurige, moeilijk te behandelen depressieve fase. Binnen deze klinische context is er groeiende belangstelling voor niet-farmacologische, chronobiologisch geïnspireerde interventies die aangrijpen op de verstoring van het circadiane ritme die bij bipolaire stoornis vaak wordt waargenomen.
Lichttherapie — gestructureerde blootstelling aan fel, gedoseerd kunstlicht, doorgaans via een speciaal ontworpen lichtbak — is een van de langst onderzochte interventies binnen dit chronobiologische domein. Oorspronkelijk ontwikkeld voor seizoensgebonden depressie (winterdepressie), is de toepassing in de afgelopen decennia uitgebreid naar niet-seizoensgebonden depressie en, meer recent, naar bipolaire depressie. Binnen de “Gids Evidence Based Onderzoek Complementaire Zorg” wordt lichttherapie ondergebracht bij discipline 14 (Matrix/licht- en kleurentherapie) in het domein Natuurgeneeskunde, een discipline die door de relatief grote hoeveelheid gecontroleerd effectonderzoek een steviger empirische basis heeft dan veel andere vormen van complementaire zorg binnen dit corpus.
Dit artikel behandelt de systematische review met meta-analyse van Wang en collega’s (2020), gepubliceerd in PLOS ONE, naar de effectiviteit van bright light therapy bij patiënten met een bipolaire stoornis1. Binnen hetzelfde corpus zijn ook twee systematische reviews naar blauw-lichttherapie na traumatisch hersenletsel2 en een review naar blauw-lichttherapie bij (niet-)seizoensgebonden depressie3 opgenomen; samen geven deze studies een gedifferentieerd beeld van lichttherapie over verschillende doelgroepen binnen discipline 14. Het doel van dit artikel is drieledig: het theoretisch kader van lichttherapie bij stemmingsstoornissen toelichten, de methodologie en resultaten van de meta-analyse bespreken, en de bevindingen kritisch plaatsen binnen de bredere evidentiebasis, inclusief een weging van methodologische sterktes en zwaktes.
2. Theoretisch kader: licht, circadiane ritmiek en stemmingsregulatie
Het werkingsmechanisme van lichttherapie wordt verondersteld te lopen via intrinsiek fotosensitieve retinale ganglioncellen, die onafhankelijk van de klassieke visuele fotoreceptoren een projectie hebben naar de nucleus suprachiasmaticus in de hypothalamus, de centrale pacemaker van het circadiane systeem. Blootstelling aan fel licht op specifieke momenten van de dag kan de fase van dit interne ritme verschuiven, de melatonineafgifte onderdrukken en, via nog niet volledig opgehelderde paden, invloed uitoefenen op stemmingsregulerende systemen. Bij bipolaire stoornis is verstoorde circadiane ritmiek — zichtbaar in onregelmatige slaap-waakpatronen en verstoorde melatonineafgifte — een consistent gerapporteerd kenmerk, wat de rationale vormt voor het inzetten van chronobiologische interventies als lichttherapie, naast bijvoorbeeld interpersoonlijke en sociale ritmetherapie en slaapdeprivatie.
Lichttherapie werd van oudsher vooral onderzocht bij seizoensgebonden depressie, waarbij de effectiviteit inmiddels relatief goed is onderbouwd. De uitbreiding naar bipolaire depressie berust op de veronderstelling dat een vergelijkbaar chronobiologisch mechanisme ten grondslag ligt aan stemmingsontregeling, onafhankelijk van het al dan niet seizoensgebonden karakter van de episodes. Tegelijkertijd brengt deze toepassing een specifiek klinisch aandachtspunt met zich mee dat bij unipolaire depressie een minder prominente rol speelt: het risico op het opwekken van (hypo)manische symptomen, de zogeheten “switch” naar manie, als gevolg van de activerende, ritme-verschuivende werking van lichttherapie. Dit risico maakt dat onderzoek naar lichttherapie bij bipolaire stoornis doorgaans gepaard gaat met aanbevelingen voor lagere startdoseringen, geleidelijke opbouw en gelijktijdige stemmingsstabilisatie met farmacotherapie.
Praktisch wordt lichttherapie toegepast met een lichtbak die doorgaans 2.500 tot 10.000 lux levert, gedurende sessies van 15 tot 60 minuten, meestal in de vroege ochtend om een fase-vervroegend effect te bewerkstelligen. In de onderzoeksliteratuur bestaat aanzienlijke variatie in lichtintensiteit, golflengte (breedspectrum wit licht versus specifiek blauw of groen licht), tijdstip van toediening en behandelduur, wat — zoals in de hierna besproken meta-analyse zal blijken — een substantiële bron van heterogeniteit tussen studies vormt.
3. Doel en onderzoeksvraag van de besproken studie
De centrale onderzoeksvraag van Wang en collega’s (2020) luidde wat de effectiviteit is van bright light therapy op depressieve symptomen bij patiënten met een gediagnosticeerde bipolaire stoornis, op basis van een systematische samenvatting van het beschikbare gerandomiseerde en observationele onderzoek. Als secundaire doelen onderzocht de review welke toedieningskenmerken — behandelduur, tijdstip, lichtkleur, kleurtemperatuur en intensiteit — samenhingen met de effectgrootte, en of het effect verschilde tussen patiënten met en zonder gelijktijdig gebruik van psychotrope medicatie. De studie werd gepubliceerd in het peer-reviewed, open-access tijdschrift PLOS ONE (2020, jaargang 15, nummer 5, artikel e0232798)1.
4. Methode
4.1 Zoekstrategie en selectiecriteria
De auteurs doorzochten systematisch acht internationale en Chinese databases, waaronder PubMed, Cochrane Library, Embase, Web of Science en CINAHL, aangevuld met de Chinese databases CBM, CNKI, VIP en Wanfang, vanaf hun respectievelijke startdatum tot maart 2020. Deze combinatie is relatief ongebruikelijk binnen dit corpus en breidt de literatuurbasis uit, maar introduceert tegelijk een mogelijke bron van heterogeniteit tussen studiepopulaties, zoals in paragraaf 6 nader wordt besproken.
Als inclusiecriteria hanteerden de auteurs: (1) RCT’s of cohortstudies naar lichttherapie bij patiënten met bipolaire depressie, en (2) een eenduidige diagnose volgens DSM-IV-criteria. Studies werden uitgesloten bij onvolledige data en bij insluiting van zwangere vrouwen. Deze brede insluiting van zowel experimenteel als observationeel onderzoek is kenmerkend voor een nog beperkt ontwikkeld onderzoeksveld, waarin het aantal beschikbare RCT’s te klein is om een meta-analyse uitsluitend op gerandomiseerd onderzoek te baseren.
4.2 Geïncludeerde studies
De initiële zoekactie leverde 3.618 publicaties op. Na verwijdering van duplicaten en screening op titel, abstract en volledige tekst tegen de vooraf vastgestelde in- en exclusiecriteria bleven uiteindelijk twaalf studies over die in de kwantitatieve synthese werden opgenomen: vijf gerandomiseerde gecontroleerde trials en zeven cohortstudies, met een gezamenlijke steekproef van 847 patiënten met bipolaire depressie. Deze verhouding — een minderheid aan gerandomiseerd onderzoek tegenover een meerderheid aan observationele studies — is een belangrijk gegeven voor de interpretatie van de gepoolde resultaten, aangezien beide studietypen systematisch verschillende risico’s op vertekening met zich meebrengen.
4.3 Kwaliteitsbeoordeling
De methodologische kwaliteit van de geïncludeerde cohort- en case-controlstudies werd beoordeeld met de Newcastle-Ottawa Scale (NOS), een gevalideerd instrument dat scoort op selectie van studiepopulaties, vergelijkbaarheid van groepen en vaststelling van uitkomsten. De kwaliteit van de gerandomiseerde trials werd beoordeeld met het risk-of-biasinstrument uit de Cochrane Handbook (versie 5.1.0). Van de vijf geïncludeerde RCT’s kregen vier een kwalificatie B (matig risico op vertekening) en één een kwalificatie C (hoger risico op vertekening); geen van de RCT’s behaalde de hoogste kwalificatie A. Deze bevinding wijst op methodologische tekortkomingen — zoals mogelijk onvolledige blindering, onduidelijke randomisatieprocedures of selectieve uitkomstrapportage — in het overgrote deel van het beschikbare gerandomiseerde onderzoek naar dit onderwerp.
4.4 Statistische synthese
Voor de kwantitatieve synthese werden gestandaardiseerde gemiddelde verschillen (standardized mean differences, SMD) met bijbehorende 95%-betrouwbaarheidsintervallen berekend voor het effect van lichttherapie op depressieve symptomen, apart voor de RCT’s en voor de cohortstudies, gezien de verschillende onderzoeksdesigns en het daarmee samenhangende risico op vertekening. Heterogeniteit tussen studies werd gekwantificeerd met de I²-statistiek. Aanvullend voerden de auteurs subgroepanalyses uit naar behandelduur (meer versus minder dan tien uur cumulatieve blootstelling), tijdstip van toediening (uitsluitend ochtend versus ochtend en avond gecombineerd), lichtkleur (wit versus groen licht), kleurtemperatuur (boven versus onder 4.500 Kelvin), lichtintensiteit (boven versus onder 5.000 lux) en gelijktijdig gebruik van psychotrope medicatie, om te onderzoeken welke toedieningskenmerken samenhingen met de grootte van het effect.
5. Resultaten
Voor de primaire uitkomstmaat, depressieve symptomen, liet de meta-analyse van de vijf RCT’s een statistisch significant, matig gunstig gepoold effect van lichttherapie zien ten opzichte van controlecondities: SMD = -0,43 (95%-BI -0,73 tot -0,13; p < 0,05). Voor de zeven cohortstudies was het gepoolde effect aanzienlijk groter: SMD = -2,12 (95%-BI -2,30 tot -1,94; p < 0,05). Dit grote verschil in effectgrootte tussen experimenteel en observationeel onderzoek is opvallend en wordt in paragraaf 6 nader besproken als een belangrijk interpretatiepunt.
In de subgroepanalyses bleek de effectgrootte samen te hangen met verscheidene toedieningskenmerken. Bij een cumulatieve behandelduur van meer dan tien uur werd een SMD van -0,41 (95%-BI -0,72 tot -0,11) gevonden, tegenover -1,88 (95%-BI -2,04 tot -1,71; I² = 85%) bij een kortere behandelduur. Voor uitsluitend ochtendlichttherapie werd een SMD van -0,41 (95%-BI -0,71 tot -0,11) gerapporteerd, tegenover -2,10 (95%-BI -2,24 tot -1,96; I² = 71%) bij combinatie van ochtend- en avondtherapie. Voor lichtkleur werd binnen de RCT’s met wit licht een SMD van -0,56 (95%-BI -0,92 tot -0,19; I² = 0%) gevonden, terwijl cohortstudies met groen licht een SMD van -1,92 (95%-BI -2,29 tot -1,55) lieten zien. Bij een kleurtemperatuur boven 4.500 Kelvin bedroeg de SMD -2,06 (I² = 93%), tegenover -1,74 (I² = 97%) bij een lagere temperatuur; bij een lichtintensiteit van 5.000 lux of minder werd een SMD van -1,92 gevonden, terwijl ook bij hogere intensiteit een significant effect werd gerapporteerd.
Een aanvullende subgroepanalyse binnen de RCT’s, beperkt tot patiënten zonder gelijktijdig gebruik van psychotrope medicatie, liet een SMD zien van -0,60 (95%-BI -1,06 tot -0,13; I² = 0%), wat suggereert dat het effect van lichttherapie niet louter een artefact is van gelijktijdige farmacotherapie. Voor manische symptomen rapporteerden de auteurs geen afzonderlijke gepoolde effectgrootte; evenmin werd systematisch, kwantitatief gerapporteerd over het optreden van (hypo)manische switch-episodes of andere bijwerkingen bij de deelnemers — een lacune die, gegeven het theoretisch onderbouwde switch-risico van lichttherapie bij bipolaire stoornis, als een aanzienlijke beperking van deze review moet worden aangemerkt.
De heterogeniteit tussen studies was voor de meeste subgroepanalyses binnen de cohortstudies zeer hoog (I² tot 97%), terwijl deze binnen de RCT-subgroepen voor lichtkleur (I² = 0%) en gelijktijdige medicatie (I² = 0%) laag was. De auteurs concluderen dat hun bevindingen de significante werkzaamheid van lichttherapie bij de behandeling van bipolaire depressie onderstrepen, maar merken zelf op dat de geïncludeerde studies uitsluitend kortetermijneffecten beoordeelden, en dat een onvoldoende lange follow-upduur zowel de werkzaamheid als eventuele bijwerkingen kan onderschatten1.
6. Methodologische beoordeling: sterktes en beperkingen
6.1 Sterktes
Een belangrijke sterkte van deze meta-analyse is de systematische en transparante zoekstrategie over acht databases, inclusief zowel westerse als Chinese bronnen, met een expliciet gerapporteerde PRISMA-achtige selectieprocedure (van 3.618 aanvankelijk gevonden publicaties naar twaalf geïncludeerde studies). Daarnaast is het gebruik van gevalideerde kwaliteitsbeoordelingsinstrumenten — de Newcastle-Ottawa Scale voor observationele studies en het Cochrane risk-of-biasinstrument voor RCT’s — en de aparte rapportage van effectgroottes voor RCT’s en cohortstudies methodologisch te prijzen, omdat dit voorkomt dat resultaten uit designs met een verschillend risico op vertekening ongenuanceerd worden samengevoegd tot één enkele, mogelijk misleidende schatting.
Verder is de uitgebreide reeks subgroepanalyses naar behandelduur, tijdstip, lichtkleur, kleurtemperatuur, lichtintensiteit en gelijktijdig medicatiegebruik een waardevolle bijdrage, omdat deze richting kan geven aan de optimalisatie van toedieningsprotocollen in toekomstig onderzoek en klinische praktijk. Ook het feit dat het effect binnen de RCT’s overeind bleef in de subgroep van patiënten zonder gelijktijdige psychotrope medicatie (SMD = -0,60) versterkt het vertrouwen dat het waargenomen effect niet uitsluitend aan farmacotherapie kan worden toegeschreven.
6.2 Beperkingen
De belangrijkste beperking van deze meta-analyse is de grote discrepantie tussen de effectgrootte in de RCT’s (SMD = -0,43) en die in de cohortstudies (SMD = -2,12) — een bijna vijfvoudig verschil. Dit wijst er sterk op dat de cohortstudies, door het ontbreken van randomisatie en blindering, gevoelig zijn voor vertekening door verwachtingseffecten, selectiebias en onvolledige controle voor confounders, en dat de werkelijke effectgrootte eerder in de buurt van de bescheidener RCT-schatting ligt. Wie zich uitsluitend baseert op de ongewogen indruk van “grote effecten” uit deze review, onderschat het risico op vertekening in het observationele deel van de evidentiebasis.
Ten tweede was de methodologische kwaliteit van de geïncludeerde RCT’s zelf beperkt: vier van de vijf trials scoorden slechts een matige (B) en één een lage (C) kwalificatie op het Cochrane risk-of-biasinstrument, en geen enkele trial behaalde de hoogste kwaliteitscategorie, zodat ook de conservatievere RCT-schatting met voorzichtigheid moet worden geïnterpreteerd. Ten derde was de heterogeniteit binnen verscheidene subgroepanalyses zeer hoog (I² tot 97%), wat de betrouwbaarheid van gepoolde schattingen daarbinnen ondermijnt.
Ten vierde, en klinisch wellicht het meest relevant, rapporteert de review geen systematische, kwantitatieve gegevens over bijwerkingen of het optreden van (hypo)manische switch-episodes, terwijl dit risico — gezien het chronobiologische, activerende werkingsmechanisme van lichttherapie — een centraal aandachtspunt is bij toepassing bij bipolaire stoornis. De auteurs erkennen zelf dat de studies uitsluitend kortetermijneffecten onderzochten en dat een te korte follow-up zowel werkzaamheid als bijwerkingen kan onderschatten. Ten vijfde bemoeilijkt de aanzienlijke variatie in toedieningsprotocollen (lichtduur, -kleur, -intensiteit en -timing) de vertaling naar een eenduidig, standaardiseerbaar behandelprotocol. Tot slot introduceert de gecombineerde zoekstrategie in westerse en Chinese databases, ondanks de bredere dekking, mogelijk heterogeniteit in diagnostische praktijk en zorgcontext tussen de geïncludeerde studies, wat niet nader wordt uitgesplitst.
7. Plaats binnen de bredere evidentiebasis
Binnen discipline 14 (Matrix/licht- en kleurentherapie) sluit deze meta-analyse van Wang en collega’s aan bij een breder patroon van overwegend positieve, maar in kwaliteit wisselende evidentie voor lichttherapie bij stemmingsgerelateerde aandoeningen. Zo laten twee onafhankelijke systematische reviews naar blauw-lichttherapie bij patiënten na traumatisch hersenletsel eveneens consistent gunstige effecten op stemming en slaap zien2, wat de robuustheid van lichttherapie als chronobiologische interventie bij uiteenlopende doelgroepen onderstreept. Tegelijkertijd toont een systematische review naar blauw-lichttherapie bij zowel seizoensgebonden als niet-seizoensgebonden depressie een aanzienlijk minder eenduidig beeld, met wisselende resultaten tussen studies3, wat erop wijst dat de effectiviteit van lichttherapie sterk kan variëren naargelang de specifieke patiëntenpopulatie en het precieze toedieningsprotocol.
Meer recent, buiten dit corpus gepubliceerd onderzoek bevestigt en nuanceert dit beeld verder. Zo publiceerde de Chronobiology and Chronotherapy Task Force van de International Society for Bipolar Disorders (ISBD) in 2025 klinische aanbevelingen voor lichttherapie bij bipolaire stoornis, op basis van een bredere evaluatie van de evidentie inclusief aandacht voor doseringsschema’s en het switch-risico naar (hypo)manie4. Dat een internationale vakvereniging een specifieke task force heeft ingericht om klinische aanbevelingen te formuleren, onderstreept dat lichttherapie inmiddels als serieuze aanvullende behandeloptie wordt beschouwd binnen de reguliere psychiatrische praktijk.
Voor zorgverleners binnen het domein Natuurgeneeskunde betekent dit dat lichttherapie bij bipolaire depressie kan worden beschouwd als een van de beter onderbouwde toepassingen binnen discipline 14, met een aannemelijk, statistisch significant maar bescheiden gunstig effect volgens het RCT-gebaseerde deel van de evidentie. Het ontbreken van systematische veiligheidsdata over manie-inductie in de besproken meta-analyse maakt dat de plaatsing van lichttherapie binnen de bredere evidentiebasis gepaard moet gaan met expliciete aandacht voor dit specifieke risico, zoals ook in de recentere ISBD-aanbevelingen wordt onderstreept.
8. Klinische en praktijkimplicaties
Voor de klinische praktijk van zorgverleners die lichttherapie overwegen bij patiënten met bipolaire depressie, bieden deze bevindingen een voorzichtig positief signaal: de meest betrouwbare, RCT-gebaseerde effectschatting wijst op een statistisch significant, matig gunstig effect, dat overeind bleef in de subgroep zonder gelijktijdig gebruik van psychotrope medicatie. Dit rechtvaardigt het overwegen van lichttherapie als aanvullende, niet-farmacologische interventie binnen een breder behandelplan, met name bij patiënten die onvoldoende baat hebben bij farmacotherapie alleen.
Tegelijkertijd is terughoudendheid geboden bij het overnemen van de veel grotere effectschattingen uit de cohortstudies (SMD rond de -2,0), aangezien deze zeer waarschijnlijk zijn vertekend door het ontbreken van randomisatie en blindering; zorgverleners dienen cliënten een realistische, op de RCT-schatting gebaseerde verwachting mee te geven. Gezien het ontbreken van systematische veiligheidsdata in deze meta-analyse, en het theoretisch onderbouwde risico op (hypo)manische symptomen, zijn nauwe samenwerking met de behandelend psychiater, geleidelijke opbouw van de lichtdosering en alerte monitoring op vroege tekenen van manie noodzakelijk.
9. Conclusie
De systematische review met meta-analyse van Wang en collega’s (2020) laat zien dat lichttherapie bij patiënten met bipolaire depressie leidt tot een statistisch significante, matige verbetering van depressieve symptomen volgens de meest betrouwbare, RCT-gebaseerde schatting (SMD = -0,43), terwijl observationele cohortstudies een aanzienlijk grotere, methodologisch minder betrouwbare effectgrootte rapporteren (SMD = -2,12). De discrepantie tussen beide schattingen, de beperkte kwaliteit van het onderliggende RCT-bewijs, de aanzienlijke heterogeniteit tussen studies en vooral het ontbreken van systematische veiligheidsdata over manie-inductie, nopen tot een genuanceerde, voorzichtige interpretatie.
Binnen discipline 14 sluit deze studie aan bij een breder, overwegend positief beeld van lichttherapie bij uiteenlopende stemmingsgerelateerde aandoeningen, en de recente erkenning door internationale psychiatrische vakverenigingen onderstreept haar klinische relevantie. Voor de praktijk rechtvaardigen de resultaten een voorzichtig positieve, maar methodologisch bewuste houding, mits toegepast met adequate monitoring op het switch-risico naar manie en in afwachting van kwalitatief hoogwaardiger vervolgonderzoek.
Eindnoten
- Bright light therapy in bipolar disorder: systematic review and meta-analysis. [Wang S, Zhang Z, Yao L, Ding N, Jiang L, Wu Y. Bright light therapy in the treatment of patients with bipolar disorder: A systematic review and meta-analysis. PLoS One. 2020;15(5):e0232798. doi:10.1371/journal.pone.0232798. PMID: 32437356.] https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC7241702/
- Blue-wavelength light therapy for post-TBI: systematic review (twee onafhankelijke systematische reviews naar blauw-lichttherapie na traumatisch hersenletsel, besproken in dit corpus als studies 038 en 039). https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC7861530/
- Blue-light therapy voor seizoens-/niet-seizoensgebonden depressie: gemengde resultaten (systematische review, besproken in dit corpus als studie 040). https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC9511000/
- Gottlieb JF, et al. Light therapy for bipolar disorders: Clinical recommendations from the International Society for Bipolar Disorders (ISBD) Chronobiology and Chronotherapy Task Force. Dialogues in Clinical Neuroscience. 2025;27(1). doi:10.1080/19585969.2025.2533806. PMID: 40705857. https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/40705857/