Zijn betrouwbaarheid en rechtvaardigheid voldoende?

Binnen het domein Psychosociaal, en specifiek binnen de discipline Contextueel Therapeut, vormen de begrippen betrouwbaarheid ("trustworthiness") en rechtvaardigheid ("fairness") de ethische…

Samenvatting

Contextuele gezinstherapie en het concept van “de goede familie” — een kritisch-theoretische beschouwing van Fowers en Wenger (1997)

Binnen het domein Psychosociaal, en specifiek binnen de discipline Contextueel Therapeut, vormen de begrippen betrouwbaarheid (“trustworthiness”) en rechtvaardigheid (“fairness”) de ethische kern van de contextuele gezinstherapie zoals ontwikkeld door Ivan Boszormenyi-Nagy. Dit artikel bespreekt de theoretisch-kritische publicatie van Fowers en Wenger (1997), “Are trustworthiness and fairness enough? Contextual family therapy and the good family”, verschenen in het Journal of Marital and Family Therapy1. Het betreft geen empirisch effectiviteitsonderzoek, maar een filosofisch-kritische verhandeling die de vraag stelt of betrouwbaarheid en rechtvaardigheid op zichzelf toereikend zijn om te kunnen spreken van een “goede familie”, of dat de contextuele benadering een te smal beeld van het goede gezinsleven hanteert.

De auteurs onderscheiden drie met elkaar samenhangende problemen in het gedachtegoed van Boszormenyi-Nagy: ten eerste presenteert hij een inhoudelijk ethisch ideaal van het gezin terwijl hij tegelijkertijd ontkent dat te doen, wat zijn eigen morele claims ondermijnt; ten tweede is rechtvaardigheid in de contextuele theorie subjectief gedefinieerd, waardoor het model mogelijk onvoldoende instrumentarium biedt om legitieme verschillen in gezinsidealen te overbruggen; en ten derde blijkt het beroep op eigenbelang als voornaamste drijfveer voor betrouwbaar relationeel gedrag mogelijk averechts te werken. Als alternatief bepleiten Fowers en Wenger een hermeneutisch perspectief, dat meer ruimte biedt aan de sociaal-historische context van gezinnen en dat verschillende opvattingen van het goede leven expliciet bespreekbaar maakt in plaats van ze te herleiden tot een enkel, formeel rechtvaardigheidscriterium.

Als sterkte van deze publicatie geldt dat zij, vanuit een grondige kennis van en waardering voor de contextuele traditie, een interne kritiek levert die bijdraagt aan de conceptuele verdieping van het vakgebied en mogelijke blinde vlekken in de oorspronkelijke theorie blootlegt. Als beperking geldt dat het, zoals bij alle filosofisch-theoretische bijdragen, gaat om een normatief-argumentatief betoog waaruit geen empirische uitspraken over klinische effectiviteit kunnen worden afgeleid, en dat de publicatie inmiddels bijna dertig jaar oud is, zodat latere theoretische ontwikkelingen binnen de contextuele therapie hierin niet zijn verwerkt.

1. Inleiding

De contextuele benadering van gezinstherapie, ontwikkeld vanaf de jaren zestig en zeventig van de twintigste eeuw door de Hongaars-Amerikaanse psychiater Ivan Boszormenyi-Nagy, onderscheidt zich van andere systeemtherapeutische stromingen door het uitgangspunt dat gezinsrelaties niet alleen te begrijpen zijn vanuit communicatiepatronen of machtsverhoudingen, maar vanuit een onderliggende laag van relationele ethiek. Centraal in deze relationele ethiek staan de begrippen loyaliteit, verdienste, balans tussen geven en nemen, en vooral de twee begrippen die in de titel van de hier besproken publicatie worden genoemd: betrouwbaarheid (“trustworthiness”) en rechtvaardigheid (“fairness”). Volgens Boszormenyi-Nagy ontstaat psychisch welzijn wanneer gezinsleden zich houden aan een rechtvaardige, over meerdere generaties opgebouwde balans van geven en ontvangen, en wanneer relaties gekenmerkt worden door betrouwbaarheid die voortkomt uit deze balans.

Deze kernbegrippen hebben de contextuele therapie een unieke plaats gegeven binnen het bredere veld van de gezins- en systeemtherapie, met name doordat zij een expliciet ethisch en intergenerationeel perspectief toevoegen aan een veld dat vaak sterk gericht is op interactiepatronen in het hier en nu2. Tegelijkertijd roept een dergelijk expliciet ethisch uitgangspunt fundamentele vragen op: wat betekent het precies dat een gezin “rechtvaardig” of “betrouwbaar” functioneert, en is het bereiken van een dergelijke balans op zichzelf al voldoende om te kunnen spreken van een goed functionerend, gezond gezin? Dit soort vragen laat zich niet beantwoorden met gerandomiseerd effectonderzoek, maar vergt een kritisch-theoretische analyse van de begrippen zelf.

Precies een dergelijke analyse bieden Blaine J. Fowers en Anette Wenger in hun artikel “Are trustworthiness and fairness enough? Contextual family therapy and the good family”, gepubliceerd in 1997 in het Journal of Marital and Family Therapy, destijds (en nog altijd) een van de leidende tijdschriften binnen de gezinstherapie1. Het artikel verscheen destijds met een bijbehorende “discussion”-sectie, waarin het tijdschrift ruimte bood aan collega-auteurs om direct te reageren — een indicatie dat de kwestie die Fowers en Wenger aan de orde stelden als inhoudelijk gewichtig werd ervaren. Dit artikel binnen de “CGO-FONG Gids Evidence Based Onderzoek Complementaire Zorg” bespreekt de argumentatie van Fowers en Wenger, plaatst deze in de context van de contextuele theorie, en weegt de betekenis van deze bijdrage voor de hedendaagse praktijk van de contextueel therapeut.

2. Het concept van "de goede familie"

Om de kritiek van Fowers en Wenger te kunnen plaatsen, is het nodig eerst kort stil te staan bij de wijze waarop Boszormenyi-Nagy het begrip “het goede” in gezinsrelaties operationaliseert. In de contextuele theorie wordt rechtvaardigheid primair opgevat als een kwestie van balans: gezinsleden bouwen over generaties heen een onzichtbare “boekhouding” op van wat gegeven en ontvangen is, en van verdiensten en aanspraken die daaruit voortvloeien. Betrouwbaarheid ontstaat wanneer relaties gekenmerkt worden door wederkerigheid binnen deze balans, terwijl verstoorde balansen — zoals destructieve gerechtigde aanspraken (“destructive entitlement”) die van generatie op generatie worden doorgegeven — ten grondslag liggen aan relationele en psychische problematiek.

Dit uitgangspunt heeft de contextuele therapie een sterk ethisch profiel gegeven: in tegenstelling tot louter beschrijvende systeemtheoretische modellen, stelt de contextuele benadering expliciet dat bepaalde manieren van met elkaar omgaan — rechtvaardig, betrouwbaar, gebaseerd op wederkerigheid — beter zijn dan andere. Fowers en Wenger erkennen deze verdienste nadrukkelijk: het werk van Boszormenyi-Nagy heeft er volgens hen aan bijgedragen dat individuele verantwoordelijkheid en rekenschap weer een plaats kregen binnen een systemisch denkkader, op een moment dat andere systeemtherapeutische stromingen morele vragen juist vermeden of reduceerden tot kwesties van functionaliteit1.

De kritische vraag die de auteurs vervolgens stellen is echter of dit rechtvaardigheids- en betrouwbaarheidskader, hoe waardevol ook, een volledig of toereikend beeld biedt van wat een goede familie is. Met andere woorden: is een gezin waarin de balans van geven en nemen rechtvaardig is en waarin gezinsleden betrouwbaar met elkaar omgaan, daarmee automatisch een gezin waarin het goede leven wordt gerealiseerd? Of blijven er, ook wanneer aan deze twee voorwaarden is voldaan, wezenlijke aspecten van het goede gezinsleven onderbelicht — aspecten die te maken hebben met gedeelde idealen, culturele en historische inbedding, en met de vraag wat een gezin nu eigenlijk samen nastreeft? Deze vraag vormt de theoretische kern van het besproken artikel.

3. Methode van het artikel

3.1 Type publicatie: theoretisch-kritische reflectie

Het artikel van Fowers en Wenger is geen empirisch onderzoek, maar een filosofisch-theoretische verhandeling binnen de traditie van de morele en hermeneutische filosofie, toegepast op een klinisch-theoretisch model. Dit type publicatie hanteert geen steekproef, geen meetinstrumenten en geen statistische toetsing, maar een begripsmatige en argumentatieve methode: bestaande theoretische claims worden nauwkeurig gereconstrueerd, op hun interne samenhang en implicaties onderzocht, en vervolgens becommentarieerd vanuit een alternatief theoretisch kader — in dit geval een hermeneutisch perspectief op ethiek en het goede leven, dat teruggrijpt op filosofen als Hans-Georg Gadamer en Alasdair MacIntyre en hun aandacht voor traditie, praktijk en gedeelde opvattingen van het goede.

Voor de discipline Contextueel Therapeut is het van belang dit type publicatie methodologisch correct te duiden: het draagt niet bij aan het kwantitatieve effectiviteitsbewijs voor contextuele therapie, en de bevindingen kunnen dan ook niet worden vertaald in effectgroottes, betrouwbaarheidsintervallen of niveaus van bewijskracht zoals bij gecontroleerd effectonderzoek. De waarde van dit type werk ligt elders: in de begripsmatige verheldering en kritische doordenking van de theoretische fundamenten waarop een therapeutische benadering rust, wat op de langere termijn ook implicaties kan hebben voor de wijze waarop die benadering in de praktijk wordt toegepast en onderwezen.

3.2 Argumentatielijn

De argumentatie van Fowers en Wenger volgt een klassieke opbouw voor kritisch-filosofisch werk: eerst wordt het te bekritiseren standpunt — de contextuele theorie van Boszormenyi-Nagy — zo welwillend en nauwkeurig mogelijk gereconstrueerd, inclusief een erkenning van de verdiensten ervan. Vervolgens worden drie specifieke, onderling samenhangende problemen geïdentificeerd binnen dit standpunt, elk onderbouwd met een eigen argumentatie. Tot slot wordt een alternatief voorstel gepresenteerd — het hermeneutische perspectief — dat pretendeert de geconstateerde problemen te ondervangen zonder de verdiensten van de contextuele benadering te verliezen.

Deze opbouw is kenmerkend voor wat in de filosofie “immanente kritiek” wordt genoemd: kritiek die niet van buitenaf een compleet ander waardekader oplegt, maar die vanuit de eigen doelstellingen en aannames van een theorie laat zien waar deze theorie intern inconsistent is of tekortschiet in het realiseren van haar eigen ambities. Deze werkwijze onderscheidt het artikel van een oppervlakkige of louter ideologische kritiek, en verklaart mede waarom het destijds serieus genomen werd binnen het vakgebied, getuige de bijbehorende discussiebijdrage in hetzelfde tijdschriftnummer1.

4. Bevindingen: de kritische analyse van Fowers en Wenger

4.1 Eerste probleem: een ethisch ideaal dat wordt ontkend

Het eerste probleem dat Fowers en Wenger signaleren, betreft een innerlijke spanning in het werk van Boszormenyi-Nagy zelf. Enerzijds presenteert hij, volgens de auteurs, wel degelijk een inhoudelijk-normatief beeld van hoe gezinsrelaties eruit zouden moeten zien — gekenmerkt door rechtvaardige balans, betrouwbaarheid en multidirectionele partijdigheid (het vermogen van de therapeut om de belangen van alle gezinsleden, ook afwezige of toekomstige, gelijktijdig te erkennen). Anderzijds presenteert Boszormenyi-Nagy zijn theorie — zo stellen de auteurs — als descriptief en waardevrij, als het blootleggen van een universele dynamiek van relationele boekhouding, eerder dan als een normatief ideaal dat hijzelf voorstaat. Deze ontkenning van het eigen normatieve karakter ondermijnt volgens Fowers en Wenger de overtuigingskracht van zijn morele claims: een ethisch ideaal dat zich voordoet als waardevrije beschrijving, onttrekt zich aan het soort openlijke rechtvaardiging dat een ethisch standpunt juist behoeft om overtuigend te zijn.

4.2 Tweede probleem: subjectieve rechtvaardigheid en verschillende gezinsidealen

Het tweede probleem heeft betrekking op de wijze waarop rechtvaardigheid in de contextuele theorie wordt gedefinieerd: primair vanuit de subjectieve beleving van de betrokken gezinsleden zelf, veeleer dan vanuit een extern, inhoudelijk criterium van het goede gezinsleven. Fowers en Wenger betogen dat dit uitgangspunt de contextuele therapie kwetsbaar maakt wanneer gezinsleden — of gezinnen uit verschillende culturele, religieuze of sociaal-historische achtergronden — oprecht en legitiem van mening verschillen over wat een goed gezinsleven inhoudt. Een louter subjectief of procedureel rechtvaardigheidscriterium biedt volgens de auteurs onvoldoende houvast om dergelijke inhoudelijke verschillen in gezinsidealen bespreekbaar te maken, omdat het zich onthoudt van iedere uitspraak over welke idealen meer of minder waardevol zijn.

4.3 Derde probleem: eigenbelang als averechtse motivatie

Het derde probleem betreft de motivationele grondslag van betrouwbaar relationeel gedrag binnen de contextuele theorie. Boszormenyi-Nagy grondt betrouwbaarheid mede in verlicht eigenbelang: het is voor gezinsleden op de lange termijn voordelig om betrouwbaar en rechtvaardig te handelen, omdat dit bijdraagt aan stabiele, wederkerige relaties waaruit zijzelf ook profiteren. Fowers en Wenger betogen dat een dergelijke instrumentalisering van betrouwbaarheid — betrouwbaar zijn omdat het uiteindelijk in het eigen belang is — paradoxaal genoeg averechts kan werken: betrouwbaarheid die primair uit eigenbelang voortkomt verliest iets van haar morele kern, en gezinsleden die aanvoelen dat andermans betrouwbaarheid vooral instrumenteel gemotiveerd is, zullen daarin mogelijk minder reden vinden voor werkelijk vertrouwen.

4.4 Het alternatief: een hermeneutisch perspectief op het goede gezinsleven

Als constructief alternatief bepleiten Fowers en Wenger een hermeneutische benadering van het goede in het gezinsleven. Een dergelijke benadering vertrekt niet vanuit een formeel, op zichzelf staand criterium zoals balans of rechtvaardigheid, maar vanuit de erkenning dat opvattingen over het goede gezinsleven altijd zijn ingebed in een sociale en historische traditie, en dat verschillende gezinnen en gemeenschappen legitiem uiteenlopende, inhoudelijke idealen van het goede leven kunnen koesteren. In plaats van deze verschillen te herleiden tot een neutraal, procedureel begrip van rechtvaardigheid, pleiten de auteurs ervoor deze verschillen direct en expliciet te bespreken — als onderdeel van het therapeutische gesprek zelf — en een weg te bieden waarlangs gezinnen, in dialoog, tot een gedeeld en beargumenteerd begrip van hun eigen goede kunnen komen. Dit hermeneutische perspectief pretendeert daarmee recht te doen aan zowel de verdiensten van de contextuele benadering — het serieus nemen van ethische vragen in gezinsrelaties — als aan de geconstateerde tekortkomingen ervan.

5. Kritische beschouwing

Bij de beoordeling van deze publicatie is het methodologisch essentieel te onderkennen dat het hier gaat om een filosofisch-theoretisch, argumentatief betoog, en niet om een empirische studie met bijbehorende bewijskracht. De “bevindingen” van Fowers en Wenger zijn geen statistisch onderbouwde uitkomsten, maar de resultante van een zorgvuldige begripsmatige analyse, waarvan de overtuigingskracht afhangt van de logische samenhang van de premissen en van de mate waarin de lezer de onderliggende filosofische aannames deelt. Dit maakt het artikel wezenlijk anders te wegen dan een RCT of cohortstudie, maar niet minder waardevol binnen zijn eigen domein: theorievorming en conceptuele verheldering zijn een noodzakelijke voorwaarde voor goed empirisch onderzoek, omdat zij bepalen welke begrippen en uitkomstmaten daarin zinvol zijn om te operationaliseren.

Een belangrijke sterkte van het artikel is de vorm van immanente kritiek die de auteurs hanteren: zij bekritiseren de contextuele theorie niet van buitenaf, met een compleet ander waardekader, maar tonen vanuit een grondige en welwillende lezing van Boszormenyi-Nagy’s eigen werk waar interne spanningen zitten. Dit type kritiek is doorgaans vruchtbaarder voor de doorontwikkeling van een vakgebied dan externe kritiek, omdat het beoefenaren van de bekritiseerde traditie in staat stelt de aangedragen problemen te herkennen, zoals ook blijkt uit het feit dat het tijdschrift destijds ruimte bood aan een directe discussiebijdrage naast het artikel1.

Tegelijkertijd kent deze publicatie, zoals elk theoretisch-kritisch werk, methodologische beperkingen. Ten eerste is het artikel, gepubliceerd in 1997, inmiddels bijna dertig jaar oud; latere theoretische ontwikkelingen binnen de contextuele therapie — waaronder werk dat de relationele ethiek van Boszormenyi-Nagy verder heeft uitgewerkt en toegepast3 en recentere reflectie op de plaats van contextuele therapie binnen de gezinstherapie^4,5^ — zijn hierin niet verwerkt. Ten tweede blijft het een filosofisch standpunt waarover redelijke onenigheid mogelijk is: andere auteurs binnen de contextuele traditie zouden kunnen betogen dat de gesignaleerde spanningen minder fundamenteel zijn, of dat latere uitwerkingen de subjectiviteit van het rechtvaardigheidsbegrip al voldoende hebben genuanceerd. Ten derde biedt het artikel geen uitgewerkt klinisch protocol voor hoe het hermeneutisch perspectief in de praktijk concreet vorm zou moeten krijgen — de vertaalslag van filosofische reflectie naar klinisch handelen blijft goeddeels aan de lezer overgelaten.

6. Implicaties voor de praktijk en voor de doorontwikkeling van het vakgebied

Voor de contextueel therapeut in de dagelijkse praktijk biedt deze kritisch-theoretische publicatie geen direct toepasbare interventie of protocol, maar wel een waardevolle uitnodiging tot reflectie op de eigen theoretische aannames. De kernboodschap van Fowers en Wenger — dat rechtvaardige balans en betrouwbaarheid weliswaar noodzakelijk, maar mogelijk niet voldoende zijn voor een werkelijk goed functionerend gezin — kan de therapeut aansporen om, naast het in kaart brengen van de balans van geven en nemen, ook expliciet aandacht te besteden aan de inhoudelijke idealen en tradities die voor een specifiek gezin betekenisvol zijn, en aan de sociaal-culturele context waarbinnen deze idealen zijn ontstaan. Dit sluit aan bij een therapeutische houding waarin niet alleen wordt gevraagd “is de balans rechtvaardig?”, maar ook “wat betekent een goed gezinsleven voor déze mensen, in hún context?”.

Voor gezinnen met een cultureel diverse achtergrond, of waarin generaties uiteenlopende opvattingen hebben over rechtvaardigheid en loyaliteit, kan deze aanvulling van bijzondere waarde zijn: waar een zuiver procedureel rechtvaardigheidsbegrip het risico loopt legitieme verschillen in gezinsidealen te reduceren tot subjectieve beleving, biedt de door Fowers en Wenger bepleite aandacht voor sociaal-historische context een aanvullend instrument om deze verschillen expliciet en respectvol te bespreken binnen de therapeutische ruimte.

Voor de doorontwikkeling van het vakgebied illustreert deze publicatie het belang van blijvende theoretische reflectie naast klinisch en effectiviteitsonderzoek. Dat kernbegrippen als betrouwbaarheid en rechtvaardigheid onderwerp kunnen zijn van grondige kritische bevraging, is een teken van intellectuele vitaliteit, niet van zwakte. Latere bijdragen binnen de contextuele traditie, die de plaats en toekomst van de benadering binnen de bredere gezinstherapie bespreken, bouwen impliciet voort op dit soort kritisch-theoretische reflectie^4,5,6^, wat onderstreept dat de discussie die Fowers en Wenger in 1997 opende, tot op heden relevant is gebleven.

7. Conclusie

Fowers en Wenger stellen in hun theoretisch-kritische publicatie uit 1997 een fundamentele vraag aan de kern van de contextuele gezinstherapie: zijn betrouwbaarheid en rechtvaardigheid, zoals gedefinieerd door Boszormenyi-Nagy, op zichzelf voldoende om te kunnen spreken van een goede familie? Via een zorgvuldige, immanente kritiek identificeren zij drie problemen — een ontkend normatief ideaal, een subjectief en daarmee beperkt rechtvaardigheidsbegrip, en een mogelijk averechts werkend beroep op eigenbelang — en bepleiten zij een hermeneutisch alternatief dat meer ruimte biedt aan sociaal-historische context en aan expliciete omgang met verschillende gezinsidealen.

Als filosofisch-theoretische bijdrage levert dit artikel geen empirisch bewijs over de effectiviteit van contextuele therapie, maar wel een waardevolle, kritische verdieping van de conceptuele grondslagen waarop deze benadering rust. Binnen de evidentiebasis voor de discipline Contextueel Therapeut neemt deze publicatie daarmee een aanvullende, theorie-verdiepende plaats in: zij herinnert eraan dat ook goed gefundeerde therapeutische tradities gebaat zijn bij voortdurende kritische zelfreflectie, en dat de vraag naar wat een “goede familie” precies is, ook bijna dertig jaar later, alle aanleiding geeft tot verdere doordenking binnen het vakgebied.

Eindnoten

  1. Fowers BJ, Wenger A. Are trustworthiness and fairness enough? Contextual family therapy and the good family. Journal of Marital and Family Therapy. 1997;23(2):153-169; discussion 171-173. PMID: 9134479. https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/9134479/
  2. Frank C. Major constructs of contextual therapy: An interview with Dr. Ivan Boszormenyi-Nagy. The American Journal of Family Therapy. 1984;12(1):7-14. doi:10.1080/01926188408250154. https://doi.org/10.1080/01926188408250154
  3. van der Meiden J, Noordegraaf M, van Ewijk H. Applying the Paradigm of Relational Ethics into Contextual Therapy. Analyzing the practice of Ivan Boszormenyi-Nagy. Journal of Marital and Family Therapy. 2018;44(3):499-511. doi:10.1111/jmft.12262. https://doi.org/10.1111/jmft.12262
  4. van der Meiden J, Verduijn K, Noordegraaf M, van Ewijk H. Strengthening Connectedness in Close Relationships: A Model for Applying Contextual Therapy. Family Process. 2020;59(2):346-360. doi:10.1111/famp.12425. PMID: 30615196. https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/30615196/
  5. Ducommun-Nagy C. The essence of contextual therapy, its place in the field of family therapy, and its role in the future. Family Process. 2025;64(1):e13070. doi:10.1111/famp.13070. PMID: 39449155. https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/39449155/
  6. Daneshpour M, Ducommun-Nagy C. Introduction to the Special Section on Contextual Therapy. Family Process. 2025;64(2):e70039. doi:10.1111/famp.70039. PMID: 40369838. https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/40369838/

Auteur

Rick

Gepubliceerd op

11 augustus, 2026

Thema

Wetenschappelijke studies

Tags

Deel dit artikel

Elke dag een druppeltje zon

Zes maanden lang gratis!

Gerelateerde artikelen