“Ik zou willen dat mensen kunnen praten over de dood en wat er daarna gebeurt.”

Een interview met Janis Heaphy Durham, tweevoudig Pulitzerprijswinnares, over de onverklaarbare gebeurtenissen na de dood van haar man en haar onderzoek.

Waarom praten over de dood zo belangrijk is

In dit interview vertelt journalist Janis Heaphy Durham waarom we vaker moeten praten over de dood en wat er daarna gebeurt, en hoe dat gesprek over de dood mensen kan helpen bij verlies. Meer verhalen over dit thema lees je in het PSC Magazine. Voor wetenschappelijke achtergrond over bijna-doodervaringen, zie ook Wikipedia over bijna-doodervaringen.

In dit interview gaat het uitgebreid over de dood: waarom we vaker moeten praten over de dood en wat er daarna gebeurt.

Een interview met Janis Heaphy Durham

Janis Heaphy Durham is journalist en werkte ruim twintig jaar voor The Los Angeles Times. Als eerste uitgeefster van The Sacramento Bee won zij twee Pulitzerprijzen. Durham groeide op in een plattelandsgezin dat de Presbyteriaanse Kerk aanhing. ‘Het bovennatuurlijke was niet iets dat besproken werd’, legt Durham uit. ‘Ik had dan ook geen enkele ervaring met iets dat ook maar in de buurt kwam van wat ik ervaarde vlak nadat mijn man Max Besler overleed. Ik groeide op in het traditionele Ohio. Mijn vader was priester in de Presbyteriaanse Kerk en mijn 3 broers en zussen en ik werden opgevoed met het geloof in de hemel, God en de kerk. Dat was mijn achtergrond. Ik haalde mijn diploma, ging studeren en kwam daarna terecht in de krantenwereld. Toen mijn man in 2004 overleed, werkte ik als uitgeefster van The Sacramento Bee, een rol waarin ik het bedrijf eigenlijk leidde als functioneel directeur. De kanker werd gediagnosticeerd in oktober van 2013 en hij overleed in mei 2014.’

Wat gebeurde er toen?

‘Kort nadat hij overleed, deed zich een serie van buitengewone incidenten voor in ons huis. Het waren incidenten die ik nog nooit eerder ervaren had en waar ik totaal niet bekend mee was. Het eerste incident vond plaats een week nadat hij overleed. Mijn man overleed in onze woonkamer. Ik wilde niet dat hij zijn laatste momenten in een ziekenhuis zou doorbrengen. We waren met zijn zevenen bij elkaar op het moment dat hij zijn ogen voorgoed sloot om 12.44 uur. In onze woonkamer hing boven de openhaard een grote klok. Precies een week nadat mijn man overleed, stopte deze klok om 12.44 uur. Ik geloofde mijn ogen niet. Toen ik het zag, belde ik mijn zoon Tanner van 14 om mezelf ervan te vergewissen dat ik mijn verstand niet aan het verliezen was. Hij kwam naar het huis, zag de klok en was zelf ook met stomheid geslagen.

Dit was het eerste belangrijke incident. Daarna volgde er een incident op 14 juni, Vaderdag. Ik was alleen thuis en zat op de bank. Ik luisterde naar muziek van Celine Dion: “For all the times you stood by me…”. Dit draaiden we onder andere op de begrafenis van mijn man. Ik luisterde naar de muziek en huilde, maar voelde me op de een of andere manier opgejaagd en ging naar onze bibliotheek. Onze bibliotheek staat van vloer tot plafond vol met boeken. Zonder dat ik wist waarom, pakte ik een boek van de plank. Ik weet niet waarom ik dat boek pakte, maar terwijl ik het van zijn plek haalde, viel er een enveloppe uit. Er stond ‘Max’ op in een prachtig handschrift. Ik schaam me voor de gedachte, maar als echtgenote kwam de stekende gedachte op dat mijn man een affaire had gehad. Zoals je een pleister snel van je huid trekt, opende ik de enveloppe. Ik vond een kaart van zijn moeder, die was gedateerd op 14 juni van het jaar voordat hij overleed. Ze schreef: “Lieve Max, Ik heb je nog nooit in je leven zo gelukkig gezien. De reden hiervoor is je familie en de grote liefde die je voor Janis en Tanner voelt.” Op dat moment vroeg ik me af hoe groot de kans was, dat ik op 14 juni een willekeurig boek van een plank trek met daarin een kaart, geschreven een jaar eerder op dezelfde dag toen mijn man nog kankervrij was. Het was een waar geschenk. Ik realiseerde me, dat dit geen toeval kon zijn. Dit kon gewoonweg niet zomaar gebeuren.

Na deze gebeurtenis volgden er verschillende onverklaarbare incidenten, zoals geklop op de muur, deuren die open- en dichtgingen zonder dat er ook maar een zuchtje wind stond en knipperende lampen. Twee of drie maanden na Max’ dood begon ik met het uitzoeken en wegdoen van zijn spullen; iets wat ik moeilijk vond. Terwijl ik bezig was, begonnen alle lampen te knipperen. Ik negeerde al deze incidenten. Ik had het druk en probeerde het verlies van mijn man te verwerken. Ik had een drukke baan en mijn zoon. Ik wilde vooral niet dat mijn zoon ongerust zou zijn over mij, dus ik ging gewoon door.

Een jaar na de dood van Max, het was 8 mei Moederdag, waren mijn zoon en ik in de tuin. Hij deed huiswerk, ik was aan het werk voor de krant. Ik ging naar de keuken om wat te eten te maken. Ik waste mijn handen en keek op in de spiegel en ik zag een grote handafdruk. Het was een perfect gevormde rechterhand; het leek wel een röntgenfoto. Ik kon alle lijntjes zien. Handen zijn heel persoonlijk en verbonden aan een lichaam. De handafdruk was daar en het was onwerkelijk. Ik geloofde mijn ogen niet. Mijn hersenen zeiden dat dit onmogelijk was, maar mijn ogen zagen heel duidelijk die hand. Ik riep mijn zoon. Ik dacht even dat hij misschien een grapje had gemaakt, dus ik vroeg hem zijn hand naast de afdruk te houden. Maar zijn hand was veel kleiner. Deze was de hand van een man, niet van een kind. We konden het niet verklaren.’

Welke rol speelden deze incidenten in jouw leven?

‘Het leven ging verder. In Amerika is het niet gewoon of gepast dat je je bezighoudt met dit soort onderwerpen als leidinggevende van een groot bedrijf. Je hebt de verplichting naar je bedrijf om je bezig te houden met feiten. Ik kon dus niet bezig zijn met wat er gebeurde of dit verder uitzoeken. Een jaar later echter verscheen er weer een afdruk. Dit keer in de vorm van een engel. En in 2007 verscheen de hand nogmaals, maar dit keer de linkerhand. Uiteindelijk besloot ik te stoppen met werken. Ik was inmiddels hertrouwd en wilde genieten van het leven met mijn nieuwe man. Op het moment dat ik stopte met werken, besloot ik te gaan onderzoeken wat er nu eigenlijk allemaal gebeurde.

Ik zal nog één voorval toelichten dat plaatsvond in juli 2005 in Europa. Ik was met mijn zoon in Portofino. We bezochten Rome en Florence eerst, maar eindigden in Portofino, omdat Max daar graag zijn vakantie had willen doorbrengen. Helaas was hem dit niet gelukt. Wij besloten er dus samen heen te gaan. Het is prachtig daar. Op een avond gingen we eten met uitzicht op het water, de bootjes, lichtjes; het was perfect. We vroegen een voorbijgangster om een foto van ons te maken. Deze foto staat in het boek. We ontwikkelden de foto toen we weer thuis waren. En het is ongelofelijk wat we zagen. Tussen onze schouders is een bootje te zien, een heel eind de zee op. Op die boot staat echter duidelijk de naam Max te lezen. Het is onmogelijk zoiets met opzet voor elkaar te krijgen.

Ik denk dat al deze incidenten berichten van Max zijn geweest. Het waren geen willekeurige berichten van een andere geest of ziel. Ik denk dat Max heeft uitgevonden hoe hij contact met me kon opnemen. En dit ben ik uit gaan zoeken. Ik ben een rationeel mens en heb me altijd beziggehouden met feiten, dus ik formuleerde duidelijk vragen: kan ons bewustzijn de dood overleven? Is er meer dan alleen de fysieke realiteit? Gaan we verder in een andere hoedanigheid? Dit waren de uitgangspunten voor mijn onderzoek.’

Hoe begon je onderzoek?

‘Ik kwam in contact met een kwantumnatuurkundige verbonden aan UCLA (University of California, Los Angeles). Hij legde me de theorieën van de kwantummechanica uit. Dit is interessante informatie. De traditionele natuurkunde ontstond 350 jaar geleden met de theorieën van Isaac Newton. Echter in de beginjaren van de twintigste eeuw kwam er een jonge groep wetenschappers die vragen begon te stellen op subatomair niveau. Het gaat hier om de kleinste deeltjes denkbaar. Toen ze deze deeltjes begonnen te bestuderen, ontdekten wetenschappers dat deze zich anders gedroegen dan de traditionele natuurkunde altijd had gedacht. Zo ontdekten ze bijvoorbeeld dat materie kan reizen door tijd en ruimte op manieren die tegengesteld waren aan de traditionele wetenschap. Ze ontdekten dat licht kon bestaan op verschillende locaties. Dit zijn opmerkelijke ontdekkingen. Einstein zei hierover dat het hem zijn haren deed uittrekken. Hij vond het spookachtig, omdat hij het niet kon begrijpen.

Ook bij mij ontstonden vragen toen deze theorieën tot mij doordrongen: is het mogelijk dat ons bewustzijn op meerdere plekken kan bestaan? En dat het zich kan verplaatsen door de tijd en ruimte heen naar een andere realiteit? Ik begon te geloven dat dit waar zou kunnen zijn. Natuurlijk moet je eerst geloven dat bewustzijn buiten het brein bestaat. Traditionele wetenschappers zijn ervan overtuigd dat bewustzijn aan het brein is verbonden en dat, wanneer iemand overlijdt, ook zijn brein stopt. Nieuwe wetenschappers stellen de vraag of het brein misschien slechts een receptor is, een ontvanger. Zij stellen de vraag of de geest, ziel, het bewustzijn, hoe je het ook noemen wilt, verdergaat in een andere vorm na de dood. Ik geloof dat dat zo is. En ik geloof dat Max ontdekt heeft, dat hij van waar hij zich ook bevindt, kan reiken naar deze wereld.’

Dit is niet de enige wetenschapper die je geconsulteerd hebt.

‘Een andere wetenschapper met wie ik contact heb gehad en waarover ik in het boek vertel, is Dr. Bruce Greyson. Hij is autoriteit op het gebied van bijna-dood ervaringen. Hij bestudeerde ongeveer 800 gevallen van bijna-dood ervaringen van mensen die eigenlijk fysiek dood waren, maar terug werden gehaald door middel van elektrische schokken. Ongeveer 20 procent van deze mensen vertelt een verhaal van het lopen op een lange weg met aan het einde licht. Wanneer ze daar aankomen, zien ze mensen die ze kennen en al dood zijn. Het is een heerlijke plek en ze willen ernaartoe, maar iets haalt ze terug naar onze wereld. Volgens mij, en volgens andere wetenschappers die bijna-dood ervaringen onderzoeken, is dit het bewijs voor het idee dat bewustzijn buiten het brein en het lichaam bestaat.

Een derde grote bron van informatie vond ik in het Monroe Institute, opgericht door Bob Monroe. Deze vooraanstaande Amerikaanse zakenman had zelf een aantal buitenlichamelijke ervaringen, waarbij hij tegen het plafond van zijn huis dreef. Zijn lichaam was slapend, maar zijn geest bevond zich in een ‘gewijzigde’ staat, waarbij hij naar zichzelf keek. Hij besloot dit te gaan onderzoeken en deed verschillende experimenten. Hij gebruikte hiervoor de technologie die wordt gebruikt voor het maken van radio. Hij droeg een koptelefoon met verschillende geluiden aan beide kanten. Het brein probeert deze geluiden samen te brengen tot een geheel en terwijl het dat doet, raakt het brein in een ‘gewijzigde’ staat. Je slaapt niet, maar bent ook niet wakker; je zit ergens anders. Hij startte zijn onderzoek in 1972 en tot de dag van vandaag wordt het onderzoek in het door hem opgerichte instituut voortgezet. De meeste tijd van ons leven brengen we wakker of slapend door. Wanneer je terechtkomt in een andere staat, een meditatieve staat of een ‘gewijzigde’ staat, dan kun je het leven op een andere manier ervaren.’

Denk je dat er verschil bestaat tussen Amerika en Europa wanneer het over dit soort onderwerpen gaat?

‘Ik denk dat er zeker verschil is. Voor zover ik kan zien is Nederland een maatschappij die openstaat voor dit soort onderwerpen. Nederland is een land met jonge mensen met een progressieve instelling. Een vraag die werkelijk belangrijk is, is de vraag wat ons doel in dit leven is. Waarom zijn we hier? Een van de dingen die Max tegen me zei vlak voor zijn dood is: “We zijn allemaal bezig onszelf door het leven te worstelen met onze dagelijkse beslommeringen. Maar uiteindelijk draait het alleen maar om liefde. Liefde is de essentie van het leven.” Het antwoord op de vragen ‘waarom zijn we hier’ en ‘wat is de bedoeling’, bestaat voor mij uit twee zaken: liefde en leren. En dat neem je mee naar een volgend leven.

Ik heb mijn boek geschreven, omdat ik zou willen dat mensen zich deze vragen stellen en erover praten. Veel mensen praten niet over doodgaan of over wat er daarna gebeurt; hierover praten is beangstigend. De dood is intimiderend, verontrustend en verdrietig. Wanneer iemand die van je houdt, overlijdt, kun je deze persoon nooit meer aanraken of ruiken. Wanneer je zou weten dat deze persoon er nog is, maar in een andere vorm, wat ikzelf geloof, dan kan dat troostend zijn en het verlies dragelijk maken.’

Heb je veel gesproken over wat je meemaakte met je omgeving?

‘Voordat ik het boek schreef, sprak ik eigenlijk niet over de incidenten die plaatsvonden. Zoals ik eerder zei, is het niet gepast in mijn cultuur om als leidinggevende van een bedrijf over dit soort dingen te praten. Je hoort je bezig te houden met de feiten. Toen ik eenmaal gestopt was met werken, begon ik erover te praten met familie en vrienden. Ik ontdekte dat sommigen ervoor openstonden en anderen niet. En ik denk dat dat nu nog steeds zo is. Ik heb een bepaalde kijk op het leven naar buiten gebracht en ik denk dat dit sommige mensen uit hun comfortzone haalt. Maar ik denk dat meer en meer mensen zich afvragen waar het nu werkelijk om draait. Dat zie ik bijvoorbeeld wanneer ik naar mijn zoon kijk, die nu 25 is. Ook hoor ik van steeds meer mensen, vooral vrouwen, dat zij soortgelijke dingen hebben meegemaakt.

Voordat ik mijn boek schreef, ontmoette ik een dame terwijl we in de rij stonden voor de toiletten. Ze was een vriendin van een vriend en ze vroeg me waar ik mee bezig was. Ik vertelde haar dat ik een boek aan het schrijven was en waar het over ging. Daarop vertelde ze me dat ze, toen ze hoorde dat ze een ongeneeslijke vorm van borstkanker had, in de spreekkamer in het ziekenhuis uit haar lichaam trad en zichzelf, haar man en de arts vanaf boven bekeek. Negen jaar later na een intensieve behandeling was ze kankervrij. Ze keek terug op die ervaring met het idee dat haar bewustzijn het niet aankon te horen, dat ze zou sterven en dat haar bewustzijn daarom uit haar lichaam trad. Ze had deze ervaring nooit aan iemand verteld, zelfs niet aan haar man, omdat ze dacht dat mensen haar voor gek zouden verklaren. Dit maakte mij extra overtuigd om mijn boek te schrijven. Het is vreselijk dat mensen niet open kunnen zijn over hun ervaringen uit angst voor gek verklaard te worden. Een paar weken geleden kwam ik deze vrouw toevallig weer tegen. Ze had mijn boek gelezen en zei dat ik met het schrijven van mijn boek, haar ervaring had bekrachtigd, gevalideerd. Ze dacht dat ze gek was en anders, maar kwam erachter dat anderen dezelfde ervaringen hebben, dus dat ze niet zo gek of anders is. En dat maakt me blij. Het maakt me blij dat we kunnen praten over deze onderwerpen. Dat we kunnen praten over verlies, angst en de dood.’

Is je onderzoek nu afgerond?

‘Ik doe mijn best te luisteren naar het universum. Want ik geloof dat we allemaal onderdeel zijn van een groter geheel. In de tijd dat ik mijn onderzoek deed, zag ik soms gouden of lichtgevende vormen en cirkels. Toen ik dit ging uitzoeken, kwam ik uit bij Indra’s net. Dit is een vedisch geloof dat ervan uitgaat dat we allemaal verbonden zijn in het universum. Net als spiegels die tegenover elkaar staan en elkaar reflecteren tot in de oneindigheid. Op een dag was ik in ons vakantiehuisje en ik pakte een boek, weer een willekeurig boek. Er was een gedeelte gemarkeerd; dat moet Max gedaan hebben, maar dat doet er niet toe. Hij had een uitspraak van Marcus Aurelius gemarkeerd: Do not fear death, because death is nature’s way. Er was nog een tweede uitspraak gemarkeerd: We are all part of a large universe. And there is a web. The threading of the texture of the web is with us.

Ik ben ervan overtuigd dat wat ik zag en waar Marcus Aurelius over schreef, hetzelfde is. Ik kreeg een boodschap over dit universele geheel waar we allemaal toe behoren. Dit stimuleert me om door te gaan met onderzoeken en schrijven, om hiermee mensen aan het denken te zetten over de grotere vragen in het leven. Ik ben geen autoriteit, maar ik ben nieuwsgierig en geïnteresseerd in leren. Dus als ik iets kan leren en dit kan delen, dan geeft mij dat veel voldoening.’

Is er tot slot nog iets dat je ons mee wil geven?

‘Ik wil graag een citaat geven van een Amerikaans schrijfster, Harriet Beecher Stowe: The sting of death at the graveside is for words unsaid and deeds undone. Ik denk dat, wanneer we een dierbare verliezen, we zoveel verdriet hebben, omdat we niet genoeg voor en met deze persoon gedaan hebben toen deze er nog was. Als er één belangrijke boodschap is in mijn boek, dan is dat deze: Make sure that you love the people who you are with and that you give them everything that you have to give! Live with the love now!’

Meer informatie over Janis Heaphy Durham en haar boek is te vinden op: www.handonthemirror.org.

Auteur

Redactie PSC Magazine

Redactie PSC Magazine

Gepubliceerd op

20 augustus, 2026

Thema

PSC Magazine 2016

Tags

Deel dit artikel

Gerelateerde artikelen