Inhoudsopgave
Het onbezorgde leven
Ik ben Linda Romein, geboren en getogen op een boerderij aan de rand van Rotterdam. Als kind was ik vrolijk, sociaal en onbezorgd. Met mijn beste vriendinnetje van de lagere school ging ik naar het vwo in Hillegersberg-Schiebroek en daarna studeerde ik Verpleegkunde aan de Hogeschool Rotterdam. In die tijd kwam ik mijn man Erik tegen, die Lucht- en Ruimtevaarttechniek studeerde. Vrienden, feesten, een leuke studie die bij mij paste, een knappe, intelligente vriend. Wat wil een mens nog meer?
Na het behalen van onze diploma’s vertrokken we voor een jaar op wereldreis. We werkten in de tuinbouw, op een paardenrenbaan, in de horeca; haalden ons duikbrevet, vlogen met de postbode naar de Aboriginals, hielpen met het scheren van duizenden schapen.
Toen we terug in Nederland waren gingen we samenwonen. Eerst in een woongroep – we wilden het studentenleven nog niet helemaal loslaten – later in een benedenwoning in de wijk Bergpolder. Ons fijne, onbezorgde leven zette zich voort.
Terugkijken op het onbezorgde leven
Het onbezorgde leven van vroeger voelt soms ver weg, maar de herinnering eraan blijft een bron van kracht. Lees ook meer persoonlijke verhalen in dit magazine over veerkracht en balans. Voor meer achtergrond over omgaan met tegenslag verwijzen we naar Mind Platform.
Van roze wolk naar intens verdriet
Op mijn dertigste werd ik zwanger. Ik voelde me geweldig, maakte me nergens druk om, wist toen al dat ik een relaxte moeder zou worden. En toen werd Lars geboren. Vier weken te vroeg, maar dat mocht de pret niet drukken. We waren verrukt. Voordat we naar huis mochten, moesten we nog een nacht in het Franciscus Gasthuis blijven, mijn ziekenhuis waar ik al drie jaar werkte als dialyseverpleegkundige. De volgende ochtend wilde de kinderarts Lars nog even nakijken voordat we met ontslag gingen.
Het was een aantal verpleegkundigen opgevallen dat zijn hoofdje wat langgerekt was. Ik zat op een roze wolk en maakte me niet druk. Erik wel. Het zat hem helemaal niet lekker. Lars moest voor een echo. Toen de arts ons de uitslag kwam mededelen en ons vroeg daarvoor even met hem mee te lopen naar een aparte ruimte – zijn gezichtsuitdrukking veel te strak en serieus – veranderde de vloer van de verpleegzaal in een schuine helling. Ik voelde de nieuwsgierige blikken van de andere jonge ouders. Vreselijk. Er zat een ruimte-innemend proces in Lars zijn hoofd, in het derde ventrikel. Daarom had Lars een waterhoofd. Intens verdriet en hevige angst maakten zich van mij meester.
Drie dagen later volgde de voorlopige diagnose: een plexuspapilloom. PA-materiaal moest deze nog wel bevestigen. We waren inmiddels verplaatst naar het EMC, Sophia Kinderziekenhuis. Het plan was om Lars een drain te geven om het hersenvocht af te laten vloeien en hem te opereren als hij een half jaar oud was. Erik en ik waren erg optimistisch, vol vechtlust. Het zou uiteindelijk helemaal goed komen met ons mooie mannetje.
Ik verbleef met Lars op een eigen box op de afdeling Neurologie/Neurochirurgie en voelde me daar ondanks alles best prettig. Het contact met de artsen en verpleegkundigen was bijzonder fijn.
Maar toen kwam de dag van het vreselijke nieuws. De neurochirurg zei: “Wil je je man naar het ziekenhuis laten komen? Ik moet jullie dringend spreken.” Ik wist het meteen, ik zag het aan de uitdrukking op haar gezicht – ernstig, meelevend, verdrietig ook. Lars had kanker, de tumor was toch kwaadaardig.
Op weg naar een depressie
In de eerste vier maanden van Lars zijn leven waren er oneindig veel complicaties: draininfecties, reanimatie, verhoogde hersendruk, verlaagde hersendruk, afgeblazen chemotherapieën omdat Lars te ziek was… En ik, ik bleef maar op die box, zo dicht mogelijk bij mijn ventje. Ik vocht met hem mee door hem te vertroetelen, te verzorgen, te verplegen, mee te denken met de artsen. Het putte me volledig uit, maar ik wilde niet anders, kon niet anders.
Na weken ging ik voor het eerst even naar ons huis. Het was een zonnige dag in de late herfst. Erik en ik stonden samen in onze tuin, die ik net voor de bevalling nog had opgeleukt met hei en winterviolen. Het leven is nog steeds mooi, ondanks onze extreme zorgen, dacht ik op dat moment. We gaan het redden, met of zonder Lars. Een uur later zat ik weer in het ziekenhuis, in alle stress. Lars had het zwaar, dag en nacht. Langzaam verloor ik alle grip. Het liefst kroop ik zodra het kon, op mijn stretcher. Ik belde niet naar Erik, mijn familie en vrienden voor een update. Vaak zat ik urenlang buiten op het bankje van het Sophia te trillen van de winterse kou en de spanning. Ik sliep niet meer. Angsten slopen mijn lichaam binnen. Ik zag al op tegen het opwarmen van een maaltijd in de magnetron.
Het ging echter zo geleidelijk dat ik het niet door had. Een keer, in het begin, had ik een helder moment: ik word toch niet depressief? Daarna had ik niet meer het vermogen om te reflecteren. Zowel de artsen en verpleegkundigen als mijn familie vonden het logisch dat ik me slecht voelde. We hadden immers een doodziek kind met een slechte prognose. Ik vocht constant om normaal over te komen. Dat deed ik overigens volkomen onbewust. Niemand wist daardoor hoe slecht ik eraan toe was. Ikzelf ook niet. Ik moest van de psychiater afstand nemen van Lars, maar kon het niet. Ook thuis was hij constant in mijn gedachten, en ik ervoer hevige stress omdat ik niet bij hem was om hem te troosten en te controleren of hij de goede zorg kreeg.
Toen Lars vier maanden oud was, mocht hij voor het eerst voor langere tijd naar huis. De psychiater dacht dat dat mij uit mijn depressie zou halen omdat ik eindelijk zelf kon moederen over Lars, in mijn eigen omgeving. Maar ik kreeg laaiende stress van het idee dat hij thuis zou komen! Ik kon het soms geeneens opbrengen om de douchecabine in te stappen. Hoe moest ik dan voor Lars zorgen?
Laaiende stress
De dag voor het ontslag ging het voor het eerst helemaal mis. Ik reed naar een flat en stond daar urenlang buiten in de snijdende winterkou, terwijl de wanhoop mij overspoelde en sneeuwvlokken in mijn gezicht waaiden. Daarna belde ik Erik. “Ik ben in de war, kom je me halen.” De antidepressiva die ik inmiddels slikte, sloegen nog niet aan, dat was wel duidelijk. Met de belofte dat ik mezelf echt niets aan zou doen, dat ik alleen wilde ontsnappen aan de situatie maar niet dood wilde, ging ik weer naar huis.
Een paar weken later reed ik weer naar de flat, omdat Erik me ter afleiding mee wilde nemen naar een theatervoorstelling van Jochem Meijer. We zouden Lars daarvoor naar onze schoonouders brengen. Weer die laaiende stress: hoe moest ik dat organiseren? Niemand miste me die dag.
Het was vroeg in de ochtend en Erik sliep nog. En toen kwam de derde keer dat ik naar de flat reed. Mijn brein was inmiddels helemaal overgenomen door de depressie. Alle handelingen en gedachten kwamen daaruit voort. Ik had die dag een dubbele afspraak en wist niet hoe ik dat op moest lossen. In een impuls reed ik weer naar die flat. Geen afscheid, geen gedachten als: wat doe ik iedereen aan? Blanco. Op het allerlaatste moment werd ik door twee vrouwen tegengehouden toen ik op het punt stond uit het leven te stappen. Ik kreeg een IBS. Achteraf gezien is dat mijn redding geweest. Ik moest nu gedwongen afstand nemen van Lars en alle ziekenhuisstress. Lars zat op dat moment nog in zijn chemoperiode, op een andere afdeling vlakbij. Maar ik hoefde even helemaal niets, mocht ook niets.
Het licht ging weer aan
De eerste vier weken knapte ik niet op, ik werd eerder slechter. Ik vocht nog steeds te veel, vond mezelf een nietsnut en maakte me vreselijk zorgen om Erik en mijn moeder, die nu alles voor Lars moesten doen.
Ik kreeg andere antidepressiva. En toen: drie dagen daarna ging het licht weer aan. Van de een op de andere dag was ik weer helemaal beter. Ik zag tijdens een dag verlof een huis te koop staan tijdens een wandeling met Erik en Lars en ik dacht: leuk, dat huis! Mijn eerste positieve gedachte in maanden. Een week later ging ik met ontslag. Ik stopte met medicatie en ben nooit meer depressief geweest, ondanks dat we nog drie jaar hebben moeten vechten tegen de kanker.
Twaalf jaar later
Vorige week heb ik een kop koffie gedronken met mijn psychiater. We hadden elkaar twaalf jaar niet gezien. “Ik heb je boek in een adem uitgelezen,” schreef zij mij via LinkedIn. “Ik heb niet eerder zo’n indringend beeld gekregen van wat er zich vanbinnen bij een depressie kan afspelen in relatie tot hoe iemand naar buiten overkomt (…) Dat is voor mij heel schokkend, maar ook heel leerzaam.” Het was fijn om eens met haar te praten met een helder brein. Ze vroeg me in maart te spreken op een symposium dat wordt georganiseerd door de stichting die zij mede heeft opgericht: Mind2care. Dat doe ik graag! Ik wil mijn steentje bijdragen om het taboe op depressie en suïcide te doorbreken. Mensen laten inzien dat het je zomaar kan overkomen, ook zonder erfelijke belasting, en ook als je een vrolijk en positief mens bent. In mijn boek komt dat goed naar voren. Ondanks het zware onderwerp leest het trouwens als een trein en het bevat de nodige Rotterdamse humor. Dat boek was een van mijn doelen en iedereen die het heeft gelezen, bevestigt dat dat heel goed is gelukt!
Tekst: Linda Romein

