De epigenetica van ADHD & glutamaat – deel 4: ADHD is een genetische aandoening

Lucas Flamend ontkracht in deel 4 van zijn serie het misverstand dat ADHD puur genetisch bepaald is, en laat zien hoe groot de invloed van epigenetica is.

Inhoudsopgave

Lucas Flamend startte twintig jaar geleden een eigen praktijk als psychotherapeut. Als ADHD-ervaringsdeskundige specialiseerde hij zich gaandeweg in de ADHD-problematiek. Hij merkte dat de psychische klachten van ADHD gepaard gaan met lichamelijke klachten. Na een aantal opleidingen is hij zich meer gaan richten op de fysieke oorzaken van ADHD. Zo kwam hij uit bij de epigenetica, die de invloed van omgevingsfactoren zoals voeding en stress op de werking van de genen bestudeert. Eind 2019 kwam zijn tweede boek De epigenetica van ADHD & glutamaat uit. In deze editie licht hij het misverstand ‘ADHD is een genetische aandoening’ uit.

In 2010 publiceerden dr. Nigel Williams van de Cardiff University School of Medicine en zijn collega’s een onderzoek waaruit bleek dat kinderen met ADHD genetische afwijkingen hebben. Volgens de onderzoekers waren hun bevindingen een direct bewijs dat ADHD wordt veroorzaakt door genetische factoren, en dat er geen verband is tussen sociale oorzaken zoals opvoeding en ADHD-symptomen. Wat volgde was een stormvloed van protest van andere wetenschappers. Een ervan merkte op dat de auteurs vergeten waren te definiëren wat ‘genetisch’ nu eigenlijk betekent. Veel mensen zien ‘genetisch’ als een toestand van onveranderlijkheid: ‘een genetische afwijking heb je voor het leven’ – is wat de meeste mensen denken.

De hardware en de software

Erfelijkheid bestaat uit twee componenten. Het eerste is de hardware: het zwarte haar en de lange benen. De hardware vertegenwoordigt de onveranderlijke genetische eigenschappen, het domein van de genetica. De hardware kun je niet veranderen, maar wel beïnvloeden. De tweede component gaat over de software. Genen hebben informatie nodig over hoe hun omgeving eruitziet. De interactie tussen de genen en hun omgeving is het domein van de epigenetica.

De werking van de software wordt beïnvloed door omgevingsfactoren. Eet men te veel suiker, dan passen de genen zich aan door een toestand van insulineresistentie te creëren; dit noemen we epigenetische adaptatie. Een ander voorbeeld, maar ditmaal erfelijk, is roken: het rookgedrag van de voorouders veroorzaakt een verhoogde kans op spataders bij hun nageslacht.

De genen die invloed hebben op ADHD, omvatten twee componenten: enerzijds de genetische eigenschappen die onveranderlijk zijn en anderzijds de epigenetische eigenschappen. Beide componenten worden beïnvloed door de omgeving. Iemand met een traagwerkend GAD, het enzym dat glutamaat omzet in GABA, is geholpen met een omgeving die zo weinig mogelijk glutamaat verhoogt. Ondanks de genetische afwijkingen kan men de afwijkende genen dus positief beïnvloeden. Door je levensstijl te veranderen – gezond te eten, te bewegen en voldoende te slapen – ‘corrigeer’ je zelfs de epigenetische adaptatie die je van je ouders erfde, met als gevolg dat je kinderen een gen erven dat minder problemen veroorzaakt.

Er zijn talloze onderzoeken die aantonen dat troostvoeding, chemische stoffen, geneesmiddelen en drugs epigenetische adaptaties veroorzaken die erfelijk zijn. We weten dat trauma’s via de genen van de ouders worden doorgegeven, en dat kinderen van moeders die tijdens de prenatale fase overgewicht, stress- en angststoornissen hadden, een nadelige epigenetische programmatie hebben.

Prenatale factoren en de geboorte

Zodra moeder en vader hun bijdrage hebben geleverd aan de conceptie, heeft het embryo gemiddeld negen maanden om zich te ontwikkelen. De genetische eigenschappen staan dan al vast, en ook een groot deel van de epigenetische eigenschappen van beide ouders. De bevruchte eicel wordt vanaf dit moment beïnvloed door omgevingsfactoren in de baarmoeder: voeding, geneesmiddelen, chemische stoffen, maar ook liefde, beweging, muziek, stress, negativiteit en geweld.

We weten allemaal dat het niet verstandig is om tijdens de prenatale fase te roken, alcohol te drinken of drugs te gebruiken. Maar dat je ook beter geneesmiddelen laat liggen, daar is de reguliere zorg iets minder transparant over – terwijl geen enkel onderzoek met zekerheid kan zeggen dat geneesmiddelen veilig zijn voor het ongeboren kind. Zelfs paracetamol: neem je dat langer dan 29 dagen tijdens de zwangerschap, dan verdubbel je de kans op het krijgen van een kind met ADHD. Recent onderzoek laat bovendien zien dat moeders met een ongezond westers dieet zeventig procent meer kans hebben op een kind met ADHD dan moeders die gezond eten.

Ook tijdens het geboorteproces kunnen epigenetische veranderingen optreden, bijvoorbeeld door het langdurig toedienen van synthetische oxytocine. Onderzoek laat zien dat 67% van de kinderen met ADHD op de wereld is gezet met weeënopwekkers; zonder weeënopwekkers zakt dit percentage naar 35%. Bij kinderen geboren via een keizersnede werden bovendien epigenetische veranderingen geconstateerd in 350 DNA-regio’s die te maken hebben met immunologische functies en metabolisme. Premature baby’s hebben twee- tot driemaal meer kans op ADHD, wat eens te meer duidelijk maakt dat de omstandigheden voorafgaand, tijdens en vlak na de geboorte van grote invloed zijn op het ADHD-proces.

Omgevingsfactoren na de geboorte

Omdat melk het eerste is wat een baby als voeding krijgt, is het interessant om na te gaan wat de invloed is van moedermelk of koemelk op de ontwikkeling van ADHD. De concentratie caseïne-exorfinen in koemelk is vele malen hoger dan in moedermelk, en heeft een opiaatsterkte die soms krachtiger is dan eenzelfde hoeveelheid morfine. Een grootschalig onderzoek laat zien dat 71% van de kinderen met ADHD gevoed is met koemelk, tegen 47% bij kinderen zonder ADHD.

In een onderzoek bij twee groepen van ieder 57 kinderen kreeg de ene groep zes maanden lang Lactobacillus rhamnosus GG, die exorfinen afbreekt, en de andere groep een neppil. Dertien jaar later had 13% van de kinderen in de neppil-groep ADHD of autisme ontwikkeld, tegenover geen enkel kind in de groep met de bacterie. Ook is bekend dat kinderen die gevoed werden met moedermelk aanzienlijk minder kans hebben op allergische aandoeningen zoals astma of hooikoorts dan kinderen die koemelk kregen.

Besluit

Kinderen met ADHD zijn de symptoomdragers van hun ouders. Ze erven de aandoening niet, maar wel de aanleg ervoor. ADHD heeft zowel een genetische als een epigenetische component, die je grotendeels kan beïnvloeden door omgevingsfactoren die je zelf in de hand hebt.

Zoals blijkt uit het voorgaande is de aanname ‘ADHD is een genetische aandoening’ eerder wensdenken van de farmacie dan realiteit. ADHD wordt beïnvloed door verschillende routes, waaronder het beloningssysteem, het antibeloningssysteem en het stresssysteem; factoren die op hun beurt invloed hebben op het immuunsysteem, antioxidanten, ontgifting en energieaanmaak. ADHD is niet alleen een aandoening van de hersenen, het is een aandoening die betrekking heeft op het hele lichaam. Een van de belangrijkste regels van de epigenetica is ‘overstimulatie leidt tot uitputting’. De vraag is dan: wil je een aandoening die het gevolg is van overstimulatie, behandelen met geneesmiddelen die nog meer stimuleren?

Epigenetica van ADHD in het kort

De epigenetica van ADHD laat zien dat ADHD niet uitsluitend een genetische aandoening is. Omgevingsfactoren zoals voeding en stress beïnvloeden via epigenetica hoe genen tot expressie komen, en spelen dus een grote rol bij ADHD. Meer achtergrond over epigenetica is te vinden bij het Epigenetisch Kenniscentrum. Lees ook ons overzicht van vakartikelen voor meer duiding over ADHD.

Auteur

Redactie TCC Magazine

Gepubliceerd op

20 augustus, 2026

Thema

TCC Magazine 2020

Tags

Deel dit artikel

Gerelateerde artikelen