“Als je een functie wilt begrijpen, onderzoek dan de structuur.” – Francis Crick
Fascia reageert op mechanische vraag en aanbod, verstrekt meer collageen ter ondersteuning waar nodig en scheidt enzymen uit om collageen weg te nemen waar het niet nodig is. Als het mechanisch overspannen is, ontstoken of geïmmobiliseerd, kunnen zich in de fascia zowel fibrose als verklevingen vormen (Langevin 2008). Pijnlijke spiercontracties en een afgenomen ROM (range of motion, bewegingsbereik) worden vaak in verband gebracht met rigide collageenachtig weefsel en andere weefsels die betrokken zijn bij krachtenoverdracht (Klingler 2012). Spieren die constant in een concentrische contractie liggen, zullen een dichter collageenweefsel ontwikkelen en vaak ‘locked-short’, ofwel verkort, zijn (Myers 2009). Deze gebieden kunnen vaak en doen dat ook, andere gebieden locked-short of locked-long, ofwel uitgerekt, maken. Dit kan er na verloop van tijd toe leiden dat de lichaamshouding zichtbaar verstoord is en zo asymmetrieën, compensaties en aanverwante spanningen creëren.
Hoewel alle verschijnselen op onderstaande lijst een non-fasciale oorzaak kunnen hebben, komen deze symptomen misschien wel het vaakst voor bij een fasciale dysfunctie:
- Een verminderd algemeen of lokaal bewegingsbereik – dit geldt zowel voor de gewrichten als voor het zachte weefsel rond het gewricht.
- Pijn in het zachte weefsel bij het maken van simpele bewegingen zoals naar de andere zij draaien in bed, een shirt aantrekken, etc.
- Minder motorische beheersing, een gebrekkige coördinatie in eenvoudige dagelijkse bezigheden zoals wandelen, schoenen aantrekken en dergelijke.
- Minder lenig zijn, minder veerkracht – alleen omdat een gewricht in een bepaalde hoek kan worden gedwongen, betekent dat nog niet dat het betrokken zachte weefsel voldoende soepel is.
- Een slechte houding of compensatiepatronen en spanningen door het hele lichaam.
- Zeurende pijnen en pijntjes die maar nooit weggaan – de klacht die een patiënt het vaakst aan een behandelaar vertelt, is: ‘Ik krijg deze therapie of die behandeling en dan voelt het een dag goed, maar daarna is het weer het oude liedje.’
- Een verminderde proprioceptie en/of interoceptie – dat manifesteert zich vaak als onhandigheid in het bewegen en het onvermogen om subjectieve of lichamelijke gevoelens te onderscheiden.
Daarom rijst de vraag hoe we bij de fascia nu een juiste diagnose kunnen stellen of disfuncties kunnen herkennen. Gelukkig helpt de techniek ons hier een handje, zoals we zullen zien, maar laten we eerst eens kijken welke methoden het langst gebruikt worden. Eerst wordt vaak naar de houding gekeken of, in medisch jargon, een patho-anatomische analyse gemaakt.
Patho-anatomische analyse
De patho-anatomische analyse (PAA) is een beoordeling van de lichaamshouding, die soms ook wel ‘body reading’ wordt genoemd. De kern van de PAA komt erop neer dat men benige kenmerken in het lichaam gebruikt om structurele symmetrieverstoringen waar te nemen die relevant zijn voor de klacht waar de patiënt mee komt. De relatieve scheefstand van de benige kenmerken van het lichaam biedt betrouwbare en nauwkeurige oriëntatiepunten voor de gebieden waar de fascia zoveel is verdicht dat het zichtbare verstoringen van de houding teweegbrengt. Deze verstoringen leiden meestal tot het onvermogen om bepaalde spieren en spiergroepen te gebruiken, tot een lichaamszwaartepunt dat niet in balans is en tot waarneembare spanningspatronen. Deze patronen moeten duidelijk uit te leggen zijn aan de patiënten en een plausibele hypothese vormen voor de klachten die ze hebben en waar ze die voelen.
Fascia en kanker
Hoewel het onderzoeksgebied nog maar net in opkomst is, is er een groeiende hoeveelheid onderzoek die lijkt te wijzen op een relatie tussen fascia en kanker (Langevin et al. 2016). Waar traditioneel kankeronderzoek zich richtte op het stoppen van de neoplastische transformatie van kankercellen, focussen de huidige inspanningen zich op de micro-omgeving van de tumoren, en dat is precies waar de fascia een rol speelt. Ruim een eeuw geleden werd er voor het eerst over gepubliceerd (Mueller & Fusenig 2004), en dan heeft men het in de literatuur over ‘stroma’ (de fasciale micro-omgeving). Het gaat in deze relatie primair over ontstekingen en weefselstijfheid. Het lijkt erop dat deze twee elementen meer neoplastische transformatie creëren (Albini & Sporn 2007, Whiteside 2008) en de groei van tumoren bevorderen. Dus waar lichaamsgerichte, integratieve therapieën (massage, yoga en acupunctuur) worden toegepast om de symptomen te verminderen en de levenskwaliteit van kankerpatiënten te bevorderen, bestaat ook de verleidelijke gedachte dat deze therapieën zouden kunnen dienen om het lichaam te helpen vrij te komen van kanker.
Tot dusver zijn de conclusies nog verre van eensluidend. Men moet nog maar bewijzen dat ECM-stijfheid op zichzelf oorzaak kan zijn van de verspreiding van tumoren. En het is al aangetoond dat tumoren zich zowel verwijderen van gebieden met stijfheid als dat ze zich ernaartoe bewegen (Spill et al. 2016). Er zijn echter genoeg opvallende correlaties die er in november 2015 toe leidden dat de Harvard School of Medicine de eerste gecombineerde Conferentie over acupunctuur, oncologie en fascia organiseerde. Er werd op dit congres ook verslag gedaan van ander onderzoek naar fasciagerichte manuele methoden. Alle presentaties werden gefilmd en zijn gratis online beschikbaar (Osher Center 2015).
Twee zaken zijn zeker. De eerste is dat men in de oncologie de plaats van de fysieke geneeskunde in de behandeling van kanker moet heroverwegen. Ten tweede is er meer onderzoek nodig naar de lichamelijke kant om de onderliggende moleculaire mechanismen te begrijpen zodat die kunnen worden aangepast om effectiever te kunnen worden toegepast in de behandeling van kanker.
Als je eenmaal geleerd hebt hoe de menselijke structuur op deze wijze nauwkeurig te observeren, kan dat de basis zijn voor effectieve behandelplannen waar je niet op zou komen als je puur gericht zou zijn op symptomen of met een anatomische kijk op de zaak.
Casus: Benjamin
Ongeveer een jaar geleden begon Benjamin pijn in zijn rechterzij te krijgen, ter hoogte van T8 tot T10. Hij had het gevoel dat zijn wervels, en met name zijn ribben, ‘naar buiten bleven komen’. Hij was naar de chiropractor geweest om correcties te krijgen. En ook naar een fysiotherapeut die met hem werkte aan het versterken van zijn core.
Het slechtste wat Benjamin kan doen, is zitten, en dat terwijl hij een data-verslindende computernerd is. Op zijn werk nam hij een knielstoel, wat wel iets hielp, maar lange autoritten of vliegreizen zijn voor hem onmogelijk. Zelfs de gedachte aan een lange reis veroorzaakt angst voor het reizen vanwege de mogelijkheid dat zijn klachten verergeren. Benjamin is 25 jaar oud. Ik zou zijn algemeen voorkomen omschrijven als gezond en fit – maar schijn kan bedriegen.
Tijdens de PAA was ik blij te merken dat zijn bekken perfect horizontaal stond. Je kon door het sagittale vlak een rechte lijn trekken van zijn SIAS naar zijn SIPS. Zijn borstkas had echter een tilt naar rechts en stond dus dichter bij de crista iliaca. Zijn borstkas was ook nog naar links geroteerd, wat kon worden vastgesteld aan de hand van zijn uitstekende ribben aan de rechterzijde. Naar verhouding leken de linker ribben teruggetrokken.
Vanuit het perspectief van biotensegriteit of fascia was hier sprake van een tension deficit disorder waarbij beperkingen werden gevonden in de rectus abdominis, delen van zowel de obliques internes als externes, de quadratus lumborum, de psoas en het diafragma – wat er allemaal toe bijdroeg dat zijn torso zo was gedraaid dat er een buitensporige trekkracht werd uitgeoefend op zijn ribben ter hoogte van T8 tot T10. Dit was het patroon dat Benjamins pijn veroorzaakte.
Bovendien hadden het middelste en onderste deel van zijn thoracale wervelkolom een lichte buiging naar rechts, wat een gevolg was van de trekkracht door de rotatie in dat gebied. Hoewel zijn bekken horizontaal stond, creëerde de buiging spanning zonder symptomen in zijn rechterbeen, waarschijnlijk doordat zijn zwaartepunt uit het centrum lag. Dit was te zien aan een mediale verschuiving van de talus ten opzichte van de calcaneus met een iets lagere mediale voetboog in vergelijking met de rechtervoet. Bij het palperen bleken zijn bilspieren en diepere laterale heupdraaiers hypertoon.
Samenvattend: Benjamin hield zijn symptomen in de hand met hulp van een fysiotherapeut en chiropractie. Ze waren niet verholpen en beïnvloedden zijn levenskwaliteit nog danig. Een therapeutisch behandelplan om een blijvend effect te bereiken zou met alle factoren rekening moeten houden.
Boekfragment uit: Fascia – Wat het is en wat het doet, David Lesondak. www.samsarabooks.com
Fasciaklachten herkennen in de praktijk
Bij fasciaklachten is het belangrijk om niet alleen naar de pijnlijke plek te kijken, maar naar het hele fasciale netwerk. Fasciaklachten ontstaan vaak door langdurige overbelasting of immobilisatie, waardoor collageenweefsel verstijft. Meer over het fasciale systeem is te vinden bij de Fascia Congres. Lees ook ons overzicht van vakartikelen over lichaamswerk en diagnostiek.

