Waarom een psychose niet zo gek is
Een wereld die op zijn kop staat
In een psychose staat de wereld op zijn kop: onhoorbare stemmen fluisteren verwarrende boodschappen, de realiteit gedraagt zich vreemd en anderen lijken doordrongen van duistere bedoelingen. Voor wie het meemaakt is dat ingrijpend, en ook voor de mensen eromheen is het lastig te begrijpen. Hoogleraar klinische psychologie Stijn Vanheule buigt zich in zijn boek Waarom een psychose niet zo gek is (Uitgeverij Lannoo Campus) over de vraag wat een psychose nu eigenlijk is, en of je grip kunt krijgen op wat iemand dan doormaakt.
Wie zelf nooit zo’n vreemde ervaring heeft gehad, vindt het al snel onbegrijpelijk dat een ander dat wel overkomt. Vanheule pleit ervoor om psychotische belevingen niet meteen als onzin weg te zetten, maar te bekijken als een diepe crisiservaring. Een psychose, schrijft hij, is een crisis waarin de werkelijkheid een onwerkelijk karakter krijgt: woorden bieden dan geen houvast meer en vertrouwde verhalen verliezen hun kracht.
Waarom verhalen ons overeind houden
Spreken en verhalen vertellen doen we allemaal, stelt Vanheule, en juist daarin schuilt iets fundamenteels: wij maken de werkelijkheid zelf ‘sprekend’, simpelweg door te spreken. We vermengen woorden met gebeurtenissen tot gedachten, en die gedachten gebruiken we weer als bouwstenen voor verhalen, verhalen die we eerst aan onszelf vertellen en pas daarna ook aan anderen.
Die verhalen strijken de hinderlijke plooien van de realiteit glad. Ze helpen ons om gebeurtenissen te begrijpen en de werkelijkheid draaglijk te maken, niet volledig, maar wel genoeg om niet radeloos te worden en om met anderen te kunnen delen wat ons bezighoudt. Dat lukt niet altijd. Soms zijn verhalen te arm voor een complexe werkelijkheid, of zijn gebeurtenissen te overweldigend om in taal te vatten. Op het moment dat die innerlijke verhalenverteller ‘kraakt’, kraken ook onze belevingen. Dat brengt het bewustzijn in de war en maakt plaats voor een sterk associatieve manier van denken. De realiteit krijgt dan een onheilspellend karakter, en alles waarop iemand vertrouwde, zichzelf incluis, raakt grondig verstoord.
Het verhaal van Mario
Vanheule illustreert deze theorie met het verhaal van Mario, een jongeman met het syndroom van Down die hij ontmoette aan het begin van zijn loopbaan als klinisch psycholoog. Mario leefde volledig teruggetrokken op de zolderkamer van zijn ouderlijk huis en kwam alleen naar beneden voor de maaltijden. Op zijn schouder ‘zat’ een personage met wie hij voortdurend hardop in gesprek was; de antwoorden die hij hoorde waren voor anderen alleen af te lezen aan zijn mimiek. Vanuit zijn opleiding herkende Vanheule dit meteen als hallucinaties.
Maar er was meer aan de hand dan een psychiatrisch symptoom, schrijft hij. Mario was in de eerste plaats een verteller met een eigen verhaal, en ergens onderweg was dat verhaal onderbroken. Wat voor hem overbleef was eenzaamheid en verwarde dialogen in een wereld die was opgehouden te bestaan. Samen met collega’s zette Vanheule een intensieve thuisbegeleiding op. In die context vond Mario voor zichzelf de draad van een nieuw verhaal, deels verweven met het oude, en vooral gericht op een toekomst: de zolderkamer verlaten, nieuwe dingen ondernemen, een eigen weg kiezen. De ingebeelde persoon verdween daarbij geleidelijk naar de achtergrond.
Een onhandige val als keerpunt
Een onverwachte gebeurtenis bracht een belangrijke doorbraak in de begeleiding. Op een regenachtige dag kwam Vanheule, gehaast en in pak vanwege een aansluitende vergadering, aan bij de woning van Mario. Over een spekgladde tuintegel gleed hij uit en belandde languit en kletsnat in het gras. Mario had alles vanuit zijn zolderraam zien gebeuren en riep meteen naar buiten of het wel goed ging. Even later kwam hij naar buiten met een handdoek, die hij voorzichtig tegen Vanheules borst drukte.
Plotseling was niet Mario meer degene met het probleem, maar zijn begeleider. Dat leverde een belangrijke ommekeer op: voortaan gingen ze luchtiger met elkaar om, mede omdat Mario er graag lachend op terugkwam. De anekdote werd een vast aanknopingspunt in de gesprekken, vooral wanneer het contact dreigde te stokken, en juist op zulke momenten van stilte hadden zich eerder vaak hallucinaties voorgedaan.
Vanheule noemt Mario een leermeester, weliswaar van het zwijgzame, zen-achtige type. Mario leerde hem dat je niet bang hoeft te zijn voor het bizarre, voor dingen die alleen in het hoofd van een ander bestaan, en dat angst mensen juist belet om contact te maken. Wie samen met een ander nieuwe aanknopingspunten wil vinden, moet die angst durven loslaten. En wie zelf goed kan ‘vallen’, zo bleek die regenachtige middag heel letterlijk, stelt een ander in staat om even niet de mislukkeling te zijn.
Psychose als crisis én als kans
Voor Mario was zijn belevingswereld geen op hol geslagen fantasie, benadrukt Vanheule. Fantaseren veronderstelt iemand die actief fantaseert; bij Mario was het net andersom, niet hijzelf deed vreemd, maar de werkelijkheid zelf leek op hol geslagen. De ingebeelde persoon op zijn schouder was voor hem allesbehalve ingebeeld: hij zag en hoorde die figuur gewoonweg. Wie met psychoses te maken krijgt, botst vroeg of laat op die uitdaging: ooit moet er een plek gevonden worden voor de bevreemdende ervaringen die de eigen leefwereld overhoophalen.
Over die crisiservaring schreef Vanheule uiteindelijk een heel boek. Een collega fluisterde hem ooit in dat het Chinese teken voor crisis, Wei Ji, ook kan verwijzen naar kans en uitdaging, een gedachte die hem is bijgebleven. Want dat is een psychose volgens hem ook: een kans en een uitdaging om anders met anderen, met verhalen en met ideeen om te gaan, en om ook de onzin van het leven een eigen plek te geven. Met de juiste ondersteuning, zo laat het verhaal van Mario zien, kan iemand die draad van een nieuw verhaal weer oppikken.
Dit artikel is gebaseerd op een fragment uit het boek Waarom een psychose niet zo gek is van Stijn Vanheule (Uitgeverij Lannoo Campus).

