Inhoudsopgave
Een gesloten raam en de vraag die het oproept

Symbolen in tekentherapie roepen al snel de verleiding op om te interpreteren.
Een cliënt tekent een huis zonder ramen.
De begeleider zwijgt, kijkt, en voelt de verleiding om te zeggen: dit gaat over afsluiting, over een psyche die zich niet laat binnenlaten.
Het is een verleiding die zo oud is als de kunstzinnige therapie zelf, en tegelijk een van de meest omstreden aspecten van het vak.
Symbolen op papier lijken een directe route naar het onbewuste te beloven, een kortere weg dan het gesprek, dat vaak hapert waar het er het meest toe doet.
Maar die belofte is precies waar de discussie begint.
Is een gesloten raam een venster op de ziel, of is het gewoon een raam, getekend door iemand die die ochtend toevallig aan zijn eigen benauwde slaapkamer dacht?
Tekentherapie, als vorm van beeldende (vak)therapie, werkt al decennia met het idee dat beeld en symbool iets zichtbaar maken wat woorden niet bereiken.
Die aanname steunt op een rijke theoretische traditie, met de Zwitserse psychiater Carl Gustav Jung als belangrijkste grondlegger van het denken over symboliek in de psychotherapie.
Maar de wetenschappelijke onderbouwing van symboolinterpretatie is bepaald niet onomstreden, en juist die spanning, tussen een eeuwenoude klinische traditie en de eisen van evidence-based practice, maakt het onderwerp relevant voor iedereen die met tekentherapie in aanraking komt, als cliënt, verwijzer of behandelaar.
Het onbewuste dat in beelden spreekt: Jungs erfenis
Carl Jung brak in de vroege twintigste eeuw met zijn leermeester Sigmund Freud, onder meer over de vraag wat het onbewuste eigenlijk is.
Waar Freud het onbewuste vooral zag als een opslagplaats van verdrongen, persoonlijke wensen en trauma’s, veronderstelde Jung een dieper, gedeeld laag: het collectief onbewuste.
Dit zou bestaan uit archetypen, universele, aangeboren patronen en beeldvormen (de Moeder, de Schaduw, de Held, de Wijze Oude) die zich doorheen culturen en tijdperken in mythen, sprookjes, religieuze beelden en, volgens Jung, ook in dromen en spontane tekeningen manifesteren (Jung, 1964; zie ook Wikipedia, “Collectief onbewuste”).
Symbolen waren voor Jung geen willekeurige tekens met een vaste, opzoekbare betekenis zoals in een dromenboek, maar drukten volgens hem “specifieke connotaties uit naast hun conventionele betekenis”, ze verwijzen naar iets dat nog niet volledig bewust of verwoordbaar is (Jung, 1964, geciteerd in Digital Commons Lesley University).
Voor Jung zelf was tekenen geen bijzaak maar kernonderdeel van zijn eigen methode.
a.
de heruitgave van Jungs seminars over actieve imaginatie, Philemon Foundation).
Dat onderscheidt zijn benadering van de klassieke Freudiaanse droomduiding: niet het intellectueel ontleden van het beeld staat voorop, maar het toelaten en verder ontwikkelen ervan als levend proces.
Deze notie, dat het maken van het beeld zelf al een psychologische handeling is, niet alleen het decoderen ervan achteraf, is een rode draad die tot in de hedendaagse tekentherapie doorloopt.
Jungs invloed op kunstzinnige therapie liep deels via therapeuten die zijn werk direct toepasten op beeldend materiaal, en deels indirect, via het bredere idee dat symbolische beeldtaal toegang geeft tot lagen van de psyche die verbale therapie niet altijd bereikt.
In hedendaags onderzoek naar kunsttherapie bij bijvoorbeeld adolescenten wordt dit nog steeds toegepast: cliënten die “power objects” tekenen of vormgeven, blijken daarin onbewuste behoeften aan veiligheid en autonomie te verwerken, en het beeld biedt, in de woorden van kunsttherapeut Natalie Swan-Foster, “een mate van afstand tot moeilijke onderwerpen” waardoor kwetsbare informatie makkelijker gedeeld wordt (Swan-Foster, 2017, aangehaald in Metzl, 2022).
Het symbool functioneert dan niet als een code die ontcijferd moet worden, maar als een veilige tussenruimte tussen cliënt en werkelijkheid.
Een recent artikel over symbolen in tekentherapie beschrijft hoe visuele metaforen een rol spelen als bewijsmateriaal binnen de klinische praktijk, los van vaste symboolduiding.
Twee stromingen, één materiaal: Naumburg tegenover Kramer
Terwijl Jung het theoretisch fundament legde voor het denken over symbolen an sich, waren het twee Amerikaanse pioniers van de kunstzinnige therapie die in de jaren veertig en vijftig van de vorige eeuw bepaalden hóe die symbolen in de therapiekamer gebruikt zouden worden, en zij kozen radicaal verschillende wegen.
Margaret Naumburg, vaak “de moeder van de kunsttherapie in Amerika” genoemd, werkte psychoanalytisch geïnspireerd en zag het beeld primair als een projectie van onbewuste conflicten die daarna, net als een droom, geïnterpreteerd en verbaal doorgewerkt moest worden.
Bij haar staat het beeld in dienst van het gesprek: ze noemde haar benadering “art in therapy”, kunst als hulpmiddel, als toegangspoort tot materiaal dat vervolgens in de klassiek-therapeutische dialoog wordt uitgewerkt (samengevat in onder meer Junge, “A Brief History of Art Therapy: From Freud to Naumburg and Kramer”).
Edith Kramer, een generatiegenoot met eveneens Freudiaanse wortels, trok een fundamenteel andere conclusie uit hetzelfde materiaal.
Voor haar was het niet de interpretatie van het beeld die genas, maar het scheppingsproces zelf.
Kramer sprak van “art as therapy” in plaats van “art in therapy”: de esthetische, geconcentreerde handeling van vormgeven zou destructieve of chaotische innerlijke impulsen “sublimeren” tot iets bruikbaars en samenhangends, een begrip dat ze rechtstreeks aan Freuds sublimatietheorie ontleende en dat ze beschouwde als “one of the most vital goals of art therapy” (Wikipedia, “Edith Kramer”; Junge, 2010).
Waar Naumburg de betekenis van het beeld wilde verwoorden, hield Kramer juist vast aan het kunstwerk zelf als draagster van waarde: “the success of the therapy could be measured by the visual product”, stelde ze, en ze waarschuwde ervoor cliënten de voldoening van een afgerond werkstuk te ontnemen door het te snel te “ontleden” in woorden.
Dit onderscheid is verre van een historische voetnoot.
Het is de scheidslijn die tot op de dag van vandaag door de hele kunstzinnige en tekentherapeutische praktijk loopt, en die iedere tekentherapeut, bewust of onbewust, voortdurend moet navigeren: werk ik met dit symbool om het te begrijpen en te bespreken (Naumburgs erfenis), of laat ik het staan als iets dat op zichzelf al werkzaam is, waarbij te veel duiding het proces juist kan verstoren (Kramers erfenis)?
De meeste hedendaagse praktijken bewegen zich ergens tussen deze twee polen, en welke kant de balans opslaat, hangt sterk af van de cliënt, de fase van het proces en de vraag of er sprake is van diagnostiek of van procesbegeleiding.
Naumburg en Kramer verschilden juist van mening over hoe symbolen in tekentherapie het beste benaderd konden worden: als onbewuste boodschap of als creatief proces.
De valkuil van het dromenboek: wat de wetenschap zegt over symboolduiding
De aantrekkingskracht van symboolinterpretatie is groot, juist omdat ze houvast belooft: een boom zónder wortels “betekent” onzekerheid, een huis zonder deur “betekent” ontoegankelijkheid.
Maar precies deze vorm van vaste, universele betekenistoekenning ligt al decennia onder vuur in de wetenschappelijke literatuur, en het is een kritiek die iedere serieuze tekentherapeut zou moeten kennen.
De meest uitgebreide en invloedrijke aanval kwam van Scott Lilienfeld, James Wood en Howard Garb, die in hun veelgeciteerde overzichtsartikel “The Scientific Status of Projective Techniques” (2000, Psychological Science in the Public Interest) projectieve tekentesten zoals de Boom-Huis-Persoon-test (House-Tree-Person, HTP) en de Tekening-van-een-Persoon-test onder de loep namen.
Hun conclusie was hard: voor de meeste specifieke interpretatieregels, bijvoorbeeld dat grote ogen op seksueel wantrouwen zouden wijzen, of dat een weggelaten lichaamsdeel op een specifiek trauma duidt, bestaat nauwelijks tot geen empirische onderbouwing.
De testen bleken bovendien gevoelig voor lage interbeoordelaarsbetrouwbaarheid: verschillende, ervaren beoordelaars die dezelfde tekening bekeken, kwamen regelmatig tot uiteenlopende psychologische conclusies.
Dat artikel riep op zijn beurt weer kritische reacties op, onder andere van onderzoekers die vonden dat Lilienfeld en collega’s te weinig onderscheid maakten tussen slecht gevalideerde losse interpretatieregels en de bredere waarde van projectief materiaal binnen een breder diagnostisch proces (zie de repliek in Journal of Personality Assessment, 2003), maar het fundamentele punt dat specifieke, letterlijke symboolduiding wetenschappelijk broos staat, bleef grotendeels overeind.
Recenter onderzoek bevestigt dit beeld met modernere methoden.
200 Chinese kinderen en adolescenten, en gebruikte diepe neurale netwerken om te kijken of geautomatiseerde patroonherkenning in de tekeningen depressie kon voorspellen, een taak waarin machine learning notoir goed is in het vinden van subtiele statistische verbanden die mensen missen.
De uitkomst was ondubbelzinnig: hoewel de modellen moeiteloos huizen, bomen en personen in de tekeningen herkenden, faalden ze erin om de tekeningen van depressieve deelnemers te onderscheiden van niet-depressieve deelnemers.
Ook de literatuurstudie die de onderzoekers als onderdeel van hun werk uitvoerden, vond geen consistente relatie tussen de gangbare HTP-indicatoren en psychische klachten.
, 2022, Acta Psychologica).
Deze kritiek raakt niet toevallig vooral de diagnostische toepassing van symboolduiding, het gebruik van een tekening als test waaruit een specifieke psychologische conclusie wordt afgeleid, zoals ooit gebruikelijk was in de klinische en zelfs forensische psychologie.
Het is een ander gebruik dan het procesgerichte, niet-interpretatieve werken met beeldtaal zoals Kramer dat voorstond, waarbij het beeld niet wordt “afgelezen” als een test met juiste en foute antwoorden, maar wordt gebruikt als materiaal voor exploratie, samen met de cliënt, zonder vaste betekenistoekenning door de therapeut alleen.
Die nuance gaat er in de publieke beeldvorming rond “symbolen duiden” nogal eens aan voorbij: het is niet zo dat álle omgang met symbolen in de tekentherapie wetenschappelijk onhoudbaar is, het is specifiek de aanspraak op een vaste, universeel geldige, buiten de cliënt om vastgestelde betekenis die niet standhoudt.
Het beeld als proces, niet als uitslag: de praktijk in Nederland
Hoe verhoudt de Nederlandse tekentherapeutische praktijk zich tot deze spanning tussen klinische traditie en wetenschappelijke kritiek?
Tekentherapie in Nederland valt onder de bredere paraplu van vaktherapie, een verzamelnaam voor therapievormen die non-verbale, ervaringsgerichte middelen als beeldend werk, muziek, drama, dans en beweging inzetten, georganiseerd via de Federatie Vaktherapeutische Beroepen (FVB) met daaronder gespecialiseerde beroepsverenigingen zoals de Nederlandse Vereniging Beeldende Therapie (NVBT).
Ook de van oorsprong antroposofisch geïnspireerde Nederlandse Vereniging voor Kunstzinnige Therapie (NVKT) is inmiddels als kennisnetwerk in de FVB geïntegreerd (FVB Vaktherapie Nederland, nieuwsberichten 2023–2024).
Deze professionalisering, met een beroepsprofiel, richtlijnen en een tuchtrechtelijk kader, is precies het soort ontwikkeling dat de vrijblijvendheid van pure symboolduiding aan banden legt: een geregistreerd vaktherapeut wordt geacht methodisch en verantwoord te werken, niet als amateur-Jungiaan die op eigen gezag betekenissen toekent.
In de praktijk betekent dit meestal een middenweg tussen Naumburg en Kramer, en tussen Jungiaanse rijkdom en wetenschappelijke behoedzaamheid.
Een verantwoorde hedendaagse tekentherapeut gebruikt symbolische beeldtaal niet als diagnostisch instrument met vaste betekenissen (“dit teken betekent dat”), maar als gezamenlijk onderzoeksmateriaal: de cliënt wordt uitgenodigd om zelf te verwoorden wat een gesloten raam, een kale boom of een gebroken lijn voor hém of haar betekent, in plaats van dat de therapeut die betekenis oplegt.
Dit sluit aan bij wat in de literatuur wel de “cliëntgestuurde symboolexploratie” wordt genoemd, en het voorkomt de valkuil waar de projectieve testtraditie in vastliep: het verwarren van een therapeutisch nuttig, persoonlijk betekenisvol proces met een objectief meetinstrument.
Tegelijk blijft het idee dat beeldend werken iets ontsluit wat verbale therapie niet bereikt, ook buiten de striktere Jungiaanse kaders overeind, en dat krijgt inmiddels ondersteuning vanuit ander onderzoek dan de klassieke projectieve testtraditie.
a.
samenvattend werk over de neurobiologie van trauma en de implicaties voor kunstzinnige therapie, ScienceDirect/Journal of the American Academy of Child Psychiatry-traditie).
Dat is een fundamenteel ander soort onderbouwing dan “dit symbool betekent dat”: het gaat niet om het decoderen van een vaste betekenis, maar om het scheppen van een toegankelijke, minder bedreigende route naar materiaal dat anders onbereikbaar blijft, een claim die dichter bij Kramers procesgerichte visie staat dan bij de klassieke symbooldiagnostiek.
De les die uit deze hele geschiedenis te trekken valt, is er een van bescheidenheid zonder cynisme. Symbolen in tekentherapie zijn geen taal met een woordenboek erbij, wie een tekening leest als een test met vaste uitslagen, begeeft zich op wetenschappelijk drijfzand, zoals Lilienfeld en collega’s en het recente neuraal-netwerkonderzoek pijnlijk duidelijk maken. Maar het beeld negeren als louter versiering zou net zo goed een verarming zijn: het scheppingsproces zelf, en de betekenis die een cliënt er zelf, in dialoog met een getrainde begeleider, aan toekent, blijft een van de weinige therapeutische wegen die voorbij de grenzen van het gesproken woord reikt. Het gesloten raam in die eerste tekening krijgt zijn betekenis dus niet van een handboek, en niet van de therapeut alleen, maar van het gesprek dat volgt op de vraag: wat zie jij, als je hiernaar kijkt?
Bronnen
- Jung, C.G. (1964). Man and His Symbols. Garden City, NY: Doubleday.
- Jung, C.G. (2019 heruitgave). The Active Imagination: Notes from the Seminar Given in 1931 (Philemon Foundation Series). Princeton University Press.
- Wikipedia (NL). “Collectief onbewuste.” Geraadpleegd via https://nl.wikipedia.org/wiki/Collectief_onbewuste
- Junge, M.B. (2010). “A Brief History of Art Therapy: From Freud to Naumburg and Kramer.” In: The Modern History of Art Therapy in the United States. Charles C Thomas Publisher.
- Wikipedia (EN). “Edith Kramer.” Geraadpleegd via https://en.wikipedia.org/wiki/Edith_Kramer
- Kramer, E. (1971). Art as Therapy with Children. New York: Schocken Books.
- Naumburg, M. (1966). Dynamically Oriented Art Therapy: Its Principles and Practice. New York: Grune & Stratton.
- Lilienfeld, S.O., Wood, J.M., & Garb, H.N. (2000). “The Scientific Status of Projective Techniques.” Psychological Science in the Public Interest, 1(2), 27-66.
- Hibbard, S. (2003). “A Critique of Lilienfeld et al.’s (2000) ‘The Scientific Status of Projective Techniques’.” Journal of Personality Assessment, 80(3), 260-271.
- Lin, W., Zhang, Y. e.a. (2022). “The House-Tree-Person test is not valid for the prediction of mental health: An empirical study using deep neural networks.” Acta Psychologica, 230, 103734. ScienceDirect / PubMed: https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/36058187/
- Metzl, E. (2022). Onderzoek naar symbolische kunstmaking en “power objects” bij adolescenten in partiële hospitalisatie, aangehaald in: Digital Commons Lesley University, Expressive Therapies Theses (masterthesis over Jungiaanse symboliek in kunsttherapie). https://digitalcommons.lesley.edu/expressive_therapies_theses/
- Swan-Foster, N. (2017), geciteerd in bovengenoemde Lesley University-thesis over symbolische afstand en kwetsbare zelfonthulling in kunsttherapie.
- Federatie Vaktherapeutische Beroepen (FVB). “Integratie Nederlandse Vereniging voor Kunstzinnige Therapie (NVKT) in FVB” en “NVKT omgevormd tot Nederlandse Vereniging Vaktherapie Antroposofisch Geïnspireerd.” https://fvb.vaktherapie.nl/
- Nederlandse Vereniging Beeldende Therapie (NVBT). https://nvbt.vaktherapie.nl/
- Wikipedia (NL). “Vaktherapie.” Geraadpleegd via https://nl.wikipedia.org/wiki/Vaktherapie
- Van der Kolk, B. e.a. Neurobiologisch georiënteerd onderzoek naar trauma, non-verbale geheugenopslag en de implicaties voor beeldende/kunstzinnige therapie (samenvattend besproken in vakliteratuur over kunsttherapie en neurowetenschap, o.a. via ScienceDirect-publicaties over de neurobiologische basis van trauma en kunsttherapie).
Meer lezen over deze behandelvorm? Bekijk de thema-pagina tekentherapie voor een breder overzicht.
Symbolen in tekentherapie zijn nooit een vaste code, maar altijd persoonlijk en contextafhankelijk.

