In de praktijk: Het beroepsgeheim

Eerste aflevering van een nieuwe rubriek over praktijkdilemma's: wat houdt het beroepsgeheim precies in, en wanneer mag of moet je het doorbreken?

Iedere hulpverlener krijgt ermee te maken: dilemma’s. Hoe handel je en wat mag je wel én niet als hulpverlener. In deze rubriek delen we de vragen met je, maar ook de antwoorden.

We beginnen deze serie met een onderwerp dat hoog in de top tien van vragen staat: het beroepsgeheim. Over het beroepsgeheim bestaan veel misverstanden. Vaak denken hulpverleners dat het beroepsgeheim absoluut is. Dat is een beetje zoals Schrödingers paradox: het is waar en niet waar tegelijk.

Het beroepsgeheim is de hoeksteen in de relatie hulpverlener-cliënt. De cliënt moet erop kunnen vertrouwen dat de hulpverlener strikt vertrouwelijk omgaat met vaak zeer persoonlijke informatie. Het beroepsgeheim heeft een duidelijk doel: het waarborgt het algemeen belang van een vrije toegang tot zorg en het beschermt het belang van een wilsbekwame cliënt om zelf over haar/zijn persoonlijke levenssfeer te beslissen. Dat laatste impliceert al gelijk ‘zware‘ onderwerpen zoals een vrijwillig gekozen levenseinde. Het beroepsgeheim raakt daarmee snel het diepste wezen van de hulpverlener. Dit soort vraagstukken kan al snel tot ethische worstelingen leiden.

Het is goed om te weten dat het beroepsgeheim een plaats kent in de wet. In de wet BIG kun je dat bijvoorbeeld terugvinden in artikel 88: Eenieder is verplicht geheimhouding in acht te nemen ten opzichte van al datgene wat hem bij het uitoefenen van zijn beroep op het gebied van de individuele gezondheidszorg als geheim is toevertrouwd, of wat daarbij als geheim te zijner kennis is gekomen of wat daarbij te zijner kennis is gekomen, waarvan hij het vertrouwelijke karakter moest begrijpen.

Nu ontstaat er bij hulpverleners al snel de verwarring: als ik niet BIG-geregistreerd ben, is dit toch niet van toepassing op mij? Nu zijn er door de Hoge Raad een viertal vonnissen geveld waar artikel 88 centraal stond. In alle vier de gevallen ging het om BIG-geregistreerden (psychiater, zenuwarts, verpleegkundige en een medewerker van IGZ).

Een andere vindplaats is de WGBO (art 7:457 BW). In het eerste lid vinden we het volgende: Onverminderd het in artikel 448 lid 3, tweede volzin, bepaalde draagt de hulpverlener zorg, dat aan anderen dan de patiënt geen inlichtingen over de patiënt dan wel inzage in of afschrift van de bescheiden, bedoeld in artikel 454, worden verstrekt dan met toestemming van de patiënt. Indien verstrekking plaatsvindt, geschiedt deze slechts voor zover daardoor de persoonlijke levenssfeer van een ander niet wordt geschaad. De verstrekking kan geschieden zonder inachtneming van de beperkingen, bedoeld in de voorgaande volzinnen, indien het bij of krachtens de wet bepaalde daartoe verplicht.

Daar kunnen we direct wat mee. Hier wordt gesproken over hulpverlener, zonder dat er een koppeling plaatsvindt met een register dat door de overheid wordt bijgehouden. De werkingssfeer van de geheimhoudingsbepaling in de WGBO is zeer ruim: hieronder vallen alle hulpverleners die op grond van een behandelingsovereenkomst met de patiënt therapie c.q. coaching verrichten. Een hulpverlener in de zin van de WGBO kan zowel een individuele hulpverlener als een organisatie zijn.

Zwijgen

Het beroepsgeheim betekent dat wij niets mogen vertellen over de behandeling tegen ‘anderen’. Dat houdt dus in partners, familie maar zelfs ook ouders. Vanaf twaalf jaar is er een glijdende schaal van beslissingsbevoegdheid bij kinderen. Vanaf 16 jaar wordt het kind gezien als wilsbekwaam.

Je hebt dus als hulpverlener een zwijgplicht. Juridisch heet dit het verschoningsrecht. Dit verschoningsrecht stelt je in de gelegenheid om ook bepaalde informatie achter te houden als bijvoorbeeld de politie of justitie er om vraagt. Maar nu komt het: is dit verschoningsrecht absoluut? En wie bepaalt dat?

Als justitie of de politie haar eigen belang, opsporing en vervolging, hoger acht dan het verschoningsrecht, kunnen ze naar de rechter stappen. Als hulpverlener heb je een verschijningsverplichting. Dat betekent dat de politie je desnoods onder begeleiding naar de rechtbank brengt; weigeren is dus geen optie. Maar wees gerust. Jij moet zelf beoordelen of wat aan jou is meegedeeld en waarover de rechter in het getuigenverhoor vraagt een verklaring af te leggen, behoort tot datgene dat je moet geheimhouden. De rechter mag het beroep op het verschoningsrecht daarom slechts marginaal toetsen. Het criterium daarbij is dat de rechter het beroep op het verschoningsrecht moet honoreren, tenzij er niet over kan worden getwijfeld dat het gaat om informatie die niet onder het verschoningsrecht valt.

Maar de rechter kan tot het oordeel komen dat jij je ten onrechte beroept op het verschoningsrecht. De rechter kan je dwingen om deze informatie alsnog prijs te geven. Weiger je dat, omdat jij er vast van overtuigd bent dat je verschoningsrecht geldt, dan kan de rechter zelfs een zeer onaangename maatregel opleggen: gijzelen. Dat betekent precies wat het woord inhoudt: je wordt gevangengehouden totdat je alsnog meewerkt.

Hoe maak je de afweging?

Een gouden formule is er niet. Elk geval zal per keer door je beoordeeld moeten worden. Vooraf zul je moeten beseffen dat welke afweging je ook maakt, je dit goed moet documenteren. En met goed bedoelen we: zeer uitgebreid. Dat is belangrijk want als je later je besluit moet verdedigen, moet je precies weten wat je beweegreden waren. Bij de afweging moet je een aantal vragen beantwoorden:

  1. Betreft het informatie die alleen van belang is voor je cliënt?
  2. Zijn er eventuele slachtoffers wiens belang hoger gesteld kan worden?
  3. Heeft het achterhouden van informatie een groot maatschappelijk impact?
  4. Geraken er levens in gevaar op het moment dat jij informatie achterhoudt?
  5. Heb je een wettelijke verplichting?
  6. Kan er een noodsituatie ontstaan?
  7. Is je cliënt het ermee eens dat je je geheimhoudingsverplichting doorbreekt?
  8. Wordt er een eventuele strafrechtelijke procedure beïnvloed?

Een voorbeeld uit de praktijk

Een therapeut heeft een kind in behandeling uit een gezin van 5 kinderen. De ouders zijn gescheiden en vader mag zijn kinderen enkel onder toezicht van de jeugdbescherming zien.

Het kind dat onder behandeling is, geeft signalen af dat er iets niet in orde is. De therapeut vermoedt dat het kind seksueel misbruik wordt. Vader kan dit niet gedaan hebben, immers hij ziet zijn kinderen alleen waar anderen bij zijn. Er is dus iets anders aan de hand. De therapeut neemt contact op met de jeugdbescherming om navraag te doen over de situatie en advies in te winnen. De casemanager van de jeugdbescherming vraagt het dossier bij de therapeut op en ook de gealarmeerde moeder wil het dossier inzien.

Natuurlijk kun je dit geval heel snel afdoen; je hebt als hulpverlener een wettelijke verplichting bij vermoedens van misbruik om een melding te maken. Maar hoe ga je met het verzoek van de voogd en de moeder om? Mag je dit weigeren?

Het antwoord in dezen is ja; het verzoek van moeder mag je weigeren. Ondanks dat we sinds kort een AVG hebben die de ‘burger‘ uitgebreide rechten geeft, waaronder het inzien en eventueel eisen dat informatie aangepast wordt. In dit geval liggen de rechten van het slachtoffer (punt 2) hoger. Daarnaast is het ook zo dat punt 6 hierop van toepassing is; je kan door deze informatie bekend te maken wellicht de veiligheid van het kind in gevaar brengen. Daarnaast kan je door informatie te wijzigen c.q. vernietigen op verzoek van moeder een eventuele strafrechtelijke procedure frustreren.

Wel kun je meewerken met de jeugdbescherming. Deze voert haar taak uit op basis van diverse wetten en kan dus eigenhandig ingrijpen. Het belang van het slachtoffer (punt 2) moet voorop staan. Je mag stellen dat vrijwel alle bovengenoemde tick boxes aangevinkt kunnen worden.

Een ander voorbeeld

“Ik heb een cliënt in behandeling die veel progressie heeft geboekt. Nu is zij dermate enthousiast over mij dat ze mij in de laatste sessie vertelde dat er waarschijnlijk een nieuwe cliënt via haar komt. Een kennis van haar heeft problemen waar ze aan wil werken. Het probleem voor mij zit hem erin dat mijn huidige cliënt erbij vertelde dat de klachten samenhangen met (mogelijke) strafrechtelijke zaken.”

Hier is het dilemma er dus al voor de behandeling start. De cliënt mag erop vertrouwen dat je je houdt aan je beroepsgeheim. Aan de andere kant moet je, als je kennis hebt genomen van een strafbaar feit, hiervan aangifte doen. In een aantal gevallen ben je zelfs verplicht om aangifte te doen.

Op grond van artikel 161 Sv. is een ieder die kennis draagt van een strafbaar feit bevoegd om hiervan aangifte te doen. Het gaat dan om de volgende feiten:

  • Misdrijven tegen de Staat (art. 92-110 Sr. In Titel VII van het Tweede Boek van dat Wetboek, voor zover daardoor levensgevaar is veroorzaakt,
  • Misdrijven tegen het leven gericht (art. 287 tot en met 294 en 296 Sr.)
  • Mensenroof (art. 278 Sr.)
  • Verkrachting (art. 242 Sr.)
  • Wederrechtelijke vrijheidsberoving (art 282 Sr, verplicht o.g.v. art 160 lid 3 Sr)

Dit geeft voor de hulpverlener in ieder geval een duidelijk inzicht. Bij ‘kleine zaken’, voor zover je ze klein kunt en mag noemen, bijvoorbeeld diefstal, ben je dus moreel verplicht om aangifte te doen. Bij ‘grote‘ zaken ben je het wettelijk verplicht. In het afwegingenlijstje heb je dus te maken met punt 2, punt 5 en punt 8. Hoe ga je hiermee om?

Je kunt het beste bij de anamnese, voordat je (nieuwe) cliënt informatie met je deelt, je positie uitleggen. Eerlijkheid dient het langst. Vraag aan je nieuwe cliënt om een heldere afweging te maken, beseffende dat niet alles wat hij/zij aan jou vertelt onder het beroepsgeheim valt. Vertel erbij dat het achterhouden van informatie over mogelijke strafbare feiten voor jou een probleem is; het kan door Justitie een strafrechtelijk vervolging opleveren. Dat wil jij niet. Met deze informatie is het aan je cliënt om te bepalen of hij/zij met jou verder wil. Oók hier geldt: uitgebreid documenteren.

Heb alleen ik beroepsgeheim?

Nee. De wet kent ook nog het begrip afgeleid beroepsgeheim. Afgeleid beroepsgeheim betekent dat ook personeel dat voor je werkt, zoals een secretaresse, onder hetzelfde beroepsgeheim valt. Dat gaat nog veel verder; ook laboranten die wellicht nooit de cliënt hebben gezien, vallen onder het afgeleid beroepsgeheim.

Beroepsgeheim en overlijden

Ook als je cliënt is overleden geldt het beroepsgeheim nog. Dus een eventuele nabestaande die inzage in een dossier ‘eist‘, moet dit via de rechter doen. Jij moet weigeren. Maar stel dat het om een zelfdoding gaat? Zelfs dan. Nabestaanden in een rouwproces willen het dossier opvragen om een mate van verwijtbaarheid te kunnen vaststellen richting de hulpverlener. Onthoud dat het beroepsgeheim over het graf heen gaat.

Hier zit niet één, maar zitten twee kleine addertjes onder het gras. Het eerste addertje is dat als de nabestaanden kunnen aantonen dat zij een schriftelijke toestemming van de overledene hebben, zij het dossier mogen inzien. Hierbij moeten we wel opmerken dat dan de overledenen tot aan het moment van de verklaring wilsbekwaam moet zijn geweest.

De veronderstelde toestemming

Het tweede addertje is een wat ingewikkeldere. Soms kan de toestemming ‘gereconstrueerd’ worden: de zogenaamde veronderstelde toestemming. Hier is al het nodige aan jurisprudentie over. In het eerste stukje hebben we het al een beetje verklapt. Indien er sprake zou kunnen zijn van verwijtbaar handelen van de hulpverlener, kunnen de nabestaanden het dossier via de rechter opvragen. De veronderstelling in dezen is dat het ook in het belang van de overledene is dat een eventueel falen c.q. verwijtbaar handelen aan het licht moet komen indien dit tot de dood van de cliënt heeft geleid. Het is aan de rechter om dat vast te stellen. Jij als hulpverlener kan en moet je dus beroepen op je verschoningsrecht en alleen de rechter kan dit doorbreken.

Daarnaast is het begrip veronderstelde toestemming in nog een tweetal situaties van toepassing:

Als de cliënt wordt doorverwezen naar een medisch specialist, is het gebruikelijk dat informatie wordt meegestuurd. Doordat de cliënt toestemming geeft voor de verwijzing wordt verondersteld dat de cliënt ook instemt met het verstrekken van de relevante gegevens aan de specialist. Als de cliënt hiertegen bezwaar maakt, worden er geen gegevens verstrekt.

Soms is het niet mogelijk om toestemming te vragen aan de cliënt. Het gaat dan bijvoorbeeld om een cliënt die in coma is geraakt. De hulpverlener gaat dan na of uit aanwijzingen of gedragingen uit het verleden de toestemming is af te leiden. Aan de hand van de veronderstelde toestemming van de cliënt kan dan informatie worden verstrekt.

Het beroepsgeheim en de AVG

Een ander punt dat veranderd is met de komst van de AVG, is het delen van informatie. In het oude regime was het zo dat hulpverleners die direct betrokken waren bij de hulpverlening, door jou op de hoogte gebracht mochten worden. Met de komst van de AVG is dit niet meer zo vanzelfsprekend. Dit is echter eenvoudig op te lossen door in je overeenkomst met de cliënt op te nemen met wie de informatie eventueel gedeeld mag worden. Te denken valt hierbij aan het maken van een lijstje: huisarts, psycholoog, medisch specialist. Krijg je deze toestemming niet, dan mag je de informatie niet delen op grond van de AVG, maar ook niet op basis van punt 7 van eerdergenoemd vragenlijstje.

Tot slot

De conclusie is dus dat het beroepsgeheim sterk is maar niet altijd opgaat. In een aantal gevallen moet je het dus doorbreken. Mocht je voor die keuze staan, dan is het altijd verstandig om bijstand te zoeken. Zeker omdat het beroepsgeheim tot een gang naar de rechter kan leiden. Laat je dus door een deskundige bijstaan.

Auteur

Rick

Gepubliceerd op

15 augustus, 2026

Thema

NWP Magazine 2019

Tags

Deel dit artikel

Gerelateerde artikelen