Stel, we zouden er allemaal hetzelfde uitzien. Iedere dag in dezelfde kleren rondlopen, met ons haar in dezelfde kleur en haarstijl. Stel dat ook onze auto’s, huizen en inrichtingen identiek zouden zijn en dat zelfs onze gevoelens en blik op de wereld hetzelfde zou zijn. Met andere woorden, stel je eens voor dat er geen enkel verschil meer zou zijn. Zou je dan nog het idee hebben dat we allemaal van elkaar gescheiden zijn?
We zien onszelf als individuen, alleenstaand. Los van alle anderen. Behalve dan van diegene waar we een verbinding mee (proberen te) hebben, op wat voor manier dan ook. Dat kan een liefdesverbinding zijn, maar ook iemand met wie strijd gevoerd wordt.
Het verschil zit er waarschijnlijk in dat degene met wie we ons positief verbonden voelen, een link heeft met ons. Een link waarin we elkaar vinden. Waarin we één zijn. Zoals bijvoorbeeld dezelfde voorliefde voor F1 of een muziekstijl. We ervaren geen verschil op dat punt. Iets wat bewust of onbewust door beiden (h)erkend, gevoeld en gedeeld wordt. Het delen met elkaar wat verbindt, draagt ons (beiden). We staan niet alleen.
Het tegenovergestelde is dan uiteraard dat, als iemand geen link met ons heeft, er geen gedeelde interesse is. Dan voelen we dat ook en wordt diegene ervaren als niet passend. Er is geen verbinding, er zijn geen haakjes waaraan aangehaakt kan worden waardoor de ander ook als eigen zou kunnen aanvoelen. De ander wordt gezien als niet je type. Soms gaat dat zover dat er strijd gevoerd wordt om het verschil wat er is in overtuigingen. In de hoop dat er toch weer iets van eigen kan ontstaan als de ander het ook gaat zien zoals jij of andersom. De scheidingslijn opgeheven wordt.
Allemaal in de hoop om toch weer iets van verbinding te ervaren, zodat je niet meer het gevoel hebt dat je er alleen in staat. Dat gevoel is wat we proberen te voorkomen. Alleen redden we het niet. Tenminste dat is onze (onbewuste) overtuiging. Aansluiting met anderen geeft ons een veilig en vertrouwd gevoel.
Diversiteit en individualiteit lijken echter door de jaren heen steeds groter te worden. Diversiteit maakt aan de ene kant dat we meer ruimte ervaren om te bewegen. Er is meer mogelijk. Maar maakt het aan de andere kant moeilijker om in de diversiteit toch ook weer een soort van verbinding met elkaar te ervaren. De één in elkaar te vinden, de gemeenschappelijke deler. Met als gevolg dat eenzaamheid op de loer ligt.
Onbewust zijn we allemaal op zoek naar dát wat ons één maakt, waar we ons in verbonden voelen. Dat wat we delen. Terwijl we daarnaast ook onze eigen identiteit willen behouden. Dubbel als dat is.
Wat als dat één (waar we in de ander naar op zoek zijn), dát is wat we in wezen allemaal zijn. In de kern, één. Met allemaal verschillende uitingsvormen, ondertussen in elkaar op zoek naar diezelfde kern.
Het één in elkaar eren zou het leven onderling een stuk makkelijker maken.

