Wij zijn homo sapiens. Dat betekent ‘wijze mensachtige’. We zijn niet, zoals onze voorouders homo erectus, vernoemd naar ons vermogen om rechtop te lopen. Dat we kunnen liefhebben, lachen en bizar goede artiesten voortbrengen als de Gebroeders Ko die zingen over de toeter op hun waterscooter – ook dat zie je niet terug in onze familienaam.
Nee, die verwijst naar onze wijsheid en rationaliteit. Hebben we dat verdiend? De meeste denkers in onze geschiedenis zouden zeggen van wel. Lange tijd heeft de mens een helder antwoord gehad op de vraag wat hem onderscheidde van andere dieren: de rede.
Aristoteles noemde de mens al ‘het rationele dier’. Dat mensen trots mogen zijn op hun rationele vermogens, loopt daarna als een rode draad door de geschiedenis van de filosofie – van de Romeinse stoïcijnen, zoals Marcus Aurelius en Seneca, tot de Europese verlichtingsfilosofen, zoals Immanuel Kant, René Descartes en Benedictus Spinoza. Die laatste omschreef de mens, twee millennia na Aristoteles, nog steeds als ‘het redelijke dier’.
Er was in de zeventiende eeuw – de tijd van Spinoza – al een zekere gretigheid rond tegenovergestelde, pessimistische visies op ons denken. In de Ethica, het meesterwerk van Spinoza dat in 1678 postuum verscheen, noteerde hij: ‘Wie de machteloosheid van de menselijke geest met de beste woorden en de scherpste argumenten weet te hekelen, wordt welhaast voor een godheid gehouden.’ Spoelen we nog eens vijfhonderd jaar door, naar de tijd van nu, dan is duidelijk dat de zwartkijkers inmiddels de overhand hebben. Harvard-psycholoog Steven Pinker observeert in zijn nieuwe boek Rationaliteit bijvoorbeeld dat talloze commentatoren tegenwoordig wijzen op het tekortschieten van de rede. Het is een gemeenplaats geworden om te zeggen dat we gewoon irrationele wezens zijn. In de sociale wetenschappen en de media wordt de moderne mens neergezet als een holbewoner uit de oertijd die nog steeds geneigd is op elke leeuw in het gras te reageren met een hele reeks vooroordelen, blinde vlekken, waanideeën en denkfouten.
‘Van alle vermogens van de menselijke geest zal, neem ik aan, worden toegegeven dat de rede aan de top staat.’ – Charles Darwin, The Descent of Man (1875)
De waarheid zou onder druk staan in dit post-truth-tijdperk. Mensen zouden cognitief hopeloos inadequaat zijn en de feiten nog harder willen negeren dan het gekrijs van een baby in een overvolle treincoupé. Ze zouden in domme dingen geloven en weinig kaas hebben gegeten van logica en argumenteren. Hun emoties zouden eenvoudig te bespelen zijn en dus kwetsbaar voor onlinemanipulatie en nepnieuws.
Dat, zo zal ik in dit boek betogen, is niet hoe het zit. De media bombarderen ons met verslagen van mensen die hun standpunt lijken te baseren op alles wat los en vast zit behalve op betrouwbare bronnen. Maar veel wetenschappers schetsen een heel ander beeld van hoe mensen met informatie omgaan en hun mening vormen. Een complexer beeld. Een positiever beeld. En vooral ook: een hoopvoller beeld. Dat verhaal vertel ik in mijn nieuwste boek Waarom we beter denken dan we denken.
De stelling dat mensen irrationeel zijn, betekent zo bezien dat mensen over het algemeen niet zouden denken op manieren die leiden tot een accuraat wereldbeeld. Bijvoorbeeld omdat onze bovenkamer vaak gekaapt wordt door polariserend wij/zij-denken, onstuimige emoties, nepnieuws of denkfouten. En mijn bewering dat mensen wel degelijk rationeel zijn, betekent dat zij vaak juist wél denken op manieren die leiden tot een accuraat wereldbeeld. Bijvoorbeeld omdat ze feiten serieus nemen, goede van zwakke argumenten onderscheiden, nauwelijks in nepnieuws trappen, hun emoties of identiteit zelden hun redelijkheid laten blokkeren en van mening veranderen als ze betrouwbare correcties van onware uitspraken voorgeschoteld krijgen.
Waarom het uitmaakt dat we beter denken dan we denken
De centrale stelling van dit boek – dat mensen rationeler zijn dan vaak wordt aangenomen – heeft belangrijke implicaties. De voornaamste: discussie, argumenten, feiten, bewijs en informatie hebben zin. Mensen nemen dat soort dingen over het algemeen serieus, ze zullen hun best doen om daar rationeel mee om te gaan en dat zal ze vaak lukken. Het is de moeite waard om het gesprek aan te gaan, want mensen zijn cognitief capabel genoeg om wat je zegt op waarde te schatten, en er is een reële kans dat ze erdoor van gedachten veranderen. Het huidige cynisme daarover is onterecht.
Er zijn meer gevolgen. Als we ervan uitgaan dat (andersdenkende) mensen irrationeel zijn, gooien we de deur dicht voor de gedachte dat zij wellicht goede argumenten hebben voor hun ideeën. Daarmee maken we het bij voorbaat zinloos om ons tot de ander te wenden met inhoudelijke argumenten of te luisteren naar wat hij te zeggen heeft (we weten toch al dat het nutteloos zal zijn). Het is dus niet gek om te vermoeden dat het geloofsartikel van de irrationele mens, bijdraagt aan de verdeeldheid die zovelen van ons vandaag de dag ervaren.
In een wereld waarin mensen beschouwd worden als belabberde denkers, ontstaat er ook een soort persoon die zich gedraagt als een irrationele ziel. Zo’n persoon interesseert zich niet voor de feiten, want feiten zijn passé. Zo’n persoon doet niet aan dialoog, want mensen geloven toch wel wat ze willen geloven. Zo’n persoon wantrouwt zijn gezonde verstand. Zo’n persoon gedraagt zich als een ongeïnteresseerde kiezer die zichzelf te dom acht om een zinvolle bijdrage te leveren aan onze democratie of het ongepast vindt zich te mengen in het maatschappelijke debat zonder professorstitel. Zo’n persoon ziet zijn digitale zelf als speelbal van big tech, nepnieuws en microtargeting. ‘Door mensen te behandelen als zwakke, kwetsbare individuen die niet tegen de eerste de beste intellectuele uitdaging opgewassen zijn, schept men op grond van een dergelijke culturele houding een klimaat van geringe verwachtingen. Geringe verwachtingen geven blijk van minachting voor de gewone mensen die de doelgroep van culturele instituties en onderwijsinstellingen vormen,’ aldus de Hongaarse socioloog Frank Furedi over de weerslag van zo’n mentaliteit.
‘Een cultuur die als waarheid aanneemt dat haar burgers geen bekwame denkers zijn, zal,’ zo observeert de Britse schrijver Steven Poole, ‘die burgers anders behandelen dan een cultuur die hun reflectieve autonomie respecteert. Wat voor samenleving willen we zijn?’
Eentje waarin, zo stel ik voor, we elkaars denken serieus nemen. Als rationele wezens verdienen we dat.
Dit artikel is een fragment uit het boek Waarom we beter denken dan we denken van Maarten van Doorn. Uitgeverij Noordboek.

