De epigenetica van ADHD & glutamaat: Exorfinen

Deel 5: Lucas Flamend over exorfinen, opiaatantagonisten en de geschiedenis van gluten, melk en soja in onze voeding.

De epigenetica van ADHD & glutamaat: Exorfinen (deel 5)

Door Lucas Flamend

Lucas Flamend startte twintig jaar geleden een eigen praktijk als psychotherapeut. Als ADHD-ervaringsdeskundige specialiseerde hij zich gaandeweg in de ADHD-problematiek. Hij merkte dat de psychische klachten van ADHD gepaard gaan met lichamelijke klachten. Na een aantal opleidingen is hij zich meer gaan richten op de fysieke oorzaken van ADHD. Zo kwam hij uit bij de epigenetica. De epigenetica bestudeert de invloed van omgevingsfactoren zoals voeding en stress op de werking van de genen. Eind 2019 kwam zijn tweede boek uit De epigenetica van ADHD & glutamaat. In de komende edities van TCC Magazine zal hij iedere keer een onderwerp uit zijn boek uitlichten.

Exorfinen

Exorfinen zijn morfineachtige eiwitten die de werking van endorfine imiteren, op een manier die te vergelijken is met morfine. De term exorfinen is een samenvoeging van ‘exogeen’ en ‘morfine’ ofwel ‘lichaamsvreemde morfine’. In de vakliteratuur wordt vaak de naam food-derived opioid peptides gehanteerd; vertaald betekent dit: van voeding afgeleide opioïdepeptiden. Deze term is wat omslachtig, vandaar ‘exorfinen’.

Exorfinen activeren de vrijgave van endorfine, dopamine, GABA en histamine. Exorfinen treft men aan in soja, caseïne (melkeiwit), spinazie, eieren en rijst. Ze zitten ook in gluten, meer bepaald in tarwe, spelt, kamut, rogge en gerst.

DPP-IV-enzym

Exorfinen worden afgebroken door DPP-IV, een enzym met zo’n 70 verschillende functies. DPP-IV wordt aangemaakt in de pancreas. Sommige bacteriën, zoals Lactobacillus Rhamnosus GG en Lactobacillus helveticus, maken DPP-IV-achtige enzymen aan. Bij mensen die minder goed in staat zijn exorfinen af te breken, spreken we van een exorfinenintolerantie. Het DPP-IV-enzym werkt samen met het aspergillopepsine-enzym. Deze samenwerking resulteert in een volledige afbraak van het gluteneiwit. Ook het prolyl oligopeptidase-enzym breekt gluten volledig af.

Vlees

Exorfinen treft men ook aan in vlees – de stofjes hemorfine, serofine en cytochrofine –, zij het in minimale concentraties die nauwelijks effect hebben op het dopaminerge beloningssysteem. Hemorfinen worden gevormd uit hemoglobine, het pigment dat het bloed zijn rode kleur geeft. Rode bloedcellen zijn voor een derde gevuld met hemoglobine. Serofinen worden aangetroffen in albumine, een eiwit in bloedplasma. Er is weinig bekend over de opname en de enzymatische vertering, vermoedelijk omdat we deze exorfinen zelf ook aanmaken in het bloed. Hemorfinen hebben een opiaatactiviteit die tienmaal minder sterk is dan morfine. Vermoedelijk bevat gevogelte minder exorfinen dan rood vlees, maar nader onderzoek moet dit nog precies uitwijzen.

Eieren

Eieren bevatten de exorfine ovaluline. Er is geen onderzoek beschikbaar over de opiaatsterkte ervan. De mogelijkheid bestaat dat eieren een opiaatactiviteit hebben die krachtig genoeg is om insulineresistentie te veroorzaken. Uit onderzoek blijkt namelijk dat wie meer dan vijf of zeven eieren per week eet respectievelijk 46 en 58% meer kans heeft op het ontwikkelen van diabetes type 2. Er kunnen ook andere stofjes in eieren meespelen die deze dynamiek veroorzaken.

Opiaatsterkte

Opiaatsterkte is een term die weergeeft wat de sterkte is van een opiaat in vergelijking met morfine. Morfine zelf is dertig keer minder krachtig dan endorfine. Lichaamsvreemde opiaten activeren de endorfinereceptoren. Hoe sterker een opiaat is, des te meer receptoren worden geactiveerd en des te sneller er endorfineresistentie ontstaat. De opiaatsterkte van voedingsexorfinen is afhankelijk van de locatie in het lichaam. In de hersenen bijvoorbeeld hebben sommige caseïne-exorfinen een sterkere opiaatactiviteit dan in het perifere systeem.

De opiaatsterkte – ook wel het analgetisch effect genoemd – wordt uitgedrukt met de ED50-waarde. Deze waarde geeft een dosering weer waarbij vijftig procent van de bevolking een therapeutisch effect ondervindt. In het geval van opiaten hebben we het dan over de pijnstillende of verdovende werking. Voorbeeld: koemelk bevat de caseïne-exorfine morphiceptin, ook bekend als casomorfine-4 amide; deze heeft een ED50 die tweemaal lager is dan morfine. Hoe lager de ED50, hoe minder je ervan nodig hebt om het analgetisch effect te ervaren. Concreet betekent het dat iemand tweemaal minder morphiceptin nodig heeft in vergelijking met morfine om hetzelfde effect te bereiken. Hoe groter de opiaatsterkte des te sneller endorfineresistentie ontstaat. Exorfinen uit gluten, zuivel, soja en spinazie hebben de sterkste opiaatsterkte en kun je dus beter vermijden.

Opiaatantagonisten

Tot nu toe hebben we alleen gesproken over opiaten. Maar er zijn ook stoffen met een tegenovergestelde werking, de zogenoemde ‘opiaatantagonisten’. Deze herstellen de gevoeligheid van endorfine en insuline. Dat gaat als volgt. Opiaten veroorzaken overstimulatie van endorfine en insuline. Het gevolg is resistentie. We gaan nu een stap verder. Het omgekeerde van overstimuleren is afremmen. Opiaatantagonisten remmen endorfine en zorgen op deze manier voor het herstel van endorfine. Ik bespaar je de technische uitleg, maar het mechanisme werkt prima. Regelmatig werk ik met antagonisten om de gevoeligheid te herstellen, zoals apigenine. Als je deze stoffen in de juiste dosering toepast, hebben ze het gewenste therapeutische effect.

Het menselijk lichaam bevat diverse opiaatantagonisten, zoals casoxine en lactoferricine A. Deze laatste is afkomstig van het ontstekingsremmende eiwit lactoferrine. Humane opiaatantagonisten worden door het lichaam ingezet, onder meer als verdediging tegen kanker, een eigenschap die apigenine ook heeft.

Overzicht van voedingsexorfinen

  • casomorfine 1-3 (caseïne)
  • casomorfine 1-4 amide (caseïne), synoniem: morphiceptin
  • casomorfine 5 (caseïne)
  • casomorfine 7 (caseïne)
  • casomorfine 8 (caseïne)
  • gliadorfine (gluten)
  • gluten-exorfine A5 (gluten)
  • gluten-exorfine B5 (gluten)
  • gluten-exorfine C (gluten)
  • sojamorfine (soja)
  • rubiscoline (spinazie)
  • albumine (rijst)
  • oryzatensine: opiaatantagonist (rijst)
  • hemorfine (vlees)
  • serofine (vlees)
  • cytochrofine (vlees)
  • ovaluline (eieren)

De geschiedenis van gluten, melk en soja

Gluten – Tot ongeveer tienduizend jaar geleden leefde de mens van de jacht en het verzamelen van planten. Daarna, door het stichten van nederzettingen, ontstond de behoefte aan landbouw en veeteelt. Hoe ging dit in zijn werk? Een belangrijk deel van het verhaal is, dat de nederzettingen steeds groter en beter beveiligd werden en dat de bewoners, om binnen deze ommuring te kunnen overleven, gedwongen waren voorraden aan te leggen.

Gedurende meer dan 2500 jaar was brood in het Westen het basisvoedsel. Sindsdien zijn de ingrediënten – meel, water en zout – nauwelijks gewijzigd. De broodtraditie begon in het oude Egypte, waar het diende als goedkope voeding om de slaven in leven te houden. Vervolgens waaide het over naar het oude Rome. De Oud-Romeinse broodcultuur verspreidde zich vervolgens naar andere delen van Europa omdat het Romeinse keizerrijk heel Europa veroverde, inclusief de Scandinavische landen. De bevolking at vooral brood, maar ook linzen en bonen. Alleen de rijken konden zich betere maaltijden veroorloven.

Ook al eet de mens al ruim vijfduizend jaar brood, dat betekent niet dat het brood altijd gluten bevatte. Deze paradox is een van de meest voorkomende misvattingen over brood. Tot minder dan honderd jaar geleden werd er uitsluitend zuurdesembrood gebakken, gemaakt van deeg dat minstens 24 uur had gerezen. Dit soort brood bevat minder dan 8 ppm ofwel 8 mg gluten per kilo brood, wat minder is dan de Europese norm voor glutenvrij brood: 20 ppm. Dat zuurdesembrood zo weinig gluten bevat, komt omdat de bacteriën die de zuurgisting veroorzaken, de gluteneiwitten verteren.

Het glutenprobleem zoals we dat nu kennen, begon met de uitvinding van bakkersgist, zo’n honderd jaar geleden. En het nam pas echt een vlucht na de Tweede Wereldoorlog om de eenvoudige reden dat gistbrood sneller en goedkoper te produceren was dan zuurdesembrood. Laten we eens kijken naar het glutengehalte in het moderne brood. Tarwebloem bevat zo’n tien procent gluten. Voor het maken van volkorenbrood wordt vijftig procent extra gluten toegevoegd, bij wit brood is dat minder, zo’n twintig procent. Een gemiddeld tarwebrood van een kilo bestaat voor de helft uit water en bevat zo’n 60 gram zuivere gluten. Een tarwegistbrood bevat dus 7.500 maal meer gluten dan een zuurdesembrood. Aangezien Nederlanders en Belgen broodeters zijn, krijgen die, inclusief gebak, koekjes, pizza en pasta, iedere dag ongeveer 20 à 30 gram gluten binnen.

Melk – We drinken al meer dan vijfduizend jaar melk, maar de laatste decennia zijn de genetische eigenschappen van de melk en het voer van de koeien veranderd. We zijn geëvolueerd van A2-melk naar A1-melk. Oudere koeienrassen waren vooral A2-koeien. Ze hadden als nadeel dat ze minder melk produceerden. Door selectie en kruising is in Amerika en Europa een koeienras ontwikkeld dat wel tot 55 liter melk per dag produceert, soms meer dan het dubbele van de opbrengst van het A2-ras. De Holstein-Friesian gedoopte koe werd mogelijk door bij het kruisen steeds op A1-rassen te selecteren. Mede hierdoor, maar ook door veranderingen in veevoeder, steeg de melkproductie per koe van 2.500 liter per jaar in het begin van de 19e eeuw tot maar liefst 10.000 liter per jaar in 2015. Desondanks maakt een gemiddelde melkveehouder nauwelijks winst omdat de melkprijzen kunstmatig laag worden gehouden.

Een van de problemen met melk is het melkeiwit. Dat remt de werking van polyfenolen uit planten. Polyfenolen, zoals de flavonoïden, zijn de belangrijkste bron van antioxidanten. Ze beschermen ons tegen oxidatieve en nitrosatieve stress, aderverkalking en zorgen ervoor dat cholesterol geen schade kan aanrichten. Verder hebben ze een ontstekingsremmende werking, beschermen ze ons tegen kanker en verminderen ze het risico op alzheimer met meer dan zeventig procent.

Melk vertraagt de cognitieve ontwikkeling. Baby’s die zijn gevoed met koemelk, hebben een latere spraakontwikkeling dan baby’s die moedermelk krijgen. Bovendien hebben ze meer risico om later in hun leven overgewicht te ontwikkelen. Bij dieren zorgt casomorfine-7 voor een verminderde moeder-kindbinding. Kinderen die veel melk drinken, hebben meer kans op middenoorontsteking en insulineresistentie.

Soja – Voor de oorsprong van soja moeten we vijfduizend jaar terug in de tijd, naar het oude China. In het begin van de 20e eeuw, was de sojaboon een van de drie belangrijkste exportproducten van China, samen met thee en zijde. In 1936 had China negentig procent van de sojaboonproductie in handen. Vier jaar later begon de Verenigde Staten met de teelt van soja en vanaf het eind van de Tweede Wereldoorlog ontwikkelde Amerika zich al snel tot de grootste sojaproducent ter wereld. Soja was een prima gewas om aan de groeiende vraag naar plantaardige olie te voldoen. De eiwitten beschouwde men in het begin als afval dat kon dienen als veevoer. Deze trend werd al snel overgenomen door Europa.

Vanaf de jaren zestig begonnen de sojaproducenten met een grootschalige marketingcampagne om hun product te promoten als een gezond alternatief voor vlees. Hierbij gebruikten ze een argument dat men op de dag van vandaag nog hoort: namelijk dat men in China al duizenden jaren soja eet en dat het bijdraagt aan het verminderen van de ‘typerende westerse aandoeningen’. In de sixties was voeding nog geen echte wetenschap en kon men de opinie makkelijk beïnvloeden met wat losse flodders. De waarheid over de soja ligt echter genuanceerder. Het begint ermee dat Chinezen per dag gemiddeld twee theelepels soja eten. De overige soja wordt verwerkt in gefermenteerde sojaproducten zoals sojasaus, natto, miso, shoyu en tempeh.

Een belangrijk verschil tussen de eetgewoonten in China en het Westen is het gebruik van gefermenteerd voedsel. Chinezen fermenteren bijna alles, van sauzen, groenten en fruit tot vis en vlees. Waarom al deze moeite doen? Dat heeft een goede reden. China heeft in zijn geschiedenis meerdere periodes van voedselschaarste doorgemaakt. De bevolking was genoodzaakt om voeding zo lang mogelijk te bewaren. Zonder koelkast kan dat met fermentatie. Fermenteren heeft verder nog tal van andere voordelen. Zo levert het fermentatieproces enzymen op die glutamaat afbreken en de bacteriën breken exorfinen en andere moeilijk te verteren eiwitten af.

In het Westen zijn de oude fermentatietechnieken grotendeels geëlimineerd uit het productieproces en de keukens. Een voorbeeld is het vervangen van zuurdesembrood door gistbrood. Maar ook de ouderwetse gefermenteerde zuurkool is vervangen door een waardeloos gepasteuriseerd product dat ontdaan is van alle waardevolle bacteriën. Buiten het maken van bier en wijn – processen waarbij fermentatie een hoofdrol speelt – heeft het Westen in zijn drang om de ‘gevaarlijke’ bacteriën uit het eten te verwijderen, voeding gecreëerd die steriel en levenloos is. Tegelijk is de voedingsindustrie erin geslaagd bewerkte voeding goedkoper te maken dan onbewerkte voeding.

De epigenetica van ADHD & glutamaat, Uitgever BrainQ Publishing, ISBN 9789082922110.

“ADHD heeft zowel een genetische als een epigenetische component, die je grotendeels kan beïnvloeden door omgevingsfactoren die je zelf in de hand hebt. Met dit boek wil ik mensen handvatten geven om de regie weer in eigen hand te nemen.”

Auteur

Rick

Gepubliceerd op

16 augustus, 2026

Thema

TCC Magazine 2020

Tags

Deel dit artikel

Gerelateerde artikelen