In de praktijk: Rechten en plichten van het kind

De NFG legt uit wat de rechten en plichten van kinderen en hulpverleners zijn, onder meer bij scheiding.

In de praktijk: Rechten en plichten van het kind

Iedere hulpverlener krijgt ermee te maken: dilemma’s. Hoe handel je en wat mag je wel én niet als hulpverlener. Vaak wordt de NFG gebeld met vragen. In deze rubriek delen we de vragen met je, maar ook de antwoorden.

Bij de NFG krijgen we heel veel vragen over kinderen. En dan met name over het belang van het kind, mag een kind zelf beslissen, welke rechten en plichten heb je als therapeut? Toegegeven, dat is ook een lastig stukje materie; de wetgever is daar namelijk niet helemaal duidelijk over.

Het krijgen van kinderen brengt taken en verantwoordelijkheden met zich mee. De meeste ouders redden zich daar prima mee. In Nederland mag iedereen zijn kinderen opvoeden op de manier zoals hij of zij dat wenst. Zolang het maar niet tegen de wet of tegen het belang van het kind is, geeft de overheid hier alle ruimte. De eigen normen en waarden en levensbeschouwing mogen overgedragen worden op het kind.

In de regel zullen de meeste kinderen opgroeien in een gezinssituatie. De ouders voeden het kind op en oefenen het ouderlijk gezag uit. Of zij staan onder gezag omdat zij beperkt handelingsonbekwaam zijn. Het ouderlijk gezag omvat de verantwoordelijkheid om zorg te dragen voor de lichamelijke en geestelijke gezondheid van hun kind. Dit houdt onder meer in dat de ouders bevoegd zijn om beslissingen te nemen omtrent de medische zorg ten behoeve van het kind.

Hoewel ouders en zorgverleners het beste voor een kind willen, kunnen zij soms van mening verschillen over wat dat nou precies is. Ook kan een situatie ontstaan waarin ouders onderling verschillen van mening. Om het nog ingewikkelder te maken, soms kan ook een kind het niet eens zijn met de inschatting van de ouders of de hulpverlener. Bijzonder is in de Nederlandse wetgeving dat hier geen invulling aan is gegeven. Voor een gedeelte is dat ook logisch, want het betreft hier natuurlijk zeer ingewikkelde, morele dilemma’s. De morele dilemma’s kunnen bijvoorbeeld gaan over onderliggende waarden en normen, de eventuele medische relevantie van feiten, de uiteindelijke doelen en de beste manier om die doelen te bereiken.

Het belangrijkste principe dat we kennen vanuit de wetgeving is, dat er zoveel mogelijk in het belang van het kind gehandeld dient te worden. Steeds maar weer moet de hulpverlener die toetsing gebruiken. Het belang van een kind is zowel in het internationaal recht als onze wetgeving stevig verankerd.

Soms is het niet evident wat nou precies het belang van het kind is. Dit komt omdat het begrip belang van het kind niet in beton gegoten is. Wat bijvoorbeeld bij autochtonen vanzelfsprekend als het belang van het kind gezien wordt, hoeft dat niet per definitie zo te zijn bij sommige allochtone groepen. Zo is bijvoorbeeld het gebruikelijk bij ouders van Afghaanse origine dat het belang van de groep hoger wordt geacht dan het belang van een kind. De mening van de groep is vaak leidend in het nemen van beslissingen. Dat kan bijvoorbeeld haaks staan op opvattingen die autochtone Nederlanders hebben. Ik geef u een voorbeeld. Een Afghaans jongetje, beide ouders zijn universitair opgeleid, krijgt de Citoscore mee voor het vwo. Echter, de ouders sturen hun kind naar een vmbo-opleiding. Navraag leerde dat de ouders geluisterd hadden naar de groep waar zij deel van uitmaakte. Dat is een groep die bestaat uit mensen vanuit Afghanistan. Binnen deze groep, waarin relatief veel laag opgeleide mensen aanwezig waren, heerste de opvatting dat het vwo niet goed zou zijn voor een kind van Afghaanse komaf. De peer pressure die uitgeoefend wordt op de ouders, was dermate dat uiteindelijk de ouders de opvatting van de groep voor hun eigen opvattingen lieten gaan.

Voor autochtonen zou dit een uitgemaakte zaak zijn. Sterker nog, veel autochtone ouders proberen juist de andere weg te bewandelen. Dat wil zeggen dat ze proberen een kind op een zo hoog mogelijke opleiding te krijgen. Ongeacht of dit in het belang van het kind is. De eigen ambitie en opvatting is leidend.

Het belang van het kind is een ingewikkeld iets. Zo kunnen belang en wens van het kind twee compleet verschillende dingen zijn. Een kind kan zich met reden verzetten tegen een pijnlijke behandeling. Op dat moment zal als het ware de mening van het kind terzijde geschoven moeten worden om voor het kind te beslissen dat de behandeling wél moet plaatsvinden, omdat het in het belang van het kind is. Ouders zijn bevoegd om die beslissing te nemen. Ze hebben dat recht omdat we ervan uitgaan dat het kind nog niet in staat is zelf de gevolgen van zijn eigen beslissing te overzien. Maar het is een soort glijdende schaal. Naarmate het kind ouder wordt, dienen we meer naar het kind te luisteren. Vanaf de puberteit kan het zelfs zo zijn, dat de mening van het kind het belang van het kind is.

De belangen van het kind worden meestal gekoppeld aan ontwikkeling, verzorging, opvoeding maar ook aan de mate van ‘geestelijke rijpheid’. Sommige kinderen kunnen op 14-jarige leeftijd al volwassen beslissingen nemen, terwijl andere kinderen van 14 jaar gebrekkig overzien wat de gevolgen van een beslissing kunnen zijn. Dan is er nog de ingewikkelde vraag tot in hoeverre kinderen een mening kunnen uiten, hun eigen belang kunnen vertegenwoordigen, wanneer er sprake is van psychische, psychosociale, psychiatrische problematiek of een verstandelijke beperking.

Voor de rechter telt de mening van het kind

De rechter houdt uiteraard rekening met de mening of wensen van het kind, maar dit betekent niet dat de rechter die mening ook steeds blindelings volgt en het kind dus via het kinderverhoor zelf mag bepalen. De rechter maakt een afweging van alle belangen en neemt vervolgens een eigen beslissing, die kan afwijken van de wens van het kind. En soms is dat maar goed ook. Zo was er eens een twaalfjarige die aangaf liever bij de andere ouder te willen wonen, omdat het kind daar meer tijd met de PlayStation mocht doorbrengen en wat minder tijd aan huiswerk hoefde te besteden. Je kan je wel voorstellen dat de rechter daar niet in meeging.

Schadelijk

De rechter houdt rekening met de mening van het kind, maar ook al is het kind ouder dan 12 jaar, betekent dat niet dat de mening van het kind doorslaggevend of leidend is. Een dergelijke keuze betekent voor de kinderen dat ze moeten kiezen tussen de beide ouders en dat is voor kinderen een onmogelijke keuze. Een kind is immers ontstaan uit de beide ouders en ontleent daarmee zijn/haar identiteit aan beide ouders. Een keuze tussen die ouders gaat gepaard met het negeren van de ouder voor wie niet wordt gekozen. Het maken van een keuze betekent dus ook dat het kind een deel van zichzelf moet verloochenen. Daarmee voelt het voor een kind alsof het verscheurd wordt. Het is niet voor niets dat in de ‘open brief aan alle gescheiden ouders’ aan ouders wordt gevraagd om kinderen geen kant te laten kiezen. Maar toch, helaas, de praktijk is bitter anders.

Vechtscheiding en kind

We mogen met enig cynisme stellen dat dit de absolute nummer één is onder de vragen die aan de NFG gesteld worden. Vaak zijn hulpverleners het middelpunt van de strijd tussen ouders. Boosheid, ongenoegen, het wordt allemaal via de hulpverlener getransporteerd naar de andere partner. Voor een hulpverlener betekent dit letterlijk op eieren lopen. Tussen alle emotie van de scheidende ouders door moet de therapeut het belang van het kind in het oog houden. Eenvoudig is dat niet. Vaak wordt het kind gebruikt als een object om de andere partner te kwetsen. Wat we heel vaak zien is, dat hulpverleners niet goed weten wat hun verplichtingen zijn. Indien een kind jonger dan 12 is, dienen bij een behandeling te allen tijde beide ouders de behandelovereenkomst te tekenen. Gebeurt dat niet, dan ontstaat er ‘gevaarlijke‘ situatie waarbij de hulpverlener het risico loopt dat de ouder die niet getekend heeft, dit als wapen tegen de andere ouder gebruikt maar ook tegen de hulpverlener. Een klacht is een vaak onvermijdelijk.

Een andere valkuil is dat een van beide partijen wantrouwend tegenover de hulpverlener komt te staan. Hij of zij vermoedt dat ‘de hulpverlener partij kiest’, terwijl dit in de praktijk totaal niet het geval is. Zodra je deze signalen oppikt, is het zeer verstandig om een tweede hulpverlener erbij te halen. Zo heb je een tweede paar ‘ogen en oren‘ die de situatie kunnen beoordelen.

Echtscheidingen kunnen heftig zijn. Een van de reden waarom stellen uit elkaar kunnen gaan, is huiselijk geweld. Helaas rust daar nog een grote onwetendheid op. Bij geweld denkt men vaak aan fysiek geweld. Bij echtscheiding is er echter soms sprake van geestelijk geweld. Een van beide ouders raakt zo geobsedeerd door de scheiding dat de kinderen ingezet worden als wapen. Dat kan grenzen aan geestelijke mishandeling. De wet zegt dat een hulpverlener dan verplicht moet ingrijpen. De NFG heeft een aandachtsfunctionaris huiselijk geweld, die je met raad en daad terzijde kan staan mocht je het vermoeden hebben.

Kinderen In Echtscheiding Situaties (KIES)

Vaak voelen kinderen zich verscheurd in hun loyaliteit naar de ouders toe. Ze voelen zich eenzaam. Dan is verwijzen naar het programma KIES een overweging waard. KIES is een lotgenotengroep voor kinderen (leeftijd: 4-8, 8-12, 12+) in (echt)scheidingssituaties. De kinderen ervaren dat ze niet de enige zijn. Spelenderwijs leren ze overeenkomsten en verschillen herkennen tussen hun eigen situatie en die van anderen uit de groep. De (h)erkenning dat andere kinderen dezelfde problemen hebben, werkt vaak al situatie-verbeterend.

Informatie en toestemming

De positie van een ouder of van degene die het belang van het kind vertegenwoordigt die wilsonbekwaam is verklaard, is verankerd in de wet. Minderjarigen die jonger zijn dan 12 jaar, worden dus altijd vertegenwoordigd door een ouders of voogd. Dit impliceert dat zij per definitie onbekwaam worden geacht om over het eigen onderzoek of de behandeling een beslissing te nemen. Juridisch gezien hebben zij daarom geen stem in de eigen behandeling, maar de hulpverlener is er in dit geval wel verplicht om het kind op passende wijze te informeren; de wensen en de voorkeuren van het kind moeten desondanks zoveel mogelijk worden meegewogen. Van een goede hulpverlener mag bovendien worden verwacht dat zij eventueel verzet van een jong kind meeneemt in haar beslissing om een onderzoek of een behandeling wel of niet uit te voeren. Is het onderzoek of de behandeling echt nodig gezien het verzet van het kind?

De regeling voor cliënten tussen de 12 en 16 jaar is het meest gecompliceerd. Het zijn veelal de ouders of de voogd die de behandelingsovereenkomst sluiten, maar ten aanzien van de behandeling zelf geldt een systeem van dubbele toestemming. Behalve de toestemming van de ouders of voogd is ook de toestemming van de minderjarige vereist.

Op deze regeling bestaan echter twee uitzonderingen waarbij alleen de toestemming van de minderjarige zelf nodig is. Het betreft allereerst de situatie dat behandeling kennelijk nodig is om een ernstig nadeel voor de gezondheid van de minderjarige te voorkomen. Een voorbeeld hiervan is de behandeling van een 15-jarige jongen met een geslachtsziekte, waar de jongen toestemming voor geeft. De behandeling is nodig om ernstig nadeel voor de jongen te voorkomen en om die reden is de mening van de ouders ondergeschikt aan het gezondheidsbelang van de jongen.

Een tweede uitzondering betreft de situatie dat de minderjarige na weigering van toestemming door de ouders weloverwogen behandeling blijft wensen. Een voorbeeld hiervan is een 14-jarig meisje dat zwanger is geraakt en een abortus wil. Wanneer de ouders geen toestemming geven, bijvoorbeeld vanuit geloofsovertuiging, maar het meisje daar zelf uitdrukkelijk voor kiest, kan de hulpverlener het meisje toch verwijzen voor een behandeling. In deze situatie kan een dilemma ontstaan wanneer het meisje niet wil dat haar ouders het te weten komen dat zij zwanger is. De hulpverlener zal dan een belangenafweging moeten maken, waarbij de verplichting om de ouders te informeren, wordt afgezet tegen de verplichting tot goed hulpverlenerschap richting het meisje.

Waar de wet spreekt over toestemming van ouders, gaat het altijd om ouders met gezag. Het gaat bovendien over toestemming van beide gezaghebbende ouders, al is deze eis door de rechter wel enigszins afgezwakt: als een kind wordt begeleid door een ouder en er is geen sprake van een ingrijpende, niet-noodzakelijke of ongebruikelijke behandeling van een kind, dan mag de hulpverlener, tenzij er aanwijzingen zijn van het tegendeel, de toestemming van de andere ouder veronderstellen. Deze regel geldt ook als ouders gescheiden zijn. Omdat niet altijd op voorhand duidelijk is hoe de gezagsverhouding is, wordt hulpverleners aangeraden voor de behandeling naar de gezagsverhouding te vragen. Bij twijfel over de gezagsverhoudingen kan de hulpverlener het gezagsregister raadplegen. Je kan daarvoor een verzoek indienen bij de rechtbank.

Wat het verlenen van toestemming door de ouders of voogd betreft, geldt dat een spoedsituaties de toestemming van de ouders of voogd niet hoeft worden afgewacht. Van de hulpverlener wordt dan wel verwacht dat hij alsnog de ouders of voogd benadert zodra de situatie het toelaat. Ouders of voogd hoeven ook niet voor elke verrichting toestemming te geven. Voor niet-ingrijpende verrichtingen mag de toestemming van de ouders of voogd namelijk worden verondersteld.

Bij ingrijpende verrichtingen is de toestemming van ouders of voogd wel altijd vereist. Hieruit blijkt dat de wetgever cliënten extra bescherming heeft willen geven, als het gaat om ingrijpende verrichtingen. Als de cliënt ouder is dan 12, mogen behandelingen van ingrijpende aard daarom ook alleen tegen de wil van de cliënt plaatsvinden, wanneer de cliënt wilsonbekwaam ter zake is en de behandeling kennelijk nodig is om ernstig nadeel voor de cliënt te voorkomen. Aan het doorzetten van een behandeling bij een jong kind dat zich verzet, zijn vanuit de wet geen extra eisen gesteld.

We hebben het nog even samengevat in een tabel:

  • Het kind is jonger dan 12 jaar: gezaghebbende ouders of voogd worden geïnformeerd; het kind krijgt de informatie voor zover het past bij zijn/haar bevattingsvermogen. Gezaghebbende ouders of voogd geven toestemming.
  • Het kind is tussen 12 en 16 jaar: gezaghebbende ouders of voogd en kind worden geïnformeerd. Gezaghebbende ouders (of voogd) geven toestemming; toestemming van alleen het kind is voldoende wanneer de behandeling nodig is om ernstig nadeel voor het kind te voorkomen, of wanneer het kind de behandeling, na weigering door ouders of voogd, weloverwogen blijft wensen.
  • Het kind is 16 jaar of ouder: het kind moet worden geïnformeerd. Het kind geeft toestemming.
  • Het kind is 12 jaar of ouder en wilsonbekwaam ter zake: gezaghebbende ouders of voogd worden geïnformeerd; het kind krijgt de informatie voor zover het past bij zijn/haar bevattingsvermogen. Gezaghebbende ouders (of voogd) geven toestemming.

Auteur

Rick

Gepubliceerd op

16 augustus, 2026

Thema

TCC Magazine 2019

Tags

Deel dit artikel

Gerelateerde artikelen