Door: Marijke van den Berg
Haar jeugd was er eentje vol pracht en praal. Zij is pas 23 als de oorlog uitbreekt en haar leven een compleet andere wending krijgt. Met de trein van Amsterdam naar haar grote liefde in Winschoten reizen wordt een steeds hachelijker onderneming. Zij trouwt en verhuist naar Groningen, waar ze bij haar schoonouders intrekt. Spoedig raakt zij in verwachting. Het kindje is nog niet geboren als ze samen met haar man en schoonouders naar Westerbork wordt afgevoerd, waar ze na enkele maanden haar baby verliest. In Westerbork wordt zij aangewezen voor de verpleging. Haar schoonouders en man heeft zij voor het laatst in kamp Westerbork gezien. Op een van de laatste transporten gaat ook zij richting Auschwitz.
Na bevrijding door de Russen gaat de reis deels lopend terug richting Nederland. Zij heeft oedeem en is kaalgeschoren. In Winschoten aangekomen wordt zij daar niet met open armen ontvangen, er zijn mensen in hun huis getrokken in de veronderstelling, dat er toch niemand terug zou komen. Ontgoocheld, ziek, in armoe en zonder man gaat ze naar Amsterdam terug om daar de lijsten van het Rode Kruis af te wachten. Haar ouders, schoonouders en haar oudste zuster staan erop, zij hebben de kampen niet overleefd.
Het is inmiddels 1946, zij is nu 30 jaar. Op de tramhalte in Amsterdam ontmoet zij een man die voor een half jaar uit Indonesië met verlof is. Zij vindt hem aardig. Hij heeft in de Jappenkampen gezeten en zijn vrouw daar verloren. Hij moet terug naar Indonesië om nog lopende zaken af te ronden. Hij is rechter. Hij vraagt haar mee te gaan en met hem te trouwen. Zij twijfelt, hoopt aan de andere kant ook nog dat haar man terugkomt, hij komt immers niet op de Rode Kruis-lijsten voor, maar wil ook niet met de handschoen trouwen en vertrekt met hem mee naar Indonesië. Het loopt tegen de soevereiniteitsoverdracht. Het wordt daar te gevaarlijk. In 1949 vertrekken ze terug naar Nederland.
Samen krijgen ze drie kinderen. Voor de buitenwereld is het een gezellig, goed gezin. Over de verschrikkingen van de oorlog wordt in het gezin nooit gesproken, er wordt over gezwegen. Het huwelijk is een verstandshuwelijk. Zij verwijt zichzelf geregeld dat ze van niemand kan houden en vraagt zich ook vaak af of zij wel kinderen had mogen nemen.
Het is 1964, zij is 47 jaar als ze op een ochtend te horen krijgt dat haar man op de rechtbank een hartaanval heeft gehad. Voor de tweede keer is zij weduwe.
Lichamelijk begint zij te sukkelen. Met name haar benen, daar heeft zij veel last van, ze zien blauw en zij zegt dat dat komt door de moffen, die hebben haar met stokken tegen de benen geslagen. Zij wil de dokterskosten vergoed zien, maar de verzekering wil die niet voetstoots vergoeden. Zij wordt doorverwezen naar een keuring voor oorlogsslachtoffers. De keuring wordt voor haar een complete ramp. Ze moet in een rij staan met anderen om gekeurd te worden, dit kan zij niet aan, het brengt haar in één klap terug naar de keuringen in de kampen. Dagen is zij overstuur, komt haar bed niet meer uit en vecht ’s nachts met de Duitsers, gilt de boel bij elkaar.
Het is 1971, zij is 55 jaar en woont nu helemaal alleen, niemand meer om voor te zorgen – de kinderen zijn het huis uit. Zij raakt in een zware depressie, slikt slaaptabletten tegen de nachtmerries. Het teveel aan voorgeschreven tabletten spaart zij op.
Het is 1985, zij hoest al een tijdje vreselijk, de dokters constateren longkanker. Zij heeft geen zin in een lang ziekbed. “Moffen noch kanker zullen mij er onder krijgen”, zegt ze. Met de door haar opgespaarde pillen besluit zij er zelf een eind aan te maken.
Een door de oorlogsjaren gebroken leven. Een gebroken vrouw. Een strijdbare vrouw. Mijn moeder.
info@praktijkvoorcounseling.nl

