Door: Maartje Albert, redactie PSC
Veel delen met je liefste, maar ook veel ruimte hebben voor jezelf. Die twee verlangens kunnen makkelijk botsen en dat maakt de liefde soms knap ingewikkeld. “Als je helder voor ogen hebt wie je bent en wat je wensen zijn”, zegt psychologe Saskia de Bel, “maak je de weg vrij voor een diepere verbintenis.”
GZ-psychologe Saskia de Bel heeft al 17 jaar een eigen praktijk voor loopbaanbegeleiding, reïntegratie en kortdurende psychotherapie. Vooral het combineren van werk en kinderen heeft al jarenlang haar belangstelling. Om die reden heeft De Bel in 2002 en 2003 onder begeleiding van Christien Brinkgreve in eigen beheer onderzoek gedaan naar hogeropgeleide tweeverdieners met kinderen. Dit heeft geleid tot het boek ‘Samen uit, samen thuis’.
Hoe is je interesse in werk in combinatie met kinderen gewekt?
“Het combineren van werk en de zorg voor kinderen gaat als onderwerp al jaren met mij mee. Allereerst omdat ik als kersverse moeder gelijk al merkte hoe lastig het was om werk met kinderen te combineren. En dan vooral met léuk werk, waarin je je ambities kunt volgen. Vreselijk vond ik dat, die plotselinge ambivalenties en loyaliteitsconflicten tussen werk en privé. Ik had mij daar helemaal niet op voorbereid en vroeg me af hoe ik daarmee om moest gaan.
Maar ook beroepsmatig gaat het werkend ouderschap al lang met mij mee, omdat ik steeds weer vrouwen en mannen in mijn praktijk kreeg – en nog steeds krijg – die naar een goede balans tussen carrière en kinderen zoeken. In mijn beleving probeerde ieder voor zich steeds opnieuw het wiel hiervoor uit te vinden. Om die reden heb ik in de periode 2002-2003 en in 2009 onder begeleiding van Christien Brinkgreve onderzoek gedaan bij hogeropgeleide tweeverdieners met kinderen.”
Waarom ook nog onderzoek doen, naast je eigen praktijk?
“Ik ben mijn loopbaan als psycholoog begonnen als onderzoeker op het gebied van arbeid en sekse, wat ik ontzettend leuk werk vond. Het was ook heel goed te combineren met kinderen. Wij deden bij dat onderzoeksinstituut al jaren voordat die term bestond, aan Het Nieuwe Werken. Vanwege de bezuinigingen moest ik op zoek naar ander werk en toen ben ik voor mijzelf begonnen. Het onderzoek bleef echter trekken, dus al snel had ik het project ‘carrière & kinderen’ bedacht. Samen met de VVAO (Vereniging van Vrouwen met Hogere Opleiding) deed ik onderzoek naar de succesfactoren voor het combineren van hogere en leidinggevende banen met de zorg voor kinderen. Vanaf dat moment heb ik regelmatig onderzoek gedaan. Voor mij hoort het ook echt bij elkaar, wetenschappelijk onderzoek doen en werken als hulpverlener. Tegenwoordig is scientist-practioner overigens één van de speerpunten van het NIP (Nederlands Instituut voor Psychologen). Vanaf het moment dat ik zelfstandig gevestigd was, richtte dat onderzoek zich steeds op de balans tussen werk en privé. Ouderschap hoorde daar automatisch bij. Ik organiseerde samen met anderen allerlei studiemiddagen en deed onderzoek hiernaar. Dit is uiteindelijk uitgemond in het boek ‘Samen uit, samen thuis’.
Tijdens het schrijven van het boek, heb ik al het materiaal dat ik in de afgelopen jaren verzameld had, de enquêtes die ik gehouden had en de diepte-interviews, nog eens goed doorgenomen. Het viel me daarbij op dat, daar waar stellen werk en ouderschap goed in balans hadden en heel tevreden waren over de taakverdeling, de vrouwen vaak heel autonoom waren en dat deze stellen samen echt een team vormden. Deze twee kenmerken kwamen steeds terug. Het vormen van een sterk team en het respecteren van elkaars autonomie en dan met name de autonomie van de vrouw. Uit het onderzoek bleek ook dat het de vrouwen waren, die geïnitieerd hadden de taken te verdelen. Toen ik begon met dit onderzoek in de jaren 90 van de vorige eeuw, waren die vrouwen pioniers op dit gebied. Zij wilden graag de zorgtaken verdelen en deelnemen aan de arbeidsmarkt en hierover onderhandelden zij met hun partner.
Dit werd voor mij ook bevestigd door een langlopend onderzoek van Vincent Duindam naar betrokken vaderschap. Hieruit kwam precies hetzelfde. De vrouwen speelden een belangrijke rol. Het waren stuk voor stuk stevige, autonome vrouwen. En dit vond ik een heel opvallend en fantastisch gegeven, want dit was eigenlijk wat de emancipatie beoogde. En ik merkte dat die autonomie voor mij ook heel belangrijk was en iets heel wezenlijks raakte. Want eigenlijk gaat het bij mensen heel vaak over vrij willen zijn, je eigen ding kunnen doen en met anderen in verbinding zijn en dat ook voelen. En ineens zag ik in al het materiaal dat ik tot mijn beschikking had, een rode draad. Toen ik het manuscript van mijn eerste boek liet lezen aan Christien Brinkgeve die mijn onderzoek begeleidde, had ik niets gezegd over deze rode draad. En tot mijn verassing zei zij: ‘Er doemt een heel nieuw relatie-ideaal op: autonomie in verbondenheid.’ Ik wist meteen: dat wordt mijn tweede boek.”
Je tweede boek was dus eigenlijk een logisch vervolg op ‘Samen uit, samen thuis’.
“Eigenlijk heb ik tijdens het schrijven van mijn eerste boek al eens gedacht: het gaat eigenlijk helemaal niet over werk en zorg, het gaat over relaties. Want als je werk en zorg wil combineren op een goede manier, dat wil zeggen eerlijk verdeeld, allebei actief betrokken, allebei zelfontplooiing nastrevend en ook er zijn voor je kinderen, dan kan het niet anders dan dat je dat echt met zijn tweeën doet op basis van gelijkwaardigheid. Gelijkwaardigheid is iets wat veel mensen wel willen, maar vaak niet ervaren.
Ik zag ineens dat dit de rode draad was in mijn eigen leven en hoe dit de rode draad vormde in de levens van al die werkende ouders die ik tijdens de vele jaren van onderzoek was tegengekomen. Dit is echt de essentie van het leven en een groot en mooi onderwerp. Daar wil ik het over hebben.
Ik ben vervolgens relatietherapeuten gaan interviewen en heb hun gevraagd of zij deze rode draad herkenden. Door één van deze gesprekken ben ik terechtgekomen bij het ontwikkelingsprofiel van Abrahams. Dit vormde een gedegen raamwerk om het onderzoek ‘Autonomie in verbondenheid’ aan op te hangen. Abrahams heeft het over ontwikkelingsstadia waar je autonomie en verbondenheid heel goed in kunt passen. Dit profiel is de basis voor het boek geworden.”
Het is wel bijzonder dat een GZ-psycholoog een boek gaat schrijven over relaties.
“Ja, zelf vond ik het ook wel ongerijmd dat juist ik dat boek ging schrijven. Ik ben geen relatietherapeut en dat zeg ik ook altijd heel nadrukkelijk tegen mensen die door het boek bij mij in de praktijk terechtkomen. Ik kan hooguit 3 tot 5 gesprekken voeren om erachter te komen welke dynamieken er tussen twee mensen spelen. Ik heb daarom gekozen voor een journalistieke aanpak. Ik ben mensen gaan interviewen en de kennis en inzichten van anderen gaan optekenen en ik heb er iets van mezelf in vervlochten. Zo heb ik het opgezet. En terwijl ik hier mee bezig was, dacht ik: wat zou het leuk zijn als ik een vragenlijst zou hebben om te meten of je van die verschillende ontwikkelingsniveaus kunt spreken. Ik wil graag mensen op hun weg naar autonomie in verbondenheid helpen met een zelfhulpboek en andere materialen. En zo is ook de Relatiemeter ontstaan.”
De Relatiemeter geeft inzicht in de verschillende vormen van autonomie en verbondenheid in relaties. Hoe is deze tot stand gekomen?
“De Relatiemeter is eigenlijk een uit de hand gelopen hobby. Ik wilde de vragenlijst digitaliseren en meer onderbouwen. Daarom moest de lijst aan allerlei eisen voldoen, waarvoor ik onder andere te rade ging bij een hoogleraar psychodiagnostiek. Zij heeft vooral gekeken naar wat er al is aan vragenlijsten en gaf aan dat er nog niet zoiets is als de Relatiemeter. Ze waarschuwde me al wel dat het heel wat tijd vergt om een test te ontwikkelen. Als je echt een vragenlijst wil samenstellen die wat voorstelt en goed onderbouwd is, ben je jaren bezig. Daarom is de vragenlijst uiteindelijk niet in het boek terechtgekomen. Wel is de typologie beschreven in het boek. Zo is het boek een project in wording geworden.”
Hoe is de typologie tot stand gekomen?
“De gedachte is er dat er negen typen zijn. Ik ben uitgegaan van ‘heel autonoom, gemiddeld en weinig autonoom’ en ‘heel verbonden, gemiddeld en weinig verbonden’. Als je dit gaat mixen, kom je tot negen typen. Ik ben vervolgens in de praktijk gaan zoeken naar voorbeelden van stellen die pasten bij ieder type en die heb ik vragen gesteld om de typen te kunnen toetsen. Zo ontstond er vanuit een lijstje een serieus instrument waar masterstudenten onderzoek naar doen. Nu is net het tweede deelonderzoek afgerond en de scriptie in concept geschreven. Het eerste deelonderzoek richtte zich op stellen en het tweede op singles. Door een aantal radio-interviews die ik heb gegeven, hebben zoveel respondenten meegedaan aan het onderzoek dat we jaren vooruit kunnen met de verzamelde data. En zo is het onderzoek een beetje een eigen leven gaan leiden.
Zo bleek bijvoorbeeld dat het niet alleen gaat om autonomie in verbondenheid, maar dat er nog een derde categorie is: sexuele intimiteit. Dat is een mooi voorbeeld van hoe praktijk en wetenschap op elkaar inwerken. Vanuit de praktijk bedenk je iets en dat toets je vervolgens aan de wetenschap en dan komt er vervolgens iets anders of iets extra’s terug. In al die data bleek sexuele intimiteit zowel bij singles als bij stellen een aparte factor te zijn en dat is heel boeiend. Want hoe verklaar je dat?”
Het klinkt alsof er nog een derde onderzoeksronde komt.
“Ja, dat klopt. Ik heb er even over getwijfeld, omdat het steeds meer de richting van de statistische analyse op gaat en dit is niet echt mijn tak van sport. Het onderzoek staat nu even on hold, maar binnenkort wil ik het weer oppakken.
Met de eerste twee onderzoeken hebben we de normgroepen kunnen maken en mannen en vrouwen kunnen vergelijken. Wat daar nu al uitkomt, is dat mannen en vrouwen niet verschillen op de factor autonomie en verbondenheid, maar wel op de sexuele intimiteit. Die autonomie is opvallend en het is echt een verworvenheid van deze tijd dat vrouwen veel autonomer zijn geworden. Het is wel zo dat er heel veel hogeropgeleiden hebben gereageerd. Als je het goed wilt doen, moet je eigenlijk de test opnieuw doen per opleidingscategorie.
Door de eerste onderzoeken hebben we de vragenlijsten (voor de stellen en voor de singles) veel korter kunnen maken. De typologie moet nog wel onderzocht worden. Ook om de test betrouwbaar en valide te noemen, is nog wel wat onderzoek nodig. In principe hebben we nu een mooi instrument. Het geeft een indicatie van hoe je in een intieme relatie staat. Willen we dat het een wetenschappelijk gefundeerd instrument wordt, dan moet er nog wel een aantal jaren onderzoek gedaan worden. Na rijp beraad heb ik besloten dit aan te gaan, omdat ik de urgentie ervan ervaar. Vrijheid in verbondenheid is zo’n belangrijk onderwerp, maar de liefde krijgt vreemd genoeg niet zoveel aandacht in de wetenschap. We zijn in onze westerse samenleving de autonomie zo voorop gaan stellen, dat we een beetje zijn doorgeschoten. In ons verlangen naar autonomie hebben we het levensbelang van verbondenheid ontkend. Autonomie betekent namelijk níet dat je altijd maar doet waar je zin in hebt. Te weinig autonomie in een relatie betekent weliswaar dat je je te afhankelijk van de ander opstelt, maar als je doorschiet, houd je juist weinig rekening met de ander en dender je over hem of haar heen. Te veel mensen gedragen zich in hun relatie als een vrijgezel: goed voor jezelf zorgen zonder voor de ander te zorgen. Relatietherapeut en emeritus hoogleraar Alfons Vansteenwegen noemt dit de ‘relatieconsument’. Zulk gedrag is volgens hem symptomatisch voor de hedendaagse mentaliteit, het verbruiken staat voorop.”
Naast het boek ‘Het relatieparadijs’ heb je ook het Relatiewaardenspel ontwikkeld.
“De kaartjes zijn inderdaad op dezelfde manier ontstaan als de test en bedoeld als aanvulling op mijn boek. Ik heb ze ontwikkeld om meer inzicht te geven in waar iemand staat in een relatie. Een middel om een spiegel voor te houden en met elkaar in gesprek te gaan over wat je echt belangrijk vindt.”
Wat was voor jou de grootste verrassing in het onderzoek?
“Dat was vooral de derde factor sexuele intimiteit, en ook dat mannen en vrouwen gelijk scoren op verbondenheid en autonomie. Dat laatste vind ik opmerkelijk en hoopgevend, omdat vaak gedacht en gezegd wordt dat vrouwen, zeker van vorige generaties, minder goed uit de verf komen op het gebied van autonomie. Vrouwen hebben een enorme inhaalslag gemaakt die door het onderzoek wordt bevestigd. Dat van de seksuele intimiteit is iets dat zowel mij, als de begeleidende hoogleraar Liesbeth Eurelings, intrigeert. Zij kan zich voorstellen dat het verband houdt met een bepaalde vorm van hechting, omdat autonomie en verbondenheid in een relatie veel te maken hebben met hoe iemand gehecht is van huis uit. Dit zal dus zeker onderzocht gaan worden in het vervolgonderzoek. De werking van hechting in een liefdesrelatie is ongelofelijk belangrijk, maar nog niet uitgebreid onderzocht. Wat wel duidelijk is, is dat mensen in staat zijn dit in een relatie te ontwikkelen. Dus ook al is iemand onveilig gehecht van huis uit, dan kan iemand zich wel degelijk in een relatie optrekken aan de ander. Het geeft iemand een tweede kans om wel veilig te hechten. Natuurlijk zijn er ook gevallen waar het tegenovergestelde gebeurt en die juist beschadigen. Maar ik ga hierbij toch uit van het positieve gegeven dat mensen in staat zijn zich te ontwikkelen.
Wat ik samenhangend hiermee een hele mooie uitkomst van het onderzoek vond, is dat al veel mensen hoog scoorden op zowel autonomie als verbondenheid in hun relatie. Dit was een aanzienlijk hoger percentage dan we aanvankelijk dachten. Natuurlijk is het wel zo dat veel respondenten hebben gereageerd vanuit een bepaalde geïnteresseerdheid en nieuwsgierigheid. Maar zelfs met deze gedachte in het achterhoofd, vind ik het een mooi gegeven. En meer mensen kunnen dit bereiken door het doorlopen van een ontwikkelingsproces. Dat is geweldig nieuws!”
Met dank aan Saskia de Bel voor haar enthousiasme, haar volledigheid en gedrevenheid.
Nieuwsgierig naar de test? Kijk dan op www.derelatiemeter.nl of www.saskiadebel.nl.

