Samenvatting
Veerkracht wordt in de klinische praktijk vaak voorgesteld als een innerlijke kracht die iemand wel of niet bezit. Bij Oekraïense jongeren blijkt die opvatting te kort te schieten: onderzoek naar hun ervaringen laat zien dat veerkracht vooral tot stand komt in relaties — met vrienden, familie, medestudenten en de bredere gemeenschap. Jongeren die zelf zwaar getroffen zijn door de oorlog, blijken tegelijk vaak actief bij te dragen aan het herstel van anderen, onder meer via vrijwilligerswerk en peer-to-peer ondersteuning.
Deze dubbele positie — zelf kwetsbaar én tegelijk steunend voor anderen — vraagt om zorgvuldige begeleiding. Peer-support kan jongeren een gevoel van betekenis, controle en verbondenheid geven, maar zonder training, supervisie en heldere grenzen ontstaat het risico op overbelasting. Dit artikel verkent hoe therapeuten en begeleiders sociale veerkracht bij jongeren kunnen herkennen, versterken en beschermen, met aandacht voor emotieregulatie, gemeenschapsverbanden en de grenzen van wat leeftijdgenoten voor elkaar kunnen betekenen.
Veerkracht als proces, niet als eigenschap
In de klinische en publieke beeldvorming wordt veerkracht nog vaak gezien als iets dat iemand van nature heeft of mist — een innerlijke veerkracht die bepaalt of iemand een crisis doorstaat. Onderzoek naar Oekraïense jongeren nuanceert dat beeld sterk. Studies naar hun ervaringen tijdens de oorlog laten zien dat veerkracht vooral ontstaat in en door relaties: in de manier waarop jongeren steun zoeken bij vrienden, zich verbonden voelen met familie, zich inzetten voor studie of werk, en zich verhouden tot de gemeenschap om hen heen. Veerkracht is in die zin minder een eigenschap die je bezit, en meer een proces dat je samen met anderen vormgeeft, dag na dag opnieuw.
Deze verschuiving in perspectief heeft praktische gevolgen voor therapeuten. Wie veerkracht behandelt als individuele eigenschap, richt de aandacht al snel op het versterken van coping-vaardigheden bij het individu. Wie veerkracht als sociaal proces begrijpt, kijkt breder: naar het netwerk van relaties waarin een jongere zich bevindt, naar de mate waarin dat netwerk toegankelijk en stabiel is, en naar de vraag of een jongere zich daarin kan uiten en gehoord voelt. Beide invalshoeken zijn niet tegenstrijdig, maar de sociale dimensie verdient in de praktijk vaak meer aandacht dan zij krijgt.
De dubbele positie van jonge oorlogsburgers
Wat opvalt in onderzoek naar Oekraïense jongeren, is hoe vaak zij zich tegelijk in twee posities bevinden: die van iemand die getroffen is door verlies, ontheemding of onzekerheid, en die van iemand die actief bijdraagt aan het dragen van anderen. Jongeren zetten zich in als vrijwilliger, ondersteunen familieleden, nemen huishoudelijke of zorgtaken over, of begeleiden leeftijdgenoten die het moeilijker hebben. Deze bijdrage geeft hun bestaan vaak zin en richting in een periode waarin veel andere vaste punten zijn weggevallen — school, woonplaats, toekomstplannen.
Tegelijkertijd is het belangrijk niet te vergeten dat deze jongeren zelf ook rouwen, angstig zijn, of worstelen met slaapproblemen en herbelevingen. De rol van steunverlener neemt het eigen leed niet weg, en kan het soms zelfs maskeren — ook voor de jongere zelf. Voor therapeuten is dit een belangrijk aandachtspunt: een jongere die actief en competent overkomt in het steunen van anderen, is niet per definitie iemand die het zelf goed doorstaat. Het risico bestaat dat de omgeving — en de jongere zelf — de eigen nood minder serieus neemt naarmate de zorg voor anderen zichtbaarder wordt.
Wat welzijnsdata over jongeren laten zien
Grootschalige dataverzameling naar het psychologisch welzijn van Oekraïense burgers geeft een genuanceerd beeld van hoe zwaar de oorlog doorwerkt in het dagelijks functioneren. Uit rapportages over slaap, angst, posttraumatische klachten en rouw komt een bevolking naar voren die structureel onder druk staat: verstoorde slaap, aanhoudende waakzaamheid en verlieservaringen zijn eerder regel dan uitzondering. Jongeren vormen binnen dat bredere beeld een subgroep met een eigen dynamiek — zij groeien op, vormen hun identiteit en bouwen hun toekomstperspectief juist in een periode waarin onzekerheid en verlies een constante zijn, wat andere eisen stelt aan begeleiding dan bij volwassenen met een reeds gevormd leven.
Deze bevindingen onderstrepen waarom sociale steun voor jongeren niet als bijzaak mag worden behandeld. Wanneer slaapproblemen, angst en rouw wijdverspreid zijn, is de kans groot dat een jongere die als peer-supporter optreedt zelf ook met een of meerdere van deze klachten kampt. Dat pleit niet tegen peer-support, maar wel voor realisme: programma’s die jongeren inzetten als steunverlener voor leeftijdgenoten, doen er goed aan structureel te toetsen hoe het met de peer-supporters zelf gaat, in plaats van ervan uit te gaan dat wie anderen helpt daarmee zelf buiten schot blijft.
Peer-to-peer ondersteuning: kansen en werkzame mechanismen
Een van de opvallendste ontwikkelingen in de ondersteuning van Oekraïense jongeren is de opkomst van peer-to-peer programma’s, waarin jongeren getraind worden om leeftijdgenoten te begeleiden. Deze aanpak sluit aan bij hoe jongeren van nature al met elkaar omgaan: zij delen ervaringen eerder met iemand die dezelfde taal, cultuur en leeftijdsfase deelt dan met een volwassen hulpverlener die buiten hun leefwereld staat. Onderzoek naar deze programma’s laat zien dat getrainde peer-supporters een waardevolle brug kunnen vormen tussen informele steun en professionele zorg, doordat zij signalen herkennen, luisteren zonder te oordelen en jongeren desgewenst doorverwijzen.
De werkzame mechanismen achter peer-support liggen niet alleen in het delen van informatie, maar vooral in herkenning en gelijkwaardigheid. Een leeftijdgenoot die zelf oorlogservaringen heeft, hoeft minder uit te leggen en wordt sneller als geloofwaardig ervaren. Dat vermindert de drempel om over moeilijke onderwerpen te spreken, iets wat bij volwassen hulpverleners — zeker in een cultuur waarin praten over psychische klachten nog niet vanzelfsprekend is — een grotere stap kan zijn. Peer-support werkt daarmee niet als vervanging van professionele zorg, maar als een laagdrempelige eerste laag die jongeren dichter bij hulp kan brengen wanneer die nodig is.
Bouwstenen van veerkracht: emotie, regulatie en controle
Onderzoek naar veerkrachtprocessen bij Oekraïense jongeren wijst op een aantal terugkerende bouwstenen die van invloed zijn op hoe zij met de oorlogssituatie omgaan. Emotiebewustzijn — het kunnen herkennen en benoemen van wat er innerlijk gebeurt — vormt daarbij een eerste stap. Jongeren die woorden hebben voor angst, verdriet of woede, kunnen die emoties makkelijker delen met anderen en lopen minder risico dat gevoelens zich opstapelen zonder uitlaatklep. Regulatievaardigheden, zoals het kunnen kalmeren van het eigen zenuwstelsel na een spannende gebeurtenis, bouwen daarop voort en bepalen mede hoe snel iemand zich herstelt na een schrikreactie of luchtalarm.
Daarnaast blijken verbondenheid en een gevoel van controle belangrijke factoren. Verbondenheid — het gevoel ergens bij te horen, gezien te worden door anderen — beschermt tegen het isolement dat vluchtelingschap of oorlogssituaties met zich meebrengen. Een gevoel van controle, hoe beperkt ook, helpt jongeren om niet volledig overgeleverd te voelen aan omstandigheden die zij niet kunnen sturen. Dat gevoel van controle ontstaat vaak juist in kleine, concrete handelingen: een taak op je nemen, iemand anders helpen, een dagritme aanhouden. Ten slotte speelt steun van de gemeenschap een cruciale rol als vangnet rondom het individu, een factor die het belang van sociale inbedding nog eens onderstreept.
Studie, werk en vrijwilligerswerk als houvast
Naast relaties met vrienden en familie, blijken structuur biedende activiteiten zoals studie, werk en vrijwilligerswerk een belangrijke rol te spelen in het dagelijks functioneren van jongeren. Onderwijs, ook wanneer het online of onderbroken verloopt, geeft een ritme en een richting die houvast biedt te midden van onvoorspelbaarheid. Voor jongeren die hun opleiding hebben moeten onderbreken of verplaatsen, is de mogelijkheid om die draad weer op te pakken vaak een concreet signaal dat er een toekomst is om naartoe te werken.
Vrijwilligerswerk vervult een vergelijkbare functie, maar voegt er een sociale dimensie aan toe: het verbindt jongeren met anderen rond een gedeeld doel. Of het nu gaat om het inzamelen van hulpgoederen, het ondersteunen van ontheemde gezinnen, of het bijstaan van oudere buren, deze activiteiten geven jongeren het gevoel dat zij iets kunnen bijdragen in een situatie waarin zij verder weinig invloed hebben. Voor therapeuten is het zinvol om te verkennen welke rol studie, werk of vrijwilligerswerk in het leven van een jongere speelt — niet als bijzaak, maar als mogelijke bron van betekenis en stabiliteit die het therapeutisch proces kan ondersteunen.
Waarom informele steun zo veel gewicht draagt
Dat jongeren zo sterk leunen op vrienden, familie en gemeenschap, staat niet los van de bredere context van de geestelijke gezondheidszorg in en rond Oekraïne. Overzichten van het zorglandschap laten een aanhoudende druk op het systeem zien: een tekort aan gespecialiseerde behandelaars, lange wachttijden, ongelijke toegang tussen regio’s, en een zorgstructuur die de omvang van de psychische nood niet kan bijbenen. In die context is informele steun niet louter een aanvulling op professionele zorg, maar vaak het eerste en soms het enige aanspreekpunt dat jongeren daadwerkelijk bereiken.
Deze realiteit verklaart mede waarom peer-support en gemeenschapsinitiatieven de afgelopen jaren zoveel aandacht hebben gekregen binnen hulporganisaties en onderzoek. Het is geen ideologische keuze voor ‘informele zorg boven professionele zorg’, maar een pragmatisch antwoord op een tekort. Voor therapeuten die vanuit Nederland of op afstand betrokken zijn bij Oekraïense cliënten, is het van belang deze realiteit te kennen: peer-netwerken zijn voor veel jongeren niet een aanvulling naast professionele hulp, maar vaak de enige structuur die op korte termijn beschikbaar is.
Dit betekent ook dat gemeenschapsverbanden — kerkelijke netwerken, buurtinitiatieven, studentenverenigingen, online jongerengroepen — een functie vervullen die verder reikt dan gezelligheid of afleiding. Zij vormen, vaak ongepland en informeel, een vorm van vroegsignalering: volwassenen en leeftijdgenoten binnen die verbanden merken eerder dan een externe hulpverlener wanneer een jongere achteruitgaat, zich terugtrekt of signalen van overbelasting vertoont. Voor de geestelijke gezondheidszorg ligt hier een kans om deze bestaande gemeenschapsstructuren te versterken en te verbinden met professionele expertise, in plaats van ze te zien als een noodoplossing die wacht op vervanging door formele zorg.
Grenzen van peer-support: het risico van overbelasting
Hoe waardevol peer-to-peer ondersteuning ook is, zij kent duidelijke grenzen. Jongeren die als peer-supporter fungeren, zijn zelf ook nog in ontwikkeling en vaak zelf getroffen door de oorlog. Zonder goede training, begeleiding en supervisie lopen zij het risico verhalen en emoties van anderen te dragen die hun draagkracht te boven gaan. Dit kan leiden tot secundaire traumatisering, uitputting, of een sluipend gevoel van verantwoordelijkheid dat niet meer in verhouding staat tot hun leeftijd en positie.
Een tweede risico is dat peer-supporters zich verantwoordelijk gaan voelen voor uitkomsten die buiten hun invloed liggen — bijvoorbeeld wanneer een leeftijdgenoot in crisis raakt en de peer-supporter het gevoel heeft gefaald te hebben. Zonder duidelijke doorverwijsroutes naar professionele hulp, en zonder de expliciete boodschap dat peer-support geen behandeling vervangt, kan deze rol jongeren juist extra belasten in plaats van ondersteunen. Goede programma’s bouwen daarom niet alleen trainingsmodules in, maar ook regelmatige intervisie, een duidelijk mandaat over wat wel en niet van een peer-supporter verwacht wordt, en toegang tot volwassen begeleiding wanneer een situatie te zwaar wordt.
Een derde, minder zichtbaar risico is normalisering: wanneer het inzetten van jongeren als steunverlener voor leeftijdgenoten de standaardoplossing wordt voor een tekort aan professionele capaciteit, kan dit onbedoeld de verantwoordelijkheid voor structurele zorgtekorten bij jongeren zelf leggen. Peer-support is een waardevolle aanvulling, maar mag nooit fungeren als excuus om investeringen in professionele geestelijke gezondheidszorg voor jongeren uit te stellen. Organisaties die peer-programma’s opzetten, doen er goed aan die spanning expliciet te benoemen, zowel intern als richting financiers en beleidsmakers.
Wat dit betekent voor de praktijk
Voor therapeuten die met Oekraïense jongeren werken, betekent dit perspectief op veerkracht een verschuiving in de blik: niet alleen kijken naar wat er in het individu speelt, maar ook naar het sociale weefsel eromheen. Vragen naar wie een jongere steunt en door wie hij of zij gesteund wordt, welke rol studie, werk of vrijwilligerswerk speelt, en of er sprake is van overbelasting door zorgtaken voor anderen, horen daarmee thuis in een grondige inventarisatie. Het versterken van veerkracht betekent dan niet alleen het trainen van individuele vaardigheden, maar ook het helpen verstevigen van het netwerk waarin een jongere zich beweegt.
Tegelijk is voorzichtigheid geboden bij het idealiseren van jongeren als vanzelfsprekend veerkrachtig, alsof zij door hun jeugdigheid of hun inzet voor anderen minder kwetsbaar zouden zijn. De werkelijkheid is genuanceerder: veerkracht en kwetsbaarheid bestaan naast elkaar, vaak in dezelfde persoon en op hetzelfde moment. Erkenning van die dubbelheid — zonder de jongere te reduceren tot slachtoffer of tot held — vormt misschien wel de belangrijkste bijdrage die een therapeut kan leveren aan het herstel van deze groep.