Duurzaamheid vanuit motivatie
Een stem voor de jonge generatie
Yvonne van Sark (52) is auteur van het boek Opgroeien terwijl de wereld in brand staat, met als ondertitel Hoe jongeren de weg naar een duurzame wereld versnellen. Daarin geeft ze een stem aan de jonge generatie, voor wie een duurzame toekomst noodzakelijker is dan ooit. Het boek biedt ouders, docenten en werkgevers inzichten, voorbeelden en handvatten om met jongeren het gesprek over klimaatverandering aan te gaan, en om van en met hen te leren.
Van puberbrein naar duurzaamheid
Van Sark werkt al zo’n twintig jaar bij Youngworks, waar ze kwalitatief onderzoek doet, gesprekken voert en aan co-creatie werkt: jongeren en opdrachtgevers samen het gesprek laten voeren. Ze noemt haar aanpak wel het “Jeugdjournaal-effect”: maatschappelijke onderwerpen begrijpelijk en inzichtelijk maken, niet door ze interessanter te maken dan ze zijn, maar door eerlijkheid en onbevangenheid te tonen. Samen met collega Huub Nelis schreef ze eerder drie boeken: over het puberbrein, over motivatie en over talentontwikkeling. Daarbij ging ze telkens als een soort wetenschapsjournalist te werk: ze zocht uit wat er wetenschappelijk bekend was en maakte dat toegankelijk voor een breder publiek.
Een time-out die uitgroeide tot een boek
Duurzaamheid ligt Van Sark al lang na aan het hart; als student overwoog ze nog bij een milieuorganisatie te gaan werken. Vorig jaar nam ze vier maanden vrij om na te denken over wat ze zelf op dit thema zou kunnen betekenen. Ze volgde een cursus transitiemanagement aan de Erasmus Universiteit en merkte dat er rond jongeren en duurzaamheid ontzettend veel gaande is. Ze dook erin, las, struinde het internet af en ging in gesprek met betrokkenen. Een boek schrijven was niet meteen het plan; ze wilde vooral even uit de waan van de dag. Tijdens de cursus werd echter duidelijk dat haar behoefte aan verdieping zich vertaalde in het idee voor dit boek.
Meer koplopers dan verwacht
Aanvankelijk dacht Van Sark een breed representatieve groep jongeren te moeten spreken, zoals gebruikelijk is in haar werk. Haar begeleider adviseerde haar echter om juist jonge koplopers te zoeken, zoals bij transitiemanagement gebruikelijk is. Zo ontdekte ze dat veel jongeren al op de middelbare school actief met duurzaamheid bezig zijn. Ze had gedacht dat bekende namen als Greta Thunberg en Boyan Slat, die al op school een werkstuk schreef over het opruimen van de “plastic soup”, uitzonderingen waren. Maar zodra ze over haar boek vertelde, kreeg ze meteen tips voor andere jongeren om te spreken: de groep voorlopers bleek veel groter dan ze had verwacht. Ze zag ook dat politici steeds vaker aangeven deze jonge activisten nodig te hebben.
Het generatie-effect
Voor het boek interviewde Van Sark politicoloog en ontwikkelingspsycholoog Roderik Rekke, die stemgedrag van adolescenten onderzoekt. Zijn onderzoek laat zien dat de jongste kiezers progressiever stemmen dan oudere generaties en klimaatverandering en klimaatrechtvaardigheid belangrijker vinden. Opvallend is dat deze politieke voorkeuren later in het leven maar weinig veranderen. Van Sark wijst erop dat we ons middenin een maatschappelijke transitie bevinden: hoe we wonen, eten en reizen staat volop ter discussie. “Maatschappelijk gezien zijn we enorm in transitie. Allerlei dingen staan ter discussie en zijn in beweging,” zegt ze. Ze onderscheidt drie groepen jongeren: de koplopers die zich sterk verbonden voelen en hun gedrag aanpassen, een grote middengroep die duurzaamheid belangrijk vindt maar ook compromissen sluit, en een groep die niet meegaat in bijvoorbeeld minder vlees eten of minder vliegen.
Vier strategieën om iets te doen
Volgens Van Sark kunnen betrokken jongeren op vier manieren in actie komen. Ze kunnen zich verdiepen in duurzaam consumeren, zich aansluiten bij jonge activisten en demonstreren of zich via sociale media laten horen, klimaatverandering meewegen bij toekomstige keuzes zoals een studie of baan, of politiek actief worden door zich aan te sluiten bij een partij of gericht te stemmen. Deze strategieën bestaan naast elkaar en kunnen in één persoon samenkomen, maar ze verschillen sterk van karakter. Klimaatactivisten consumeren weliswaar ook duurzaam, maar geloven niet dat dat de doorslag geeft; zij willen systeemverandering, “uproot the system”. Jongeren die bewust consumeren en dat online delen, hanteren een ander coping-mechanisme: ze kunnen de wereld niet veranderen, maar wel zichzelf, in de hoop dat het effect zich verspreidt. De grootste kansen liggen volgens Van Sark bij de brede groep die duurzaamheid laat meewegen in toekomstige keuzes. Ze noemt het voorbeeld van een achttienjarige die architectuur of bouwkunde wil studeren: voor de opgave waar de bouwsector voor staat, is het essentieel dat deze studenten actueel onderwijs krijgen in bijvoorbeeld houtskeletbouw en biobased isolatiemateriaal.
Doeners hard nodig
Uit onderzoek blijkt dat vwo-leerlingen gemiddeld bezorgder zijn over klimaatverandering dan vmbo-leerlingen, wat samenhangt met hoe vaak het thuis besproken wordt: hoe hoger opgeleid de ouders, hoe vaker duurzaamheid aan tafel komt. Dat maakt het extra belangrijk om ook praktisch opgeleide jongeren te betrekken, want juist die “doeners” zijn hard nodig, bijvoorbeeld voor de aanleg van duurzame verwarmingssystemen. Van Sark ziet daarin een kans: laten zien welke mogelijkheden er op de arbeidsmarkt liggen. Ze wijst er ook op dat jongeren via internet vrijwel alles kunnen leren over de wereld, van kinderarbeid in mijnen tot het leven van boeren in de Sahara. Ze hoopt dat deze kennis tot een omkering leidt, waarbij ook ouders en grootouders van hun kinderen en kleinkinderen leren over duurzame onderwerpen.
Eco-angst en veerkracht
In het hoofdstuk over opvoeding gaat Van Sark in op eco-angst, of eco-anxiety, een verschijnsel dat in Amerika al aandacht kreeg en volgens haar ook in Nederland steeds relevanter wordt. Ze verwijst naar Jaap van der Stel, die een boek schreef over veerkracht en klimaatverandering en onderzoekt welke opgaven klimaatverandering stelt aan gezondheidsprofessionals, waaronder de GGZ. Van der Stel laat zien dat we vanuit de psychologie veel weten over hoe mensen extreme gebeurtenissen verwerken, zoals de watersnoodramp van 1953, en dat die kennis kan helpen bij het omgaan met nieuwe extreme gebeurtenissen door klimaatverandering, zoals de overstromingen in Limburg in de zomer van 2021. Volgens Van der Stel staat wel vast dat de druk op de mentale gezondheid door dit soort gebeurtenissen zal toenemen.
Motivatie vanuit autonomie
Van Sark hoopt dat haar boek, net als haar eerdere boeken, tot mooie vervolgontmoetingen leidt. Ze hoopt vooral dat organisaties zich gaan afvragen hoe ze kunnen bijdragen op een manier die aansluit bij de belevingswereld van jongeren, en klimaatverandering als uitdaging gaan zien in plaats van bedreiging. Ze verwijst naar ontwikkelingspsycholoog Sander Thomas, die onderzoekt hoe ecologisch bewustzijn bij tieners te bevorderen is. Zijn conclusie: klimaatverandering wordt te vaak van bovenaf opgelegd, door ouders of school. “Het is essentieel dat jongeren vanuit autonomie hun eigen invulling gaan geven aan duurzaamheid. Dat stimuleert ook hun motivatie er iets aan te willen doen,” aldus Van Sark. Ze hoopt dat volwassenen en leidinggevenden binnen organisaties oprecht willen horen hoe jongeren met duurzaamheid bezig zijn, wat ze willen leren en hoe. Daar wil ze met haar boek een bijdrage aan leveren.

