Stiefvader zijn is maatwerk

Filosoof Johannes Mol onderzocht 350 stiefgezinnen: over verantwoordelijkheid, verdriet en waarom er geen standaardaanpak bestaat.

Stiefvader zijn is maatwerk

Johannes Mol studeerde filosofie in Amsterdam en Parijs en werkt inmiddels veertien jaar bij de Hogeschool Leiden, waar hij lesgeeft binnen de opleidingen sociaal werk. Zelf is hij vader van drie dochters: twee biologische en een stiefdochter. Onlangs verscheen zijn boek Stiefvadergezinnen. Hoe ze werken en waarom ze zo werken, de neerslag van tien jaar literatuuronderzoek en 350 interviews met stiefvaders, (stief)moeders en stiefkinderen.

Het begin van een onderzoek dat tien jaar duurde

Het onderzoek begon min of meer toevallig. Elf jaar geleden werd Mol verantwoordelijk voor de afstudeeronderzoeken van de opleidingen SPH en MWD. Zijn directeur vroeg of hij zelf ooit onderzoek had gedaan op basis van literatuurstudie en interviews. Dat bleek niet het geval, waarop de directeur voorstelde dat Mol dat zelf zou gaan doen, met een dagdeel per week vrijgemaakt voor dit werk. Door zijn eigen ervaring als stiefvader koos hij als onderwerp stiefvaders en stiefgezinnen. Het project groeide uit tot tien jaar onderzoek, met hulp van 35 studenten die interviews afnamen. Uiteindelijk lagen er 350 interviews, het ruwe materiaal waarop zijn boek is gebaseerd.

Studenten benaderden aanvankelijk willekeurige stiefvaders in uiteenlopende gezinssituaties. Al snel bleek dat stiefvaders het heel verschillend aanpakken en er ook heel verschillend bij voelen. Mol raakte in eerste instantie in de war van de diversiteit aan verhalen; zelf had hij als stiefvader nooit met andere stiefvaders gesproken en geen idee hoeveel er eigenlijk waren.

Verantwoordelijkheid als sleutelbegrip

Na twee jaar interviews analyseren werd duidelijk dat verantwoordelijkheid het centrale thema is voor vrijwel alle stiefvaders: voelen ze zich verantwoordelijk, welke verantwoordelijkheid krijgen ze van hun partner, en hoeveel verantwoordelijkheid nemen ze uiteindelijk? Mol dook vervolgens de literatuur in en constateerde dat de verantwoordelijkheid van stiefvaders daarin nauwelijks expliciet aan bod komt. Wetenschappelijk onderzoek richt zich bijvoorbeeld op het verband tussen de aanwezigheid van een stiefvader en studiesucces van kinderen, zonder duidelijk te maken wat een stiefvader daaraan zou moeten bijdragen. Bovendien bleek het meeste Nederlandstalige materiaal geschreven vanuit het perspectief van de stiefmoeder, waardoor het voor zijn vraagstelling weinig houvast bood.

Stiefvaders versus stiefmoeders: twee werelden

Uit de interviews werd duidelijk dat de verhalen van stiefvaders en stiefmoeders sterk uiteenlopen; volgens Mol gaat het om twee verschillende werelden waarin traditionele man-vrouwclichés in uitvergrote vorm terugkomen. Mannen die een relatie krijgen met een vrouw met kinderen vinden dat aanvankelijk vaak onproblematisch: ze kijken de kat uit de boom en voelen zich nergens toe verplicht. Stiefmoeders daarentegen hebben vrijwel meteen uitgesproken ideeën over hun rol, en ook de omgeving heeft volop meningen over wat een stiefmoeder wel en niet zou moeten doen. Dat maakt de positie van stiefvaders makkelijker: zij ervaren minder druk, zowel van zichzelf als van buitenaf.

Een tweede verschil is de verzorgende rol. Bij veel vrouwen speelt een sterk verlangen om voor kinderen te zorgen, vooral wanneer die nog jong zijn; stiefmoeders hebben doorgaans uitgesproken ideeën over wat goed is voor de kinderen. Stiefvaders zijn hier minder op gericht, al zijn ze meestal wel bereid mee te werken en laten ze zich leiden door wat de moeder wil – behalve als het om regels gaat. Het opvoeden vanuit mannelijk perspectief draait vooral om regels stellen, handhaven en zo nodig straffen; stiefmoeders praten juist veel over de dagelijkse verzorging en het huishouden.

Ook de rol van de biologische vader verschilt sterk. In interviews met stiefvaders komt de biologische vader van de stiefkinderen nauwelijks ter sprake, tenzij er expliciet naar wordt gevraagd, en dan doorgaans in een paar neutrale woorden. Bij stiefmoeders speelt de biologische moeder juist een prominente, soms ingewikkelde rol: het gesprek gaat voor een groot deel over haar.

Wat eigen kinderen betreft: ongeveer 60 procent van de stiefvaders was al vader voordat hij een relatie kreeg met de moeder van zijn stiefkinderen, maar in interviews met stiefvaders ligt de nadruk toch vooral op de stiefkinderen. Bij stiefmoeders met eigen kinderen gaat het juist uitgebreid over hun eigen kinderen en de band die deze hebben met de stiefkinderen. Een mogelijke verklaring is dat kinderen van uiteengevallen gezinnen vaker bij de moeder wonen, waardoor een stiefvader zijn eigen kinderen minder ziet en zijn dagelijks leven zich vooral afspeelt rond de kinderen van zijn partner.

Vier typen stiefvaders

Mol onderscheidt in zijn boek vier typen stiefvaders, die zich alle vier ontwikkelen nadat een stiefvader de zaak eerst een tijdje rustig heeft aangekeken. Het eerste type is de vriend van moeder: hij vindt zichzelf en zijn partner belangrijker dan een actieve rol bij de kinderen, laat de moeder haar gang gaan en leidt in feite een grotendeels gescheiden leven binnen hetzelfde huis – vaak in combinatie met een baan die hem veel van huis houdt.

Het tweede type is de vriendschappelijke begeleider: hij vindt het leuk om stiefkinderen te hebben, investeert met plezier tijd in ze en helpt een thuis creëren, maar benadrukt nadrukkelijk dat hij niet de vader is. Beslissingen over opvoeding laat hij aan de moeder over; hij ondersteunt haar regels en spreekt kinderen eventueel vriendelijk aan, maar straft niet.

De derde en grootste groep is de opvoedende man in huis. Deze stiefvaders voelen een duidelijke verantwoordelijkheid, vinden dat er iemand grenzen moet stellen en nemen die rol op zich, vaak omdat hun partner dat zelf lastig vindt of er expliciet om vraagt. Regels stellen en handhaven zorgt voor de nodige strubbelingen, maar uiteindelijk komen stiefvader en moeder er samen uit dat dit voor hun gezin de beste aanpak is.

Het vierde type noemt Mol de “echte” vaders: mannen die met zoveel liefde en aandacht over hun stiefkinderen spreken dat de band wederkerig aanvoelt – het kind heeft de stiefvader als het ware geadopteerd, voelt zich volledig veilig bij hem en zoekt ook met problemen naar hem toe. Soms wordt de moeder daar zelfs een beetje jaloers van.

Gedelegeerde verantwoordelijkheid

Om de vraag te beantwoorden of stiefvaders daadwerkelijk verantwoordelijkheid hebben, of dat ze die zelf mogen invullen, verdiepte Mol zich in theorieën over ouderschap. Een boek van Alice van der Pas hielp hem verder: zij omschrijft ouderschap als een tijdloos en onvoorwaardelijk besef van verantwoordelijk-zijn. Voor stiefouders geldt dat tijdloze en onvoorwaardelijke element niet. Hun verantwoordelijkheid is beperkt tot de periode dat ze met de ouder samenleven, en tot wat die ouder aan verantwoordelijkheid overdraagt. Stiefouders hebben dus gedelegeerde verantwoordelijkheid: een groter of kleiner deel, maar nooit de volledige of eindverantwoordelijkheid. Dat inzicht, zegt Mol, sluit aan bij hoe de meeste mannen het zelf ook ervaren.

Een stiefgezin is gebouwd op verdriet

Tijdens het schrijven werd Mol pas goed duidelijk hoezeer een stiefgezin gebouwd is op verdriet: het fundamentele verdriet van kinderen die niet met beide ouders samenleven. Aan de vorming van elk stiefgezin gaat immers een scheiding of het overlijden van een ouder vooraf, en dat verdriet blijft doorwerken – soms zelfs na het overlijden van ouder én stiefouder. Het woord verdriet moet daarbij ruim worden opgevat: het gaat ook om woede, het gevoel buitengesloten of niet erkend te worden, teleurstelling of juist hoop.

Een kind weet altijd dat het twee ouders heeft; dat referentiekader verdwijnt niet, ook niet als het kind die andere ouder nooit ziet. Die ouder blijft voor het kind mentaal aanwezig en is en blijft de “echte” ouder, ook wanneer een stiefvader zich als een volwaardige vader gedraagt. Dat weten de stiefvader, de moeder, grootouders en de omgeving allemaal, en ze gedragen zich er ook naar – wat telkens weer pijn kan oproepen. Volgens Mol is dit fundamenteel en principieel onoplosbaar; het enige wat kan, is ermee leren leven.

Toch is er ook hoop: de band tussen stiefkind en stiefouder lijkt in de loop der jaren juist beter te worden. Dat blijkt onder meer uit een grootschalige enquête van het CBS en de UvA onder mensen tussen de 25 en 45 jaar met complexe gezinssituaties. Daaruit kwam naar voren dat 44 procent van de mensen met een stiefvader hem op het moment van de enquête als hun “echte” vader beschouwt, en 16 procent deed dat voor hun stiefmoeder. Op basis van zijn eigen interviews schat Mol dat percentage voor stiefvaders wat voorzichtiger op 5 tot 10 procent, maar de tendens dat de band verbetert met de jaren onderschrijft hij.

De economie van het stiefgezin

Het laatste hoofdstuk van Mols boek gaat over wat hij de “economie” van het stiefgezin noemt: een stiefgezin is gebouwd op tekorten. Het stiefkind leeft met maar één in plaats van twee ouders, de stiefouder investeert veel maar krijgt van het stiefkind zelf weinig terug, en de moeder staat er – ondanks alle inzet van haar partner – uiteindelijk toch vaak alleen voor. Drie mensen die alle drie iets tekortkomen ten opzichte van een kerngezin.

Volgens Mol werkt het het beste wanneer de stiefvader zich bescheiden en dienstbaar opstelt tegenover het gezin, en de moeder die inzet erkent en waardeert. De stiefvader krijgt dan als het ware terug van de moeder wat hij aan het stiefkind geeft, omdat zij zich sterk met haar kind identificeert. In stiefmoedergezinnen ligt dat anders: omdat biologische vaders zich doorgaans minder met hun kinderen identificeren, ervaren stiefmoeders die zorg voor de stiefkinderen minder snel als iets dat voor hen wordt teruggedaan. Terwijl stiefmoeders gemiddeld meer doen voor de stiefkinderen dan stiefvaders, krijgen stiefvaders juist meer dankbaarheid – een onevenwichtigheid die Mol ronduit oneerlijk noemt.

Maatwerk, geen blauwdruk

Mol schreef zijn boek voor twee doelgroepen: stiefgezinnen zelf en professionals als therapeuten, sociaal werkers, juristen en mediators. Hij hoopt dat deze laatste groep beter gaat begrijpen waardoor conflicten in stiefgezinnen ontstaan – conflicten die soms pas jaren na een scheiding naar boven komen. Daarvoor biedt zijn boek begrippen, modellen en schema’s, onder meer over de “keten” van uiteengevallen kerngezinnen: doordat kinderen tot twee gezinnen tegelijk kunnen behoren, raken er soms wel vijf huishoudens met elkaar verbonden, en werken problemen in het ene gezin door in het andere. Van professionals vraagt dat wat Mol “meerzijdige partijdigheid” noemt: oog hebben voor de positie van alle betrokkenen tegelijk.

De belangrijkste conclusie van tien jaar onderzoek is misschien wel dat er geen kant-en-klare oplossing bestaat. Wat werkt, hangt volgens Mol steeds af van deze moeder, haar kinderen en deze man; zij moeten er zelf samen uitkomen, en dat mag best een paar jaar duren. Stiefvader zijn, concludeert hij, is en blijft maatwerk.

Auteur

Redactie TCC Magazine

Redactie TCC Magazine

Gepubliceerd op

21 augustus, 2026

Thema

TCC Magazine 2021

Tags

Deel dit artikel

Gerelateerde artikelen