Op 30 november verschijnt ons nieuwe boek Elviskinderen begeleiden. In dit boek belichten we een onderwerp dat vaak onbewust, onbesproken en onbespreekbaar blijft: het verlies van een kind binnen het gezin en de diepgaande impact die deze gebeurtenis heeft op het familiesysteem. Of het nu gaat om een miskraam, stilgeboorte of het vroegtijdige overlijden van een (tweeling)broer of -zus, de effecten van dit verlies zijn vaak ingrijpend en langdurig. Een kind dat na deze heftige familiegebeurtenis geboren wordt, draagt vanaf zijn geboorte vaak al een onmogelijke opdracht met zich mee.
Elviskinderen
De term Elviskind is gekozen vanwege de bepalende levensgeschiedenis van Elvis Presley, wiens oudere tweelingbroer overleed tijdens de geboorte. Elvis heeft altijd het gevoel gehad te moeten leven voor twee. Dat noodlot heeft hem, als ‘vervangend kind’, zijn leven lang op dramatische wijze achtervolgd.
Wat het betekent om Elviskind te zijn, is natuurlijk voor iedereen verschillend. In die verschillen valt het wél op dat veel Elviskinderen psychisch lijden. Op jonge of volwassen leeftijd. Sommige Elviskinderen krijgen te maken met depressie, andere met eenzaamheid. Weer anderen worstelen met een levensgroot schuldgevoel of hebben moeite een relatie aan te gaan.
Leven voor twee
Elviskinderen dragen hun leven lang een last mee die ze ongevraagd en onbedoeld mee hebben gekregen van hun ouders: ze moeten niet alleen hun eigen leven leven, maar ook dat van hun overleden broer of zus. Daarmee moeten ze, vaak onbewust, iets goedmaken wat niet goed te maken valt.
Binnen de contextuele benadering wordt zo’n belemmerende opdracht een delegaat genoemd. Een delegaat wordt door ouders meegegeven vanuit de beste bedoelingen. De intentie is dat de opdracht hun kind helpt in diens verdere leven. Een ouder kan een kind bijvoorbeeld, met of zonder woorden, vragen een perfect kind te zijn.
Helaas is het resultaat vaak het tegenovergestelde. Dat komt omdat een delegaat onbewust nooit in het belang van het kind is meegegeven, maar in het belang van de ouders zelf. Geheel onbedoeld geven ouders hun kind een opdracht mee die meer bedoeld is om hun eigen leed te verzachten, om te helen wat niet te helen valt.
Loyaliteit
Delegaten leiden heel vaak tot een verstoring van het levensgeluk. Ondanks dat de slagingskans nul is, wíl ieder kind wél deze opgelegde opdracht succesvol ten uitvoer brengen. Tegelijkertijd wil een kind, bewust of onbewust, maar één ding: dat zijn ouders gelukkig zijn. Dat ze zich geen zorgen hoeven te maken over hen. Dat ze het onmenselijke verdriet van een stilgeboren of gestorven kind kwijtraken. Dit diepgewortelde verlangen heeft alles te maken met de loyaliteit die een kind richting zijn ouders voelt.
Een kind kan niet kiezen of hij wel of niet loyaal is aan zijn ouders. De loyaliteit van het kind naar zijn ouders is altijd aanwezig, aan de oppervlakte of eronder.
Het loyaliteitsgevoel tussen ouders en kind botst enorm met het delegaat dat een kind van zijn ouders meekrijgt. Vanuit loyaliteitsredenen wil het niets liever dan voldoen aan de opgedragen opdracht, maar tegelijkertijd is dat een onmogelijke opgave. Met alle destructieve gevolgen van dien.
Elviskinderen begeleiden
In Elviskinderen begeleiden bespreken we hoe je als therapeut deze groep mensen constructief kunt bijstaan. We zeggen daarover o.a. het volgende:
“Wanneer iemand je praktijk binnenkomt met klachten als somberheid of eenzaamheid, is de verleiding groot de behandeling op de symptomen te richten. Dat is niet per se verkeerd of verboden. Sterker nog, in sommige gevallen kan het tijdelijk heel helpend zijn. Toch dweilt een begeleider met de kraan open als hij niet tegelijkertijd op zoek gaat naar de bebronning van het leed. Een bebronningsprobleem is een verstoring op relationeel-ethisch niveau. Het is zaak te onderzoeken wat, naast erfelijke factoren, de bron is van de onbalans in het leven van de hulpvrager.”
Subject-subject
Volgens ons bestaat er geen vast protocol voor de begeleiding van Elviskinderen. We vinden dat de begeleiding gebaseerd moet zijn op een subject-subjectrelatie. “Een protocol maakt van iemand juist een object. Met het subject wordt de diepste ‘ik’ bedoeld. In een ontmoeting sta je open voor de diepste ‘ik’ van de ander. Daarnaast wil je je eigen innerlijke ‘zijn’ als subject juist wel delen met de ander.”
Werken vanuit een subject-subjectrelatie vraagt veel van de begeleider. Hij zal zich, ook als subject, volledig open moeten stellen voor de ontmoeting met de ander. En daarmee ook voor de ontmoeting met zichzelf.
Een Elviskind kan op verschillende manieren helen als er sprake is van een begeleidingstraject met een subject-subjectkarakter.
Allereerst vindt er heling plaats door de ontmoeting van het Elviskind met zichzelf.
Ook in een (virtuele) ontmoeting met het overleden broertje of zusje krijgt het Elviskind de kans te helen.
Heling door ontmoeting vindt ook plaats door de ontmoeting van het Elviskind met zijn ouders. Die ontmoeting vindt pas plaats als de ouders daarvoor voldoende ontwikkeling hebben doorgemaakt in hun eigen rouwproces.
Relationeel-ethische verbeelding
Voor al deze ontmoetingen gebruikt de begeleider zijn relationeel-ethische verbeeldingskracht. Vanuit de relationeel-ethische verbeelding creëert hij situaties waarin de ontmoeting plaats kan vinden. Hiervoor kan de begeleider verschillende werkvormen gebruiken. In het boek werken we een aantal van die krachtige interventies verder uit.
Daarnaast geven we begeleiders inspiratie om binnen de bebronning tot een ander, constructiever evenwicht te komen. Begeleiding vanuit de contextuele benadering leidt tot herkenning. Vanuit die herkenning komt de hulpvrager tot inzicht. Hij leert wat er binnen hem beweegt. Het onzegbare wordt zegbaar gemaakt. Bovendien krijgt de hulpvrager tot op het diepste niveau erkenning voor het onrecht dat hem is overkomen met de vroege dood van zijn oudere broer of zus.

