Psychotrauma- en stressorgerelateerde stoornissen

Overzicht van psychotrauma- en stressorgerelateerde stoornissen: epidemiologie, kenmerken, comorbiditeit en risicofactoren van PTSS.

Bij psychotrauma- en stressorgerelateerde stoornissen gaat het om psychische klachten en aandoeningen die kunnen ontstaan na de confrontatie met een schokkende gebeurtenis of zeer ingrijpende situatie (of een reeks van dergelijke ervaringen). Het gaat dan vooral, maar niet uitsluitend, om gebeurtenissen zoals oorlog, rampen, geweldsdelicten, ongevallen, mishandeling, seksueel geweld en het plotselinge verlies van een dierbaar persoon. De meest voorkomende psychische aandoeningen die kunnen ontstaan na een ingrijpende of schokkende ervaring, zijn:
posttraumatische stress-stoornis (PTSS)
complexe posttraumatische stress-stoornis (cPTSS)
acute stress-stoornis (ASS)
persisterende complexe rouwstoornis (PCRS)
hechtingsstoornissen zoals de reactieve hechtingsstoornis (RHS) en de ontremd-sociaalcontactstoornis (OSCS)

Klachten en symptomen van psychotrauma- en stressorgerelateerde stoornissen kunnen lange tijd aanhouden. Patiënten ervaren een significante lijdensdruk of beperkingen in het functioneren in het werk of sociale leven. De stoornissen kunnen samengaan met psychosociale problemen zoals schulden, isolement, huisvestingsproblemen en/of problemen op het werk of op school.

Epidemiologische kenmerken

De uitingen van de posttraumatische stress-stoornis variëren van intrusieve symptomen zoals opdringende herbelevingen en nare dromen, aanhoudende vermijdingen, negatieve veranderingen in cognities en stemming tot veranderingen in arousal, waakzaamheid en reactiviteit.
Tussen de 52% tot 81% van de Nederlanders maakt ooit in het leven een schokkende gebeurtenis mee. Bij naar schatting 7,4% leidt deze gebeurtenis tot een PTSS. Een PTSS komt vaker voor bij vrouwen (8,8%) dan bij mannen (4,3%) en treedt vaker op wanneer er een agressor is betrokken. Bij kinderen en jongeren is dit cijfer ongeveer 15%.
Na een ervaring waarbij geen sprake is van interpersoonlijk geweld, zoals een ongeluk, brand, natuurramp of vliegramp ontwikkelt 3% tot 28% van de volwassenen een acute stress-stoornis (ASS). Net als bij PTSS is de prevalentie hoger bij interpersoonlijk geweld zoals fysiek geweld of verkrachting, namelijk 20% tot 59%. Ongeveer de helft van de mensen die voldoet aan de criteria van acute stress-stoornis, krijgt een PTSS.
Een persisterende complexe rouwstoornis (PCRS) treedt op bij ongeveer 10% van de mensen die een dierbare verliezen in de eerste graad. De aandoening komt vaker voor als er sprake is van een zeer nauwe verwantschap, bijvoorbeeld bij de dood van een eigen kind. En na een verlies door een niet-natuurlijk overlijden, zoals moord, zelfmoord en vermissingen.

Kenmerken PTSS

Er zijn vier symptoomcategorieën bij PTSS:
intrusieve symptomen zoals zich opdringende herbelevingen en nare dromen
aanhoudende vermijdingen
negatieve veranderingen in cognities en stemming
veranderingen in arousal (alertheid, opwinding), waakzaamheid en reactiviteit

Een van de kenmerken van een PTSS is dat de klachten/symptomen langer dan een maand aanhouden. Patiënten ervaren een significante lijdensdruk of beperkingen in het functioneren in het werk of sociale leven. De klachten bij PTSS hebben een grote weerslag op iemands functioneren en vormen vaak ook een belasting voor de directe omgeving van betrokkene. De aandoening kan samengaan met problematische sociale en gezinsrelaties, school- of werkverzuim, minder succes op school en het werk, middelenmisbruik, een lager inkomen en financiële problemen.

Comorbiditeit PTSS

PTSS gaat vaak samen met een of meer andere aandoeningen, zozeer zelfs dat een afzonderlijk optredende PTSS een zeldzaamheid blijkt te zijn, naar schatting in maar 10% tot 15% van de gevallen. Zo kampt een derde tot de helft van mensen met PTSS ook met een depressieve stoornissen/of een stoornis in het gebruik van psychoactieve middelen.

Risicofactoren PTSS

Zorgverleners dienen alert te zijn op mogelijk aanwezige risicofactoren voor het ontwikkelen van PTSS. Deze zijn onder te verdelen in de volgende drie categorieën:

Factoren voorafgaand aan de gebeurtenis(sen): eerdere psychische problemen (bijvoorbeeld angst- of stemmingsstoornissen), problematiek binnen het gezin van herkomst (bijvoorbeeld kindermishandeling door verwaarlozing of misbruik, psychische problemen van familieleden), eerdere traumatische ervaringen, lage sociaaleconomische status, laag opleidingsniveau en IQ, van het vrouwelijk geslacht zijn, jonge leeftijd, behoren tot een etnische minderheid, (neuro)biologische predispositionele factoren.

Factoren die te maken hebben met de gebeurtenis(sen) zelf: aard en ernst van het trauma, waargenomen levensbedreiging, interpersoonlijk geweld, ernst van de verwonding, langdurige traumatisering.

Factoren die na de gebeurtenis(sen) van invloed kunnen zijn: geringe mate van sociale steun, additionele stressvolle levensomstandigheden, perceptie van externe verantwoordelijkheid, invloed van de traumatische gebeurtenis op de verschillende domeinen van het eigen leven.

Signalen PTSS

Direct na een traumatische gebeurtenis kunnen mensen de volgende klachten melden: terugkerende, onvrijwillige pijnlijke herinneringen aan de gebeurtenis, herbelevingen en/of nachtmerries over de gebeurtenis, somberheid, boosheid, agitatie, wanhoop, huilen, vermoeidheid, concentratieproblemen, overdreven schrikreacties, pogingen om alles te vermijden wat aan de gebeurtenis doet denken.
Meestal doven deze stressreacties na verloop van tijd uit. Als de klachten een paar dagen na de traumatische gebeurtenis aanhouden en ernstig blijven, kan er sprake zijn van een Acute Stress-stoornis. Het vermoeden daarvan kan pas 3 dagen na de traumatische gebeurtenis gevormd worden. De frequentie, intensiteit en duur van de acute reacties kunnen verder indicatoren zijn voor klachten op langere termijn.
Een reeks, deels overlappende, signalen kan wijzen op PTSS. Deze signalen worden het vaakst genoemd na het meemaken van traumatische gebeurtenissen door patiënten: herbelevingen en/of nachtmerries, vermijdingsgedrag, slaapproblemen, concentratieproblemen, prikkelbaarheid; moeilijkheden met agressie en boosheid; roekeloos gedrag, emotionele afstomping en/of zich vervreemd voelen van anderen, lichamelijke spanningsklachten (bijvoorbeeld hoofdpijn, darmklachten, spierpijn, hypertensie), onveiligheids- en/of angstgevoelens, voortdurende alertheid, schrikachtig reageren, stemmingsveranderingen, sombere stemming, gevoelens van schuld en schaamte, toegenomen alcohol- of drugsgebruik, functioneringsproblemen (werk en privé).
Om de klachten als PTSS te kunnen classificeren, moeten zij langer dan vier weken aanwezig zijn.

Bron: www.ggzstandaarden.nl

Auteur

Rick

Gepubliceerd op

16 augustus, 2026

Thema

TCC Magazine 2024

Tags

Deel dit artikel

Gerelateerde artikelen