Ik dacht: Ik moet mijn vuisten ballen
Iemand zei: “Open je hand”
Ik was bang om door de mand te vallen
Iemand zei: “Er is geen mand”
— Freek de Jonge, uit: De Mars (1981)
Sinds enkele weken is mijn boek De stille kracht van twijfel te koop. Het gaat over het bedriegersfenomeen, ook wel bekend als impostersyndroom. Waarom ik die laatste term niet wil gebruiken, heb ik in het boek uitvoerig uitgelegd en ook op LinkedIn heb ik er aandacht aan besteed.
Imposter is een Engels woord voor bedrieger of oplichter. Een persoon die last heeft van bedriegersgevoelens, durft er nooit op te vertrouwen dat een door hem geleverde prestatie het gevolg is van zijn kwaliteiten. Hij gaat er altijd vanuit dat ze het gevolg is van krachten of omstandigheden buiten hemzelf. Het toeval, het weer, de opvallend makkelijke vragen in een examen, dat de examinator hem gunstig gezind was, dat hij de enige kandidaat was op de lijst, of dat hij simpelweg geluk heeft gehad.
Zo iemand is er dus van overtuigd dat hij niets kan of weet, maar die overtuiging houdt hij voor zich. Als anderen het zouden weten, zouden er allerlei nare gevolgen kunnen optreden: dat hij de bewuste baan alsnog niet krijgt, dat hij wordt uitgelachen en niet langer serieus genomen, of dat hij collega’s of vrienden verliest. Omdat hij anderen in de waan laat dat hij de kwaliteiten heeft die tot de prestatie hebben geleid, voelt hij zich een bedrieger of oplichter. Hij belazert de kluit en ze moesten eens weten! Vervolgens is hij voortdurend bang dat zijn masker wordt afgerukt en hij door de mand zal vallen.
Het tragische is echter, dat hij de bewuste kwaliteiten wel degelijk bezit, vaak zelfs meer dan gemiddeld, dat hij kan wat hij kan en weet wat hij weet. Hij voelt zich een bedrieger, hij is het niet. Anderen zien zijn kwaliteiten, hijzelf ziet ze niet. Zoals je in het gedicht van Freek de Jonge kunt lezen: ‘Ik was bang om door de mand te vallen. Iemand zei: ‘Er is geen mand’.
Het Volkskrant Magazine schrijft iedere week over een bekende Nederlander en wat hij in die week heeft meegemaakt. Op 1 maart was dat de schrijver Martin Rombouts, ooit winnaar van het tv-programma De slimste mens.
Op het moment dat hij geïnterviewd wordt, heeft hij nog 24 uur om de allerlaatste correcties van zijn boek door te geven, dat nu waarschijnlijk in de winkels ligt. Zijn commentaar: ‘Als ik een recensent zou zijn, zou ik staan te springen om het he-le-maal af te kraken.’
Dat is vreemd! Uit ervaring weet ik dat je boek niet in de winkel belandt, als je uitgever en eventuele meelezers het niet de moeite waard vinden. Of de winnaar van De slimste mens mega-slim is, weet ik niet, wel dat hij over een enorme hoeveelheid parate kennis moet beschikken. Zonder kwaliteiten ben je dus echt niet tot zulke prestaties in staat. Rombouts vertelt dat hij tijdens een literair optreden bang was dat hij zich niet voldoende voorbereid had en dat het publiek boos zou zijn. ‘Zoals mijn leraren vroeger als ik mijn huiswerk niet had gedaan, omdat ik liever naar de voorbijdrijvende wolken keek.’
Ik kan nog wel even doorgaan met citeren, maar wie de rest wil lezen, moet het bewuste Magazine maar opzoeken. Liever houd ik mij bezig met hoe deze bedriegersgevoelens zich van de bewuste mensen hebben meester gemaakt, zodat ze de overtuiging hebben gevormd dat ze niets kunnen en voor hun gevoel ‘telkens overal mee wegkomen’, aldus Rombouts.
Waar de bron ligt
De angst niets te kunnen en de overtuiging niets waard te zijn komen nooit uit de lucht vallen. Rombouts licht al een tip van de sluier op met wat hij zegt over zijn leraren. Ongezouten en destructieve feedback van leraren en bedrijfsleiders kan hier natuurlijk een belangrijke rol in spelen.
Bij hoogbegaafde kinderen en volwassenen ligt het anders, zo lang ze niet weten dat ze dat zijn. Ze leren sneller en makkelijker, hebben een andere en bredere belangstelling en zijn creatiever bij het bedenken van oplossingen dan de meeste mensen om hen heen. Zolang ze niet weten hoogbegaafd te zijn, kunnen ze denken dat dit allemaal niet kan kloppen en dat ze ‘raar’ zijn. Zodra ze zich ervan bewust worden dat ze die kwaliteiten wel degelijk bezitten, kunnen ze beginnen met het aanpassen van hun overtuiging.
Bij de meeste mensen met bedriegersgevoelens ligt de bron dieper begraven. Sommige kinderen doen in hun prille jeugd de pijnlijke ervaringen op nooit gehoord en gezien te worden en nooit een compliment te krijgen. Hun wordt nooit verteld dat ze iets goed hebben gedaan, dat ze de moeite waard zijn en dat ze trots mogen zijn op zichzelf. Wat ze verkeerd doen, horen ze wel tot in den treure, en fouten dienen niet als materiaal om van te leren, maar als aanleiding om hen in de hoek te drukken.
Naast leerkrachten en leidinggevenden spelen dus ook ouders en andere opvoeders een grote rol. Bij veel mensen met bedriegersgevoelens ligt de oorzaak nog verder weg. Vaak hebben ze als heel jong kind – door omstandigheden gedreven – taken op zich genomen die niet pasten bij hun plek in hun familiesysteem. Taken, die onhaalbaar groot en veel te moeilijk voor hen waren. Denk aan een oudste dochter die de zorg voor de broertjes en zusjes op zich neemt, omdat haar moeder er te ziek voor is, denk aan de zoon die zijn moeder troost die weduwe is geworden, denk aan het kind dat de plaats inneemt van een overleden broertje of zusje en zelfs dezelfde naam krijgt.
Dat zijn taken die je als kind nooit tot een goed einde kunt brengen. Je bent niet de moeder van je broertjes en zusjes, je bent niet de steunpilaar van je ouders, je bent je overleden broertje of zusje niet, maar jezelf. Behalve dat je doet wat eigenlijk iemand anders behoort te doen, kom je aan je eigen behoeftes en gevoelens niet toe.
Zo’n door zijn familiesysteem in dienst genomen kind is ervan overtuigd dat het die taken wel moet kunnen doen. Het heeft dus voortdurend het gevoel te falen en anderen teleur te stellen. De overtuiging onbekwaam en dom te zijn die hierdoor ontstaat, neemt het in zijn latere leven mee. Ook als het de kennis en de kwaliteiten wel degelijk heeft om een klus te klaren en het weet, dit al vaker voor elkaar te hebben gekregen, is het ervan overtuigd dat dit niet kan kloppen. Elke prestatie die het goed afsluit, kan alleen op toeval berusten en het is dus beslist niet mogelijk om zo’n prestatie nog een tweede of zelfs derde keer voor elkaar te krijgen.
De angst ontmaskerd te worden heeft natuurlijk gevolgen voor het denken en doen van het kind en de latere volwassene. Enkele voorbeelden. De een trekt zich terug in een hoekje en probeert zo veel mogelijk te ontsnappen aan het leveren van prestaties. Of hij legt de lat zo laag dat hij onmogelijk kan falen, maar wel dodelijk verveeld raakt door gebrek aan uitdaging. De ander overschreeuwt zichzelf om zo een rookgordijn op te trekken en onzichtbaar te zijn. Weer iemand anders gaat steeds harder werken en wordt extreem perfectionistisch. Allemaal om te voorkomen dat het masker valt. Het masker dat de bewuste persoon niet draagt, maar daar is hij zich niet van bewust. Voor hem is dat masker aanwezig en ook het voortdurende gevaar dat het afgerukt wordt en hij naakt en kwetsbaar tussen de anderen zal staan.
Een grote mate van bedriegersgevoelens kan natuurlijk van kwaad tot erger gaan. Bore-out en burn-out liggen op de loer en ook depressieve gevoelens komen regelmatig voor. Het is dus verstandig hier werk van te maken.
De hand openen
Veel mensen met bedriegersgevoelens praten hier nooit met anderen over, maar het advies is om dat wel te doen. Om iemand te zoeken die je voldoende vertrouwt om je gedachten en angsten mee te delen. Dat helpt bij het relativeren en maakt minder eenzaam. Bovendien: iets wat in het licht staat, is makkelijker te bestrijden dan iets wat in het donker verborgen ligt.
Mijn boek vertelt niet alleen over achtergronden en feiten, maar je treft er ook tips en oefeningen in aan. Nog beter kan het zijn om op zoek te gaan naar een systemische of psychosociale coach, die je kan begeleiden en van feedback kan voorzien.
Je vuist ballen (Freek de Jonge) en je groter en sterker maken dan je bent, kan een tijdje werken als overlevingsstrategie. Maar eens wordt de spanning te groot en blijkt je veerkracht te klein en dan is het beter om die hand te openen. Om de hulp van anderen te aanvaarden en op zoek te gaan naar heling om zo weer in contact te komen met je eigen wensen en verlangens en daar beetje bij beetje gehoor aan te gaan geven.

