Een avond in het donker
Nachtblind zijn betekent dat je in het donker moet vertrouwen op elk beetje licht dat er is: de witte streep op de weg, de achterlichten voor je, de lantaarnpalen langs de kant. Net als in het echte leven vraagt nachtblind zijn om lef en vertrouwen wanneer je de weg niet scherp kunt zien.
Het was avond, ergens op een verlaten weggetje in Drenthe, langs de rand van het bos. De koplampen van de auto waren mijn enige houvast, want ik ben nachtblind. In het donker heb ik alle steun nodig die ik kan krijgen: de witte streep midden op de weg, de oplichtende paaltjes langs de berm, de rode achterlichten van de auto voor me. En vooral veel, heel veel licht.
De weg was smal en kronkelig. Zo meteen zou ik de snelweg bereiken en bijna thuis zijn. Ik reed voorzichtig, niet alleen om mijn beperkte zicht, maar ook uit liefde voor dieren als herten, die net als ik het licht opzoeken. Bewust hield ik mijn snelheid laag en gleed bijna in een soort trance door het duister.
Toen was daar opeens die donkere bol, vlak voor de wielen. In een reflex trapte ik op de rem. Te laat, zo leek het. De motor sloeg af en ik zag niets meer. Geen bol meer te bekennen, niet vóór de bumper, nergens.
Doorrijden of stoppen
Er waren nu twee mogelijkheden: doorrijden of terugrijden om te kijken wat ik had aangericht. Ik bleef minutenlang besluiteloos in de auto zitten. Doorrijden zou het makkelijkste zijn. Gewoon starten en wegrijden, zonder om te kijken. Wat je niet weet, doet geen pijn, toch? Maar als ik doorreed, liep ik in feite weg van de werkelijkheid zoals die was, met of zonder gevolgen.
In mijn hoofd kreeg die bol steeds meer vorm. Een egel, dacht ik. Misschien een compleet, ongedeerd exemplaar met een spits neusje en bewegende stekeltjes. Of juist het tegenovergestelde: platgewalst, onherkenbaar, op een paar stekels na.
Uiteindelijk was het besluit snel genomen. Ik zette de grote lichten aan en stapte uit. Op mijn knieën zocht ik de grond systematisch af: onder de wielen, voor de bumper, achter de auto, naast de portieren, in de bosjes en eromheen. Niets. Geen egel, geen spoor, geen bewijs.
Met een zucht van opluchting stapte ik weer in en startte de motor. Misschien was hij weggekropen, geschrokken maar ongedeerd. Ik zal het nooit precies weten. Maar één ding wist ik wel: nachtblind zijn heeft niets te maken met blind zijn voor de waarheid. Om de werkelijkheid onder ogen te zien, heb je geen scherp zicht nodig, maar vooral lef.
Wat nachtblind zijn ons leert over persoonlijke ontwikkeling
Nachtblind zijn dwingt je om anders te kijken: niet naar wat je scherp kunt zien, maar naar de signalen die er wél zijn. Diezelfde houding is waardevol bij persoonlijke ontwikkeling, waar je ook leert vertrouwen op kleine aanwijzingen in plaats van op volledige zekerheid. Lees ook hoe systemisch denken je kan helpen als psychosociaal therapeut voor meer over het herkennen van signalen die niet direct zichtbaar zijn. Meer informatie over nachtblindheid (nyctalopie) vind je bij het Oogfonds.

