De lichaamsherinnering van trauma: tussen klinisch bewijs en aantrekkelijke theorie

Waarom raakt de ene schokkende gebeurtenis iemand levenslang, en de andere nauwelijks? Psychosociale therapie zoekt het antwoord in lichaam én brein, met minder zekerheid dan vaak wordt gesuggereerd.

Inhoudsopgave

Twee gezichten van eenzelfde wond: PTSS en Complex PTSS

lichaamsherinnering van trauma

Sinds de posttraumatische stressstoornis in 1980 zijn intrede deed in de DSM-III, is het beeld van trauma sterk verschoven van een uitzonderlijke reactie op oorlog naar een breed spectrum aan reacties op ingrijpende gebeurtenissen. De lichaamsherinnering van trauma verklaart mede waarom de ene schokkende gebeurtenis iemand levenslang raakt, en de andere nauwelijks. De huidige DSM-5-TR (American Psychiatric Association, 2022) omschrijft PTSS aan de hand van vier clusters: herbeleving, vermijding, negatieve veranderingen in cognities en stemming, en verhoogde prikkelbaarheid, die minimaal een maand aanhouden en het functioneren duidelijk verstoren. Al in 1992 betoogde psychiater Judith Herman in haar invloedrijke boek Trauma and Recovery dat dit model tekortschoot voor mensen die langdurig en herhaaldelijk trauma hadden meegemaakt, zoals slachtoffers van huiselijk geweld, gijzeling of jarenlang misbruik: zij ontwikkelden vaak een breder patroon van ontregelde emoties, een verstoord zelfbeeld en relationele problemen dat ze “complex PTSS” noemde. Het duurde tot de elfde revisie van de International Classification of Diseases, die de Wereldgezondheidsorganisatie in 2018 aannam en in 2019 formeel publiceerde, voordat deze klinische intuïtie een officiële diagnostische plek kreeg naast de klassieke PTSS-diagnose. Een systematische review van Brewin en collega’s in Clinical Psychology Review (2017) onderbouwde dat onderscheid empirisch door te laten zien dat de kernsymptomen van PTSS en de aanvullende “disturbances in self-organization” – problemen met affectregulatie, een negatief zelfbeeld en verstoorde relaties – als aparte, meetbare clusters naar voren komen. Een grootschalig Amerikaans bevolkingsonderzoek van Cloitre en collega’s, gepubliceerd in Journal of Traumatic Stress (2019), bevestigde met de International Trauma Questionnaire dat PTSS en Complex PTSS (CPTSS) in de algemene bevolking als onderscheiden, zij het overlappende, profielen voorkomen.

Voor de psychosociale praktijk is dit onderscheid meer dan een technisch etiket. Het verlegt de aandacht van een enkelvoudige, aanwijsbare gebeurtenis naar de cumulatieve impact van chronische, vaak relationele blootstelling, en daarmee naar de kwaliteit van vroege hechting en de context waarin trauma plaatsvond. Tegelijk moet de nuance niet verdwijnen: de Amerikaanse DSM-5-TR erkent CPTSS nog altijd niet als aparte diagnose, wat internationaal tot verwarring leidt tussen behandelaars die met verschillende classificatiesystemen werken, en onderzoekers wijzen erop dat de symptomen van CPTSS overlappen met die van andere stoornissen, zoals de borderline-persoonlijkheidsstoornis, wat een zuivere differentiaaldiagnose in de spreekkamer bemoeilijkt. Voor de psychosociaal therapeut betekent dit vooral dat een zorgvuldige, longitudinale anamnese zwaarder weegt dan een snel toegekend label, en dat de vraag niet alleen is wélke gebeurtenis iemand overkwam, maar ook hoe herhaald, hoe vroeg in de ontwikkeling en hoe afhankelijk de relatie met de dader was, aangezien juist die factoren in het onderzoek van Cloitre en collega’s (2019) het sterkst samenhingen met een CPTSS- in plaats van een PTSS-profiel. Meer over deze aanpak vind je op de thema-pagina psychosociale therapie. Deze twee gezichten van dezelfde wond illustreren hoe complex de lichaamsherinnering van trauma kan zijn. Dit onderscheid tussen PTSS en Complex PTSS is essentieel om de lichaamsherinnering van trauma goed te begrijpen.

Onder het bewustzijn: polyvagaaltheorie en de wetenschappelijke strijd erover

Weinig theorieën hebben het vocabulaire van lichaamsgerichte traumatherapie zo sterk gevormd als de polyvagaaltheorie van neurowetenschapper Stephen Porges, voor het eerst uitgewerkt in de jaren negentig en later samengevat in Cleveland Clinic Journal of Medicine (Porges, 2009). Een kritische analyse in Biological Psychology zet vraagtekens bij de vijf basisaannames van de polyvagaaltheorie, wat laat zien dat de wetenschappelijke onderbouwing van de lichaamsherinnering van trauma nog volop in ontwikkeling is. De theorie stelt dat het autonome zenuwstelsel een hiërarchie van drie subsystemen kent – een “ventrale vagale” staat van sociale verbondenheid en veiligheid, een sympathische vecht-vluchtrespons, en een oudere, “dorsale vagale” bevriezings- of shutdownreactie – die evolutionair geordend zijn en bepalen hoe iemand op dreiging reageert. In combinatie met het begrip “window of tolerance”, dat kinderpsychiater Daniel Siegel introduceerde in The Developing Mind (1999) om de zone van arousal te beschrijven waarbinnen iemand emoties nog kan verwerken zonder over- of onderprikkeld te raken, biedt dit een aantrekkelijk verklaringsmodel voor freeze-reacties en dissociatie die veel therapeuten gebruiken om cliënten te helpen hun lichamelijke reacties te begrijpen. Beide concepten worden in trainingen en zelfhulpboeken vaak in één adem genoemd, terwijl het strikt genomen twee losse denklijnen zijn: Siegels venster beschrijft een klinisch-pedagogische vuistregel voor arousalregulatie, terwijl Porges’ theorie een fysiologisch verklaringsmodel pretendeert te zijn voor wát die regulatie op zenuwstelselniveau precies aanstuurt.

Die aantrekkelijkheid staat echter op gespannen voet met de wetenschappelijke onderbouwing, en die spanning is dit jaar juist verscherpt. Fysioloog Paul Grossman bekritiseert al sinds een veelgeciteerd artikel in Biological Psychology (2007) de fysiologische aannames achter de theorie, met name de gedachte dat hartritmevariatie een zuivere maat is voor vagale, parasympathische “remkracht”. Nadat Porges in 2025 in Clinical Neuropsychiatry (22(3), 169-184) een overzicht van de actuele status en klinische toepassingen van zijn theorie publiceerde, volgde in 2026 een omvangrijke, door tientallen internationale onderzoekers ondertekende repliek onder leiding van Grossman in datzelfde tijdschrift, met als titel “Why the Polyvagal Theory Is Untenable”. Daarin betogen zij dat verschillende kernpremissen – de gestelde fylogenetische hiërarchie van de drie subsystemen, de specifieke koppeling tussen ventrale vagale activiteit en sociaal gedrag, en de aanname dat “vagale remming” losstaat van ademhaling – onvoldoende steun vinden in onafhankelijk fysiologisch onderzoek. Belangrijk is de nuance die ook in dat debat zelf klinkt, bijvoorbeeld in een reflectie in Journal of Psychiatry Reform (2023): de klinische bruikbaarheid van een taal over veiligheid, coregulatie en lichamelijke staten hoeft niet te verdwijnen met de wetenschappelijke twijfel over het onderliggende meetmodel, maar therapeuten doen er goed aan dit als een nuttige metafoor te presenteren in plaats van als bewezen neurofysiologisch feit. Dat onderscheid tussen klinische metafoor en fysiologisch mechanisme is precies waar het in de psychosociale praktijk vaak misgaat: uitspraken als “je zit in freeze omdat je dorsale vagale systeem het overneemt” klinken geruststellend concreet, maar suggereren een precisie in de diagnostiek van autonome toestanden die het onderliggende onderzoek, gezien de kritiek van Grossman en collega’s, momenteel niet kan waarmaken. Deze wetenschappelijke strijd toont dat de lichaamsherinnering van trauma geen uitgemaakte zaak is. Ondanks deze discussie blijft de lichaamsherinnering van trauma een klinisch relevant uitgangspunt voor behandelaars.

Van praten naar voelen: bottom-up en top-down interventies

In de psychosociale en lichaamsgerichte traumatherapie wordt vaak een onderscheid gemaakt tussen top-down en bottom-up interventies. Top-down benaderingen, zoals klassieke cognitieve gedragstherapie en exposuretherapie, werken primair via taal en betekenisgeving: de cliënt leert traumatische herinneringen cognitief herstructureren of confronteert vermeden situaties totdat de angstrespons afneemt, in de veronderstelling dat prefrontale regulatie de emotionele reactie kan bijsturen. Bottom-up benaderingen keren die volgorde om en beginnen bij het lichaam. Peter Levine beschreef in Waking the Tiger (1997) zijn Somatic Experiencing-methode, gebaseerd op het idee dat overweldigende ervaringen onvoltooide fysiologische verdedigingsreacties achterlaten in het zenuwstelsel, die via kleine, getitreerde doses van activatie en herstel – “pendulering” – alsnog voltooid kunnen worden. Pat Ogden werkte een verwante, klinisch uitgewerkte benadering uit in Trauma and the Body (Ogden, Minton & Pain, 2006), de Sensorimotor Psychotherapy, waarin lichaamshouding, spierspanning en beweging als toegangspoort tot verwerking dienen. Bessel van der Kolk vatte de onderliggende gedachte in The Body Keeps the Score (2014) samen met de veelgeciteerde stelling dat traumatische herinneringen fragmentarisch en somatisch worden opgeslagen, wat volgens hem verklaart waarom praten alleen vaak niet volstaat, al is die specifieke claim over de opslagvorm van traumatische herinneringen zelf onderwerp van aanhoudend neurowetenschappelijk debat en minder eenduidig hard gemaakt dan de klinische populariteit van het boek doet vermoeden.

EMDR, ontwikkeld door Francine Shapiro en uitgebreid beschreven in haar handboek (Shapiro, 2018), neemt een tussenpositie in: de cliënt houdt een traumatische herinnering vast terwijl er bilaterale stimulatie plaatsvindt, meestal via oogbewegingen. Deze interventies bouwen voort op het idee van de lichaamsherinnering van trauma, elk vanuit een net iets andere invalshoek. Het werkingsmechanisme is nog altijd onderwerp van onderzoek en debat; Marcel van den Hout en Iris Engelhard beargumenteren in Journal of Experimental Psychopathology (2012) op basis van experimenteel werk dat de oogbewegingen vooral het werkgeheugen belasten, waardoor de herinnering minder levendig en minder emotioneel beladen wordt opgeslagen – een verklaring die losstaat van Shapiro’s oorspronkelijke, meer speculatieve theorie over adaptieve informatieverwerking. Voor de psychosociaal therapeut is dit onderscheid relevant: het rechtvaardigt geen dogmatische keuze vóór of tegen lichaamsgerichte technieken, maar wijst op de noodzaak om per cliënt, per fase van herstel en per type klacht te bepalen of stabilisatie, cognitieve verwerking of somatische regulatie op dat moment het meest aangewezen is – een afweging die in de klinische praktijk vaak fasegericht wordt vormgegeven, zoals Herman (1992) al voorstelde met haar driefasenmodel van veiligheid, verwerking en herverbinding. Dat fasemodel functioneert in de hedendaagse psychosociale praktijk vaak als een pragmatisch kompas: eerst stabilisatie en veiligheid, pas daarna gerichte traumaverwerking, en ten slotte aandacht voor herverbinding met werk, relaties en gemeenschap, ook al waarschuwen sommige onderzoekers dat een te rigide vasthouden aan die volgorde behandeling onnodig kan vertragen bij cliënten die al voldoende stabiliteit hebben om direct met verwerking te beginnen. Zowel bottom-up als top-down benaderingen erkennen de lichaamsherinnering van trauma als uitgangspunt. Beide interventiesporen erkennen op hun eigen manier de lichaamsherinnering van trauma als uitgangspunt voor herstel.

Het bewijs onder de behandelkamer: stevig bewijs en broze claims

De empirische ondersteuning voor traumabehandelingen is ongelijk verdeeld, en dat verdient meer aandacht dan de stellige claims die soms in populaire literatuur en trainingsaanbod circuleren. Een Cochrane-review van Bisson en collega’s (2013) concludeerde op basis van gerandomiseerd onderzoek dat traumagerichte cognitieve gedragstherapie en EMDR tot de best onderbouwde psychologische behandelingen voor chronische PTSS behoren, met consistent grotere effecten dan niet-traumagerichte ondersteunende therapie. Een latere netwerk-meta-analyse van Ilina Mavranezouli en collega’s in Psychological Medicine (2020), die tientallen gerandomiseerde trials onderling vergeleek, bevestigde dat individuele traumagerichte cognitieve gedragstherapie en EMDR onderling vergelijkbaar effectief zijn en beide superieur aan wachtlijstcondities en aan generieke counseling zonder specifieke traumafocus, al signaleerden de auteurs ook aanzienlijke heterogeniteit tussen studies en een risico op vertekening door kleine steekproeven. Opvallend is dat exposuretherapie, ondanks de weerstand die sommige lichaamsgerichte therapeuten er tegen voelen omdat cliënten zich actief aan traumaherinneringen moeten blootstellen, in vrijwel elke meta-analyse tot de best onderbouwde behandelvormen blijft behoren, wat een nuchtere herinnering is dat klinische aantrekkelijkheid en onderzoeksmatige effectiviteit niet altijd samenvallen.

Voor de meer lichaamsgerichte benaderingen is het bewijs voorlopig dunner. Een scoping review van Kuhfuß, Maldei, Hetmanek en Baumann in European Journal of Psychotraumatology (2021) bracht het beschikbare onderzoek naar Somatic Experiencing in kaart en concludeerde dat de methode veelbelovende, maar nog beperkte en methodologisch wisselvallige steun krijgt: het aantal gerandomiseerde, gecontroleerde trials is klein, de steekproeven zijn vaak bescheiden, en langetermijneffecten zijn onvoldoende onderzocht, ook al rapporteerden individuele trials – zoals eerder onderzoek naar Somatic Experiencing bij chronische lage rugpijn met PTSS-symptomen – positieve resultaten. Dit onderscheid tussen stevig bewijs en broze claims is essentieel bij het beoordelen van therapieën rond de lichaamsherinnering van trauma. Dat weerspiegelt een breder patroon in het traumaveld: interventies die intuïtief plausibel zijn en door ervaren clinici als werkzaam worden ervaren, hebben niet automatisch dezelfde onderzoeksbasis als de meer geprotocolleerde, makkelijker te randomiseren top-down behandelingen. Wetenschapsjournalistiek en kritische klinische reflectie doen er daarom goed aan onderscheid te maken tussen “bewezen effectief in gecontroleerde trials”, “veelbelovend maar onderonderzocht” en “theoretisch aantrekkelijk maar nauwelijks getoetst” – drie categorieën die in de praktijk van traumabehandeling nogal eens door elkaar worden gebruikt. Voor cliënten en verwijzers is dat onderscheid niet vrijblijvend: het bepaalt mede welke behandeling als eerste keuze verdedigbaar is wanneer wachtlijsten en beperkte middelen prioritering afdwingen, en het beschermt tegen de – begrijpelijke, maar risicovolle – neiging om een methode die persoonlijk goed heeft geholpen zonder meer te veralgemeniseren tot een breed inzetbare standaardbehandeling. Deze nuance is cruciaal voor wie behandelingen rond de lichaamsherinnering van trauma serieus wil beoordelen. Deze zorgvuldige afweging is precies waarom de lichaamsherinnering van trauma om deskundige begeleiding vraagt.

Trauma voorbij het individu: informed care en de grenzen van overerving

trauma en gezinssysteem

Twee ontwikkelingen verbreden het blikveld van individuele behandeltechnieken naar een breder maatschappelijk en biologisch perspectief. De lichaamsherinnering van trauma reikt daarmee verder dan het individu alleen, tot in gezinssystemen en generaties. De eerste is het concept trauma-informed care, dat de Amerikaanse Substance Abuse and Mental Health Services Administration in 2014 uitwerkte in een richtinggevend rapport met zes kernprincipes – veiligheid, betrouwbaarheid en transparantie, peer support, samenwerking, empowerment, en gevoeligheid voor cultuur en gender. Het idee is dat niet alleen therapeuten, maar ook scholen, ziekenhuizen en welzijnsorganisaties hun cultuur en bejegening aanpassen aan het besef dat een groot deel van hun cliënten en patiënten een traumageschiedenis heeft, zonder dat dit een aparte diagnose vereist. Kinderpsychiater Bruce Perry werkte deze gedachte, samen met Oprah Winfrey, in What Happened to You? (2021) uit tot een breed toegankelijk pleidooi om te vragen “wat is jou overkomen” in plaats van “wat mankeert jou” – een verschuiving die goed aansluit bij de relationele nadruk van Complex PTSS, maar die als breed organisatieprincipe nog beperkter kwantitatief geëvalueerd is dan individuele therapievormen.

De tweede ontwikkeling, epigenetica en intergenerationeel trauma, verdient bijzondere voorzichtigheid, omdat het onderzoek hier makkelijk overtrokken wordt weergegeven in populaire media. Rachel Yehuda en Amy Lehrner brachten in World Psychiatry (2018) de stand van zaken samen en concludeerden dat er aanwijzingen zijn dat extreme stress, zoals overleefde bij Holocaust-overlevenden, samenhangt met veranderde epigenetische markers en stresshormoonprofielen bij hun nakomelingen, maar dat het bewijs voor directe, causale overerving van “traumasporen” via epigenetische mechanismen bij mensen vooralsnog voorlopig en methodologisch beperkt is, onder meer door kleine steekproeven en de moeilijkheid om biologische overerving te scheiden van sociale en opvoedkundige overdracht van trauma binnen gezinnen. Populaire framingen die suggereren dat trauma “letterlijk in het DNA” van kleinkinderen zit, gaan daarmee verder dan wat de data op dit moment toestaan; wat wél consistent naar voren komt, is dat de gevolgen van trauma zich zelden tot één generatie of één individu beperken, en dat psychosociale therapie daarom ook oog moet houden voor het gezin, de gemeenschap en de sociale context waarin herstel plaatsvindt, in plaats van trauma louter als een individueel, in het brein of zenuwstelsel gelokaliseerd fenomeen te behandelen. Precies op dat snijvlak van individuele behandeling en collectieve context ligt de opdracht voor een kritisch-wetenschappelijke psychosociale therapie: theorieën als de polyvagaaltheorie, concepten als het venster van tolerantie en behandelvormen als EMDR of Somatic Experiencing serieus nemen als klinisch bruikbaar gereedschap, zonder ze de status van bewezen waarheid toe te kennen die het onderzoek, met alle voorlopigheid en debat die daarbij hoort, op dit moment eenvoudigweg niet biedt.

Bronnen

  • Grossman, P. et al., Fundamental challenges and likely refutations of the five basic premises of the polyvagal theory, Biological Psychology.
  • American Psychiatric Association. (2022). Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (5th ed., text rev.; DSM-5-TR).
  • World Health Organization. (2019). International Classification of Diseases, 11th Revision (ICD-11).
  • Herman, J. L. (1992). Trauma and Recovery: The Aftermath of Violence—from Domestic Abuse to Political Terror. Basic Books.
  • Brewin, C. R., Cloitre, M., Hyland, P., Shevlin, M., Maercker, A., Bryant, R. A., … & Reed, G. M. (2017). “A review of current evidence regarding the ICD-11 proposals for diagnosing PTSD and complex PTSD.” Clinical Psychology Review, 58, 1-15.
  • Cloitre, M., Hyland, P., Bisson, J. I., Brewin, C. R., Roberts, N. P., Karatzias, T., & Shevlin, M. (2019). “ICD-11 PTSD and Complex PTSD in the United States: A population-based study.” Journal of Traumatic Stress, 32(6), 833-842.
  • van der Kolk, B. A. (2014). The Body Keeps the Score: Brain, Mind, and Body in the Healing of Trauma. Viking.
  • Porges, S. W. (2009). “The polyvagal theory: New insights into adaptive reactions of the autonomic nervous system.” Cleveland Clinic Journal of Medicine, 76(Suppl 2), S86-S90.
  • Porges, S. W. (2025). “Polyvagal theory: current status, clinical applications, and future directions.” Clinical Neuropsychiatry, 22(3), 169-184.
  • Grossman, P., et al. (2026). “Why the polyvagal theory is untenable: An international expert evaluation of the polyvagal theory and commentary upon Porges.” Clinical Neuropsychiatry.
  • Siegel, D. J. (1999). The Developing Mind: How Relationships and the Brain Interact to Shape Who We Are. Guilford Press.
  • Levine, P. A. (1997). Waking the Tiger: Healing Trauma. North Atlantic Books.
  • Ogden, P., Minton, K., & Pain, C. (2006). Trauma and the Body: A Sensorimotor Approach to Psychotherapy. Norton.
  • Shapiro, F. (2018). Eye Movement Desensitization and Reprocessing (EMDR) Therapy: Basic Principles, Protocols, and Procedures (3rd ed.). Guilford Press.
  • van den Hout, M. A., & Engelhard, I. M. (2012). “How does EMDR work?” Journal of Experimental Psychopathology, 3(5), 724-738.
  • Mavranezouli, I., Megnin-Viggars, O., Daly, C., Dias, S., Welton, N. J., Stockton, S., … & Pilling, S. (2020). “Psychological treatments for post-traumatic stress disorder in adults: a network meta-analysis.” Psychological Medicine, 50(4), 542-555.
  • Bisson, J. I., Roberts, N. P., Andrew, M., Cooper, R., & Lewis, C. (2013). “Psychological therapies for chronic post-traumatic stress disorder (PTSD) in adults.” Cochrane Database of Systematic Reviews, (12), CD003388.
  • Kuhfuß, M., Maldei, T., Hetmanek, A., & Baumann, N. (2021). “Somatic experiencing, effectiveness and key factors of a body-oriented trauma therapy: A scoping literature review.” European Journal of Psychotraumatology, 12(1), 1929023.
  • Yehuda, R., & Lehrner, A. (2018). “Intergenerational transmission of trauma effects: putative role of epigenetic mechanisms.” World Psychiatry, 17(3), 243-257.
  • Perry, B. D., & Winfrey, O. (2021). What Happened to You? Conversations on Trauma, Resilience, and Healing. Flatiron Books.
  • Substance Abuse and Mental Health Services Administration. (2014). SAMHSA’s Concept of Trauma and Guidance for a Trauma-Informed Approach (HHS Publication No. SMA 14-4884).

Zo blijft de lichaamsherinnering van trauma een onderwerp dat voortdurende wetenschappelijke aandacht verdient. Dit brede perspectief hoort net zo goed bij de lichaamsherinnering van trauma als de individuele behandelkamer.

Auteur

Rick

Gepubliceerd op

27 augustus, 2026

Thema

Psychosociale Therapie

Deel dit artikel

Gerelateerde artikelen