Grenzen stellen: bevrijdende zelfzorg of de nieuwste therapiehype?

"Grenzen stellen" is dé zelfhulpterm van het decennium, maar wat zegt vijftig jaar gedragstherapeutisch onderzoek er eigenlijk over, en waar slaat de populaire framing door?

Inhoudsopgave

De vergeten geschiedenis van de assertiviteitstraining

grenzen stellen

Lang voordat Instagram-infographics ons vertelden dat “nee een volledige zin is”, ontstond het wetenschappelijke fundament onder grenzen stellen in de naoorlogse gedragstherapie. Grenzen stellen is dan ook geen nieuwe uitvinding, maar een concept met een lange onderzoeksgeschiedenis. De Zuid-Afrikaans-Amerikaanse psychiater Joseph Wolpe beschreef in zijn invloedrijke boek Psychotherapy by Reciprocal Inhibition (1958, Stanford University Press) hoe het aanleren van assertief gedrag angst kon remmen: wie leert om directe, gepaste eisen te stellen aan een ander, ervaart tegelijkertijd minder sociale angst, omdat de twee reacties elkaar in het zenuwstelsel als het ware in de weg zitten. Wolpe bouwde daarbij voort op het werk van Andrew Salter, wiens boek Conditioned Reflex Therapy uit 1949 wordt beschouwd als een van de eerste systematische pleidooien voor “excitatorische” persoonlijkheid: het idee dat onderdrukte spontane expressie de kern vormt van veel psychisch lijden. Salter werd hiermee, zoals ook een portret in the Observer van de Association for Psychological Science memoreert, een van de grondleggers van wat later de gedragstherapeutische traditie zou heten. Begin jaren zeventig werd dit gedachtegoed toegankelijk gemaakt voor een breed publiek door Robert Alberti en Michael Emmons met Your Perfect Right: A Guide to Assertive Behavior (1970), een boek dat volgens historici van het vakgebied de brug sloeg tussen klinisch onderzoek en de zelfhulpindustrie die er later uit zou voortkomen. Interessant is dat juist deze oorsprong tegenwoordig grotendeels vergeten lijkt: in een veelgeciteerd artikel in Clinical Psychology: Science and Practice noemen Brittany Speed, Blaise Goldstein en Marvin Goldfried (2018) assertiviteitstraining letterlijk “a forgotten evidence-based treatment”, een behandelvorm met een stevige onderzoeksbasis uit de jaren zestig en zeventig die grotendeels uit het curriculum van hedendaagse therapeutenopleidingen is verdwenen, terwijl de kern ervan inmiddels via social media een tweede leven leidt, losgezongen van het onderliggende onderzoek.

Dat vergeten fundament is problematisch, omdat het precies de nuance bevat die in de populaire versie vaak verloren gaat. Wolpe en Salter zagen assertiviteit nooit als een deugd op zichzelf, maar als een gedragsmatige vaardigheid die geoefend en gekalibreerd moest worden, te weinig assertiviteit leidt tot opgekropte frustratie en angst, te veel kantelt in vijandigheid en relationele schade. Die balans, niet het simpele “grenzen stellen mag altijd”, vormde de wetenschappelijke kern. Meer over deze aanpak vind je op de thema-pagina psychosociale therapie.

Het drie-wegmodel: het verschil tussen opkomen voor jezelf en over anderen heen walsen

Centraal in de klassieke assertiviteitsliteratuur staat een onderscheid dat in populaire content vaak wordt platgeslagen tot een simpel “grenzen stellen versus geen grenzen stellen”: het driewegmodel van passief, assertief en agressief gedrag. Passief gedrag betekent dat iemand de eigen behoeften, meningen of grenzen niet uit, vaak uit angst voor conflict of afwijzing; agressief gedrag betekent dat iemand de eigen behoeften wél uit, maar ten koste van de ander, zonder rekening te houden met diens perspectief; assertief gedrag zit daartussenin en veronderstelt dat iemand de eigen positie helder en respectvol verwoordt, met erkenning van de positie van de ander. Dit onderscheid, oorspronkelijk uitgewerkt in de gedragstherapeutische traditie, blijft ook in recenter onderzoek de kern van hoe assertiviteit wordt gemeten en getraind. Zo onderzochten Fray en Hector in 1987 in het International Journal for the Advancement of Counselling al hoe cultureel bepaald de grens tussen “assertief” en “agressief” eigenlijk is, een these waarop we hieronder terugkomen. Belangrijker voor de klinische praktijk is dat het onderscheid tussen de drie stijlen nog altijd de basis vormt van interventies: in een gerandomiseerde studie van Hagberg, Manhem, Oscarsson, Michel, Andersson en Carlbring, gepubliceerd in 2023 in Internet Interventions, kregen deelnemers een achtweekse, internetgebaseerde transdiagnostische cognitieve gedragstherapie gericht op assertiviteit, waarbij expliciet werd geoefend met het onderscheid tussen “adaptieve” (assertieve) en “niet-adaptieve” (passieve of agressieve) uitingsvormen. De resultaten waren opvallend robuust: effectgroottes voor toename van adaptieve assertiviteit varieerden van 0,95 tot 1,73 ten opzichte van een wachtlijstcontrolegroep, en de deelnemers rapporteerden ook een afname van sociale angst, ongeacht of ze begeleid werden door een therapeut of het programma zelfstandig doorliepen.

Dat laatste is klinisch relevant: het suggereert dat het aanleren van het onderscheid tussen de drie stijlen zelf een actief werkzaam bestanddeel is, los van de therapeutische relatie. Dit drie-wegmodel maakt duidelijk dat grenzen stellen niet hetzelfde is als over anderen heen walsen. Een recente meta-analyse van Hede, Malouff en Meynadier, verschenen in 2026 in het International Journal of Applied Positive Psychology, bundelde twaalf gerandomiseerde trials met in totaal 503 deelnemers en vond een middelgroot effect van assertiviteitstraining op sociale angstklachten (Hedges’ g = 0,62). Interessant is dat de auteurs assertiviteitstraining expliciet positioneren als een “positieve-psychologie-benadering die zich richt op het opbouwen van interpersoonlijke vaardigheden in plaats van op symptoomreductie”, een kader dat mogelijk laagdrempeliger is voor mensen die terugschrikken voor traditionele therapie vanwege stigma. Dat is een belangrijke nuance ten opzichte van de populaire framing waarin grenzen stellen soms wordt voorgesteld als een puur individuele, bijna morele opgave (“je moet gewoon meer van jezelf houden”), terwijl het onderzoek juist laat zien dat het om een trainbare, specifieke vaardigheid gaat die je stapsgewijs opbouwt, inclusief het risico op afglijden naar de agressieve pool wanneer de training eenzijdig de nadruk legt op “voor jezelf opkomen” zonder het relationele tegenwicht.

Hechting, schaamte en de angst voor afwijzing

Waarom vinden sommige mensen grenzen stellen bijna fysiek onmogelijk, terwijl het anderen moeiteloos afgaat? Een deel van het antwoord ligt in de hechtingstheorie. Mensen met een onveilige hechtingsstijl, met name de angstige/preoccupied variant, hebben volgens onderzoek meer moeite met het uiten van eigen behoeften uit angst de relatie te verliezen, terwijl mensen met een vermijdende hechtingsstijl juist grenzen kunnen misbruiken als afstandsstrategie in plaats van als verbindende vaardigheid. Een Franse studie van Anne Plantade-Gipch, Julien Bruno, Lionel Strub, Martine Bouvard en Charles Martin-Krumm, gepubliceerd in 2023 in Frontiers in Education, onderzocht bij 360 jongvolwassenen de samenhang tussen emotieregulatie, hechtingsstijl en assertiviteit als voorspellers van welbevinden. De onderzoekers vonden dat vooral zelfkritiek bij het ervaren van emoties en verlegenheid significant welbevinden voorspelden, verantwoordelijk voor ongeveer twintig procent van de verklaarde variantie, en pleitten op basis daarvan voor interventies gericht op zowel emotieregulatie als assertiviteitsopbouw in het hoger onderwijs, zeker na de verhoogde emotionele ontregeling die zij vonden bij studenten die had blootgestaan aan grensoverschrijdend gedrag of aanzienlijke impact van de coronapandemie. Deze bevinding sluit aan bij een breder patroon in de klinische literatuur: mensen die als kind leerden dat het uiten van eigen behoeften de band met een ouder in gevaar bracht, ontwikkelen vaak een diepgewortelde associatie tussen “grenzen stellen” en “risico op verlating”, een associatie die niet zomaar verdwijnt door een lijstje met assertieve zinnetjes te lezen.

Een tweede, nauw verwante factor is afwijzingsgevoeligheid, een construct dat Geraldine Downey en S.I. Angst voor afwijzing is voor veel mensen de belangrijkste reden waarom grenzen stellen zo moeilijk voelt. Feldman in 1996 in het Journal of Personality and Social Psychology uitwerkten. Zij lieten zien dat mensen die sterk anticiperen op en angstig reageren op afwijzing, geneigd zijn ambigue signalen van anderen te interpreteren als daadwerkelijke afwijzing, wat weer leidt tot vermijdend of juist overmatig aanpassend gedrag in relaties, precies het type gedrag dat in de gedragstherapeutische traditie als “passief” wordt bestempeld. Schaamte speelt hierbij een cruciale rol: waar schuldgevoel zich richt op een gedraging (“ik deed iets verkeerd”), richt schaamte zich op het zelf (“ik bén verkeerd”), en die laatste beleving maakt het uiten van een grens existentieel bedreigend in plaats van praktisch ongemakkelijk. Dit is ook het terrein waarop onderzoeker Brené Brown internationale bekendheid verwierf. In Daring Greatly (2012, Gotham Books) beschrijft zij op basis van kwalitatief grounded-theory-onderzoek onder duizenden respondenten hoe kwetsbaarheid en schaamte de bereidheid om grenzen te stellen ondermijnen, en hoe zij bij mensen met een sterk gevoel van eigenwaarde juist een combinatie zag van compassie én heldere grenzen, haar veelgeciteerde uitspraak dat “de meest mededogende mensen ook de mensen met de duidelijkste grenzen zijn” is overigens grotendeels gebaseerd op haar eigen kwalitatieve, niet-experimentele onderzoekstraditie, en moet dus eerder gelezen worden als een klinisch geïnformeerde hypothese dan als een hard causaal bewijs, een nuance die in de duizenden Instagram-quotes van deze zin zelden wordt meegenomen.

De DBT-doorontwikkeling: interpersoonlijke effectiviteit als geleerde vaardigheid

Binnen de psychosociale therapie is het waarschijnlijk Marsha Linehan geweest die het klassieke assertiviteitsdenken het meest systematisch heeft doorontwikkeld tot een klinisch protocol. Een gerandomiseerd onderzoek naar transdiagnostische cognitieve gedragstherapie voor assertiviteit toont aan dat grenzen stellen als vaardigheid daadwerkelijk aan te leren is, met meetbare verbetering als resultaat. In haar dialectische gedragstherapie (DBT), oorspronkelijk ontwikkeld voor mensen met suïcidaliteit en de borderline-persoonlijkheidsstoornis en beschreven in haar vaardighedentrainingshandleiding (Linehan, tweede editie 2015, Guilford Press), vormt de module “interpersoonlijke effectiviteit” een directe doorontwikkeling van de klassieke assertiviteitstraining, aangevuld met specifiek op emotieregulatie gerichte technieken zoals de bekende DEAR MAN-vaardigheid (Describe, Express, Assert, Reinforce, stay Mindful, Appear confident, Negotiate). Het onderliggende inzicht is dat het uiten van een grens niet alleen een communicatietechniek is, maar ook vraagt om het reguleren van de emotionele activering die de poging om te communiceren vaak begeleidt, precies het punt waar veel populaire tips over grenzen stellen tekortschieten, omdat ze zich uitsluitend richten op de woorden (“zeg gewoon nee”) en niet op de fysiologische paniek die voorafgaat aan het uitspreken ervan. Een systematische review gepubliceerd in 2023 in PMC, over de toepassing van interpersoonlijke-effectiviteitsvaardigheden uit DBT in een communicatietraining voor klinisch verpleegkundig personeel, laat zien dat deze aanpak ook buiten de oorspronkelijke klinische populatie effectief lijkt: deelnemers rapporteerden na de training meer zelfvertrouwen in het aangeven van grenzen op de werkvloer en minder emotionele uitputting, wat suggereert dat de vaardigheid generaliseerbaar is naar niet-klinische, functionele contexten zoals werkrelaties. Dat is relevant voor de psychosociale praktijk, omdat het aangeeft dat grenzen stellen niet louter een persoonlijkheidskenmerk is dat je wel of niet hebt, maar een leerbare, trainbare set van deelvaardigheden, mits die training verder gaat dan het aanleren van standaardzinnen en ook de onderliggende emotieregulatie meeneemt.

De schaduwzijde: cultuur, marketing en de weerbarstigheid van "therapy-speak"

Hoezeer het wetenschappelijk fundament onder assertiviteitstraining ook overeind staat, de manier waarop “grenzen stellen” de afgelopen jaren via TikTok en Instagram is gepopulariseerd, verdient een kritische blik. Ten eerste is de klassieke aanname dat directe, verbale assertiviteit universeel de gezondste stijl is, cultureel beladen. Al in 1987 wezen Fray en Hector in het International Journal for the Advancement of Counselling erop dat de grens tussen “assertief” en “agressief” gedrag sterk cultuurafhankelijk is: gedrag dat in een individualistische, Noord-Amerikaanse context als gezond zelfvertrouwen geldt, kan in meer collectivistisch georiënteerde culturen worden ervaren als grof of respectloos ten opzichte van de groep. Harry Triandis, een van de grondleggers van de cross-culturele psychologie, beschreef in zijn invloedrijke artikel “Collectivism and Individualism as Cultural Syndromes” (Cross-Cultural Research, 1993) hoe in collectivistische samenlevingen de nadruk veel sterker ligt op harmonie binnen de groep en op indirecte, contextgevoelige communicatie, waardoor westerse assertiviteitsmodellen daar niet zomaar één-op-één toepasbaar zijn, een these die in de vertaling van “grenzen stellen”-content naar een wereldwijd, cultuurloos publiek op sociale media vrijwel volledig verdwijnt.

Ten tweede is er een reëel risico dat klinische taal wordt “gekaapt” en versimpeld tot een instrument dat weinig meer met de oorspronkelijke, genuanceerde betekenis te maken heeft. Filosofen Carme Isern-Mas en Manuel Almagro onderzochten dit fenomeen expliciet in hun artikel “Unmasking therapy-speak”, gepubliceerd in 2025 in Theoretical Medicine and Bioethics. Zij laten zien dat therapietaal, waaronder termen als grenzen, trauma en narcisme, weliswaar een emancipatoire functie kan hebben doordat het mensen taal geeft voor ervaringen die eerder onbenoembaar waren, maar dat diezelfde taal ook kan worden ingezet om normaal, onprettig gedrag te pathologiseren, om zelfdiagnoses te rechtvaardigen zonder klinische toetsing, en, cruciaal, om door mensen met relatief meer macht te worden “gewapend” tegen anderen, bijvoorbeeld door een partner die simpelweg oneens is met je, te bestempelen als iemand die “je grenzen niet respecteert” of als “narcistisch”, waarmee feitelijke en evaluatieve claims strategisch door elkaar worden gehaald. De marketing rond grenzen stellen gaat soms verder dan wat het onderzoek daadwerkelijk onderbouwt. Dit sluit aan bij een breder patroon dat in de populaire, journalistieke berichtgeving over “therapy-speak” wordt gesignaleerd: termen als “grenzen”, “trauma-response” en “narcistisch misbruik” worden op sociale media soms zo absolutistisch en decontextualiserend ingezet dat vrijwel elk ongemakkelijk gesprek kan worden herlabeld als een grensoverschrijding die eenzijdig “opgelost” moet worden door het contact simpelweg te verbreken, een reductie die geen recht doet aan de dialectische, tweerichtingsbenadering die zowel in het klassieke gedragstherapeutische model als in Linehans DBT-vaardigheden juist centraal staat. Ook het bekende populaire boek Boundaries: When to Say Yes, How to Say No to Take Control of Your Life van Henry Cloud en John Townsend (1992, Zondervan) verdient in dit licht een kritische kanttekening: het is buitengewoon invloedrijk geweest in het mainstream maken van het begrip grenzen, maar het is primair een pastoraal-populair, religieus geïnspireerd werk zonder empirische onderbouwing in peer-reviewed onderzoek, waardevol als toegankelijke inleiding, maar niet gelijk te stellen aan de evidence-based traditie van Wolpe, Salter, Speed en collega’s, of aan het gecontroleerde onderzoek van Linehan en Hagberg.

Grenzen stellen als vaardigheid, niet als identiteit

Het beeld dat uit de wetenschappelijke literatuur naar voren komt, is genuanceerder dan zowel de kritiekloze zelfhulp-hype als de cynische afwijzing ervan als “zoveelste trend” suggereren. Grenzen stellen is uiteindelijk een vaardigheid die te leren en te oefenen valt, geen vaste identiteit. Er bestaat een substantiële, decennialange onderzoekstraditie, van Wolpe en Salter tot de recente meta-analyse van Hede en collega’s uit 2026, die laat zien dat assertiviteitstraining een werkzame, leerbare vaardigheid oplevert die samenhangt met minder sociale angst en meer welbevinden. Tegelijkertijd is die vaardigheid geen simpel toverwoord: ze vraagt om het onderscheid tussen assertief, passief en agressief gedrag, ze wordt sterk gekleurd door hechtingservaringen en schaamtegevoeligheid, ze is cultureel gesitueerd in plaats van universeel, en ze kan, zoals Isern-Mas en Almagro laten zien, worden misbruikt als retorisch wapen wanneer therapeutische taal zonder klinische zorgvuldigheid wordt overgenomen. Voor de psychosociale therapiepraktijk betekent dit dat grenzen stellen het beste wordt behandeld als wat het oorspronkelijk was: een specifieke, trainbare interpersoonlijke vaardigheid die in de context van de cliënt, diens hechtingsgeschiedenis en diens culturele achtergrond moet worden begrepen, in plaats van als een universele identiteitsclaim die je op sociale media in een quote-kaartje samenvat. Wie moeite heeft met grenzen stellen, hoeft dus niet in de eerste plaats “meer van zichzelf te houden”, maar kan gebaat zijn bij concrete, geoefende vaardigheden, bij voorkeur onder begeleiding die zowel de woorden als de onderliggende emotieregulatie serieus neemt.

Bronnen

  • Ávila, A. et al., Efficacy of transdiagnostic cognitive-behavioral therapy for assertiveness: A randomized controlled trial, PMC.
  • Wolpe, J. (1958). Psychotherapy by Reciprocal Inhibition. Stanford University Press.
  • Salter, A. (1949). Conditioned Reflex Therapy. Creative Age Press.
  • Alberti, R. E., & Emmons, M. L. (1970). Your Perfect Right: A Guide to Assertive Behavior. Impact Publishers.
  • Speed, B. C., Goldstein, B. L., & Goldfried, M. R. (2018). “Assertiveness Training: A Forgotten Evidence-Based Treatment.” Clinical Psychology: Science and Practice, 25(1), e12216.
  • Hagberg, T., Manhem, P., Oscarsson, M., Michel, F., Andersson, G., & Carlbring, P. (2023). “Efficacy of transdiagnostic cognitive-behavioral therapy for assertiveness: A randomized controlled trial.” Internet Interventions, 32, 100629.
  • Hede, J. P., Malouff, J. M., & Meynadier, J. (2026). “A meta-analysis of randomised controlled trials on the efficacy of assertiveness training for social anxiety.” International Journal of Applied Positive Psychology, 11(2), article 28.
  • Plantade-Gipch, A., Bruno, J., Strub, L., Bouvard, M., & Martin-Krumm, C. (2023). “Emotional regulation, attachment style, and assertiveness as determinants of well-being in emerging adults.” Frontiers in Education, 8, 1058519.
  • Downey, G., & Feldman, S. I. (1996). “Implications of rejection sensitivity for intimate relationships.” Journal of Personality and Social Psychology, 70(6), 1327–1343.
  • Fray, J. S., & Hector, M. A. (1987). “The assertive-aggressive distinction and the cross-cultural perspective.” International Journal for the Advancement of Counselling, 10(2), 103–110.
  • Triandis, H. C. (1993). “Collectivism and Individualism as Cultural Syndromes.” Cross-Cultural Research, 27(3–4), 155–180.
  • Linehan, M. M. (2015). DBT Skills Training Manual (2nd ed.). Guilford Press.
  • Isern-Mas, C., & Almagro, M. (2025). “Unmasking therapy-speak.” Theoretical Medicine and Bioethics, 46(6), 465–489.
  • Brown, B. (2012). Daring Greatly: How the Courage to Be Vulnerable Transforms the Way We Live, Love, Parent, and Lead. Gotham Books.
  • Branden, N. (1994). The Six Pillars of Self-Esteem. Bantam Books.
  • Cloud, H., & Townsend, J. (1992). Boundaries: When to Say Yes, How to Say No to Take Control of Your Life. Zondervan.
  • Bowlby, J. (1969). Attachment and Loss, Vol. 1: Attachment. Basic Books.

Auteur

Rick

Gepubliceerd op

27 augustus, 2026

Thema

Psychosociale Therapie

Deel dit artikel

Gerelateerde artikelen