Liefde die zich herhaalt: de wetenschap achter relatiepatronen

Van partner tot partner blijkt hetzelfde conflict terug te keren. Hechtingsonderzoek, Gottmans observatiestudies en EFT verklaren die opvallende herhaling in relaties.

Inhoudsopgave

Freuds spookbeeld: de herhalingsdwang en haar wetenschappelijke grenzen

Hechtingsstijl relaties patronen

Hechtingsstijl relaties blijken een verrassend sterke voorspeller van terugkerende conflictpatronen tussen partners. Wie in de spreekkamer van een psychosociaal therapeut komt met de klacht “ik trek toch steeds hetzelfde type partner aan”, hoort vroeg of laat een verwijzing naar Sigmund Freud, die in Beyond the Pleasure Principle (1920) het begrip herhalingsdwang introduceerde: de onbewuste neiging om pijnlijke ervaringen opnieuw op te zoeken, niet om ze te vieren maar in een vergeefse poging ze alsnog te beheersen. Freuds these was klinisch-speculatief, gebaseerd op individuele gevalsbeschrijvingen, niet op systematisch longitudinaal onderzoek zoals de gedragswetenschap dat vandaag eist, en dat maakt het een concept dat historisch invloedrijk is maar empirisch moeilijk te toetsen blijft. De objectrelatietheorie die na Freud opkwam, met name het werk van Ronald Fairbairn (1952) en Donald Winnicott (1965), verfijnde het idee: vroege interacties met verzorgers zouden een intern relatiemodel vormen, bij Fairbairn een systeem van “afgesplitste” object-representaties, bij Winnicott een balans tussen “goed genoeg” ouderschap en de ontwikkeling van een waarachtig zelf, dat later onbewust op partners wordt geprojecteerd. Ook dit blijft grotendeels een theoretisch bouwwerk, ontwikkeld vanuit klinische praktijk met kinderen en volwassenen in analyse, niet vanuit prospectieve cohortstudies. De vraag die dit artikel wil beantwoorden is niet of deze ideeën mooi klinken, dat doen ze, maar in hoeverre de claim dat “we onze jeugd herhalen in latere relaties” daadwerkelijk empirisch onderbouwd is, en dat vraagt om een andere onderzoekslijn: de hechtingswetenschap die begon bij John Bowlby en Mary Ainsworth. Bowlby brak in Attachment and Loss (1969) met de psychoanalytische speculatie door hechting te herformuleren als een evolutionair, gedragsbiologisch systeem, en Ainsworth gaf dat empirisch gewicht met de Strange Situation-procedure, waarmee voor het eerst systematisch onderscheid werd gemaakt tussen veilige en onveilige hechtingspatronen bij jonge kinderen. Cynthia Hazan en Phillip Shaver bouwden in 1987 de brug naar de volwassen liefde met hun invloedrijke studie “Romantic love conceptualized as an attachment process”, gepubliceerd in Journal of Personality and Social Psychology, waarin zij lieten zien dat volwassenen in romantische relaties vergelijkbare patronen van nabijheid zoeken, veilige haven en separatieangst vertonen als kinderen bij hun verzorgers, een bevinding die het startpunt vormt van decennia empirisch hechtingsonderzoek naar relatiepatronen, in plaats van het klinisch-speculatieve terrein waarin Freud en de objectrelatietheoretici zich bewogen.

Freud noemde dit fenomeen al herhalingsdwang, maar moderne wetenschap verklaart hechtingsstijl relaties inmiddels veel preciezer.

Hechtingsstijlen als voorspeller: het longitudinale bewijs

De vraag of vroege hechtingservaringen daadwerkelijk voorspellen hoe iemand zich decennia later in een liefdesrelatie gedraagt, is preciezer te beantwoorden dan de vraag of we onbewust “onze jeugd herhalen” in psychoanalytische zin. Longitudinaal onderzoek naar hechtingsstijl relaties laat consistente patronen zien over meerdere decennia. Chris Fraley voerde in 2002 een invloedrijke meta-analyse uit, gepubliceerd in Personality and Social Psychology Review, waarin hij de stabiliteit van hechtingspatronen van kindertijd tot volwassenheid modelleerde en concludeerde dat er gematigde continuïteit bestaat, hechtingsstijl is dus geen vast karaktertrekje dat je meekrijgt en nooit meer kwijtraakt, maar ook geen toevallige toestand die willekeurig fluctueert; de correlaties tussen vroege en latere hechting liggen doorgaans in een gematigd bereik, wat ruimte laat voor zowel continuïteit als verandering. Recenter onderzoek, waaronder het overzichtsartikel van William Chopik en collega’s uit 2024 in Social and Personality Psychology Compass getiteld “Attachment security and how to get it”, bevestigt dat hechtingsonzekerheid samenhangt met lagere relatietevredenheid, maar benadrukt tegelijk dat levensgebeurtenissen, een stabiele nieuwe relatie, therapie, ouderschap, hechtingsrepresentaties kunnen bijstellen. Dat nuanceert het populaire beeld dat je “gewoon” een hechtingsstijl hebt zoals een bloedgroep. Belangrijk is ook de meta-analytische bevinding van onder anderen Li en Chan (gepubliceerd in European Journal of Social Psychology, 2012) dat angstige en vermijdende hechting op net iets andere manieren doorwerken in relatiekwaliteit: angstige hechting hangt sterker samen met destructieve conflictpatronen, vermijdende hechting met lagere intimiteit en zelfonthulling. Karney en Bradbury waarschuwden echter al in hun klassieke overzichtsartikel uit 1995 in Psychological Bulletin dat longitudinaal relatieonderzoek methodologisch kwetsbaar is: steekproeven zijn vaak welvarend en wit, follow-uptermijnen wisselen sterk, en correlatie tussen vroege kenmerken en latere uitkomsten wordt te makkelijk gelezen als bewijs voor een deterministisch mechanisme. Met andere woorden: hechtingsstijl voorspelt relatiepatronen in statistische zin, over grote groepen mensen gemeten, maar dat is iets anders dan de klinische bewering dat een individuele cliënt “dus” zijn jeugdtrauma naspeelt, die vertaalslag van groepsstatistiek naar individuele verklaring is precies waar populaire relatiepsychologie vaak te hard van stapel loopt.

Een klassieke studie, Attachment styles among young adults: a test of a four-category model (PubMed), vormde de basis voor veel later onderzoek naar hechtingsstijl relaties bij volwassenen.

Zo blijft hechtingsstijl relaties een van de meest onderzochte en best onderbouwde thema’s binnen de relatiewetenschap.

Gottmans vier ruiters en de grenzen van voorspelling

Waar hechtingsonderzoek zich vooral richt op de vroege oorsprong van relatiepatronen, keek John Gottman naar wat er binnen de relatie zélf gebeurt dat patronen van destructie voorspelt. De vier ruiters van Gottman helpen voorspellen hoe hechtingsstijl relaties escaleren tot destructieve patronen. In zijn met Robert Levenson uitgevoerde longitudinale studie “Marital processes predictive of later dissolution: Behavior, physiology, and health”, gepubliceerd in 1992 in Journal of Personality and Social Psychology, volgde hij koppels over meerdere jaren en identificeerde vier communicatiepatronen, kritiek, minachting, defensiviteit en stonewalling (het emotioneel dichtklappen), die hij later populariseerde als “de vier ruiters van de apocalyps”. Minachting bleek in dit en vervolgonderzoek de sterkste enkelvoudige voorspeller van scheiding, wat aansluit bij Gottmans bredere these dat het niet de aanwezigheid van conflict is die relaties breekt, maar de manier waarop partners elkaar tijdens conflict bejegenen. De vaak geciteerde claim dat Gottman scheiding “met 94 procent nauwkeurigheid” kan voorspellen, is overigens preciezer te formuleren: het gaat om retrospectieve classificatienauwkeurigheid binnen de eigen onderzoeksteams, gemeten in relatief kleine, zelfgeselecteerde steekproeven, en onafhankelijke replicatie op die exacte schaal is beperkter dan de marketing rond het Gottman Institute soms doet vermoeden, een nuance die ook methodologische critici als Karney en Bradbury (1995) benadrukken wanneer zij wijzen op het verschil tussen statistische associatie en klinische voorspelbaarheid bij individuele koppels. Gottmans observatiestudies bevestigen dat hechtingsstijl relaties mede bepaalt hoe koppels met conflict omgaan. Dat neemt niet weg dat het onderliggende patroon, destructieve communicatie als kernvoorspeller van relatieverval, in tientallen onafhankelijke studies is teruggevonden en inmiddels tot de best gerepliceerde bevindingen in de relatiewetenschap behoort. Voor de vraag naar relatiepatronen is dit relevant omdat het laat zien dat “hetzelfde patroon herhalen” niet alleen een kwestie is van wíe je kiest als partner, maar evenzeer van hóe je je, ongeacht wie je kiest, onder spanning gedraagt, een onderscheid dat in de klinische praktijk van psychosociale therapie vaak wordt vermengd terwijl het theoretisch en therapeutisch iets anders vraagt. Interessant is bovendien dat Gottmans latere werk, samengevat in zijn boek The Seven Principles for Making Marriage Work en in diverse vervolgpublicaties, een tweede voorspeller toevoegde die minstens zo relevant is voor het thema herhaling: de mate waarin partners elkaars “bids for connection”, kleine pogingen tot contact, een grapje, een zucht, een verzoek om aandacht, beantwoorden, wat hij “turning towards” noemde. Koppels die stabiel bleven, bleken in observationeel onderzoek in het “Love Lab” systematisch vaker naar elkaar toe te draaien dan koppels die uiteindelijk scheidden, en dat suggereert dat het relatiepatroon dat mensen “meenemen” naar nieuwe relaties evengoed een aangeleerde interactiegewoonte kan zijn als een diepliggend intrapsychisch scenario, een verschil met reële implicaties voor waar therapie zich op richt.

Kortom, wie deze signalen herkent, kan hechtingsstijl relaties proactief bijsturen voordat conflicten escaleren.

Emotionally Focused Therapy: patronen ontrafelen in de spreekkamer

Vanuit deze twee onderzoekslijnen, hechting als voorspeller van kwetsbaarheid, gedragspatronen als voorspeller van verval, ontwikkelde Sue Johnson samen met Leslie Greenberg in de jaren tachtig Emotionally Focused Therapy (EFT), een benadering die destructieve interactiecycli herkadert als uitingen van onvervulde hechtingsbehoeften: de “achtervolger-terugtrekker”-dynamiek die veel koppels herkennen, wordt in EFT niet gezien als karakterfout maar als een protestreactie op waargenomen emotionele onbereikbaarheid van de partner. EFT richt zich expliciet op het doorbreken van destructieve hechtingsstijl relaties binnen de spreekkamer. Johnson beschreef deze aanpak toegankelijk in Hold Me Tight (2008), maar de klinische claims steunen inmiddels op een aanzienlijke onderzoeksbasis: een meta-analyse van Susan Johnson en collega’s uit de jaren negentig liet al effectgroottes zien die gunstig afstaken bij andere koppeltherapieën, en dat beeld is recent herbevestigd. Een omvangrijke meta-analyse van Spengler en collega’s, in 2024 gepubliceerd in Couple and Family Psychology: Research and Practice onder de titel “A Comprehensive Meta-Analysis on the Efficacy of Emotionally Focused Couple Therapy”, vond over een groot aantal gecontroleerde studies consistente, matig-tot-grote effecten op relatietevredenheid, met aanwijzingen dat effecten na de behandeling stand houden. Deze aanpak laat zien dat hechtingsstijl relaties niet vaststaan, maar therapeutisch beïnvloedbaar zijn. Dat is een net iets ander soort bewijs dan waarover de andere in dit artikel besproken, meer populaire benaderingen beschikken: Harville Hendrix’ Imago Relationship Therapy, geïntroduceerd in Getting the Love You Want (1988), stelt eveneens dat mensen onbewust partners kiezen die lijken op hun ouders om onafgemaakte kindertijdzaken alsnog te “genezen”, een claim die dicht bij Freuds herhalingsdwang blijft staan, maar het aantal gecontroleerde effectiviteitsstudies is aanzienlijk kleiner. Een van de weinige gerandomiseerde trials, uitgevoerd door Gehlert, Schmidt, Giegerich en Luquet en gepubliceerd in 2016 in het Journal of Couple & Relationship Therapy, vond weliswaar statistisch significante verbeteringen in relatietevredenheid na een Imago-workshop, maar met een kleine steekproef, geen actieve controleconditie van vergelijkbare intensiteit en beperkte follow-up, methodologisch dus een andere orde van grootte dan de tientallen gecontroleerde EFT-trials die inmiddels zijn gebundeld. Dat verschil in bewijslast is relevant voor psychosociale therapeuten: het theoretische verhaal achter Imago is intuïtief aantrekkelijk, maar wie zich laat leiden door wat er daadwerkelijk herhaald en getoetst is, komt eerder bij EFT, de Gottman Method en hechtingsgeïnformeerde interventies uit dan bij de meer speculatieve, psychoanalytisch geïnspireerde modellen.

Steeds meer therapeuten integreren inzichten over hechtingsstijl relaties in hun dagelijkse praktijk met stellen.

Vastgeroest of veranderlijk: de wetenschap over 'earned secure attachment'

De kernvraag voor iedereen die zich herkent in herhalende relatiepatronen is uiteindelijk niet alleen waar het patroon vandaan komt, maar of het te doorbreken is, en hier biedt de wetenschap voorzichtig optimisme, mits met de juiste kanttekeningen. Het concept “earned secure attachment” (verworven veilige hechting) verwijst naar volwassenen die ondanks een onveilige of belastende jeugd toch een samenhangend, veilig hechtingsprofiel ontwikkelen, meetbaar met het Adult Attachment Interview. Glenn Roisman en collega’s onderzochten dit in hun veelgeciteerde studie “Earned-secure attachment status in retrospect and prospect”, in 2002 gepubliceerd in Child Development, als onderdeel van de Minnesota Longitudinal Study of Risk and Adaptation, en vonden dat verworven veilige volwassenen weliswaar meer depressieve symptomen rapporteerden dan continu-veilige volwassenen, maar in hun huidige relaties en ouderschap functioneerden op een niveau dat vergelijkbaar was met continu-veilige groepen, een indicatie dat verandering mogelijk is, ook al is het proces niet zonder sporen. Een meer recente scoping review van Maria Filosa, Carla Sharp, Alessio Gori en Alessandro Musetti, in 2024 gepubliceerd in Psychological Reports, bracht de sindsdien verschenen empirische studies naar verworven veilige hechting systematisch in kaart en concludeerde dat het fenomeen robuust is teruggevonden over verschillende steekproeven en meetmethoden, maar dat de precieze mechanismen, steunende partnerrelaties, therapie, reflectief vermogen, levensgebeurtenissen, nog onvoldoende causaal zijn ontrafeld, mede omdat veel onderliggende studies correlationeel van aard blijven. Dat sluit aan bij wat Sue Johnson met EFT en de bredere hechtingsgeïnformeerde therapietraditie klinisch beogen: niet het “wegtherapeutiseren” van een hechtingsstijl als een label, maar het creëren van herhaalde, corrigerende ervaringen van beschikbaarheid en responsiviteit, met een partner, een therapeut, of beide, die het interne werkmodel geleidelijk kunnen laten verschuiven. Klinisch vertaalt zich dat in wat EFT-onderzoekers een “softening”-moment noemen: het punt in therapie waarop de doorgaans meer terugtrekkende partner voor het eerst expliciet kwetsbaarheid en hechtingsbehoefte laat zien in plaats van afstand, wat in procesonderzoek herhaaldelijk samenhangt met blijvende verbetering van de relatie op langere termijn, en dat is precies het type concreet, observeerbaar mechanisme dat in de meer psychoanalytisch geïnspireerde tradities zoals Imago en de klassieke herhalingsdwang-hypothese doorgaans ontbreekt. Voor de psychosociale praktijk betekent dit alles een dubbele nuance: enerzijds is er reëel, gerepliceerd bewijs dat vroege patronen doorwerken in latere relatiekeuzes en -dynamieken, en dat rechtvaardigt aandacht voor de gehechtheidsgeschiedenis in therapie; anderzijds is het determinisme van “je herhaalt nu eenmaal je jeugd” wetenschappelijk niet houdbaar als absolute uitspraak, en dat besef, dat patronen statistisch waarschijnlijk maar niet onvermijdelijk zijn, is precies wat evidence-based relatietherapie onderscheidt van de meer fatalistische populaire psychologie waarin cliënten soms terechtkomen.

Bronnen

  • Bowlby, J. (1969). Attachment and Loss, Vol. 1: Attachment. Basic Books.
  • Ainsworth, M. D. S., Blehar, M. C., Waters, E., & Wall, S. (1978). Patterns of Attachment: A Psychological Study of the Strange Situation. Lawrence Erlbaum.
  • Hazan, C., & Shaver, P. (1987). “Romantic love conceptualized as an attachment process.” Journal of Personality and Social Psychology, 52(3), 511-524.
  • Gottman, J. M., & Levenson, R. W. (1992). “Marital processes predictive of later dissolution: Behavior, physiology, and health.” Journal of Personality and Social Psychology, 63(2), 221-233.
  • Gottman, J. M., & Silver, N. (1999). The Seven Principles for Making Marriage Work. Crown Publishers.
  • Bradley, B., & Furrow, J. L. (2004). “Toward a mini-theory of the blamer softening event: Tracking the moment-by-moment process.” Journal of Marital and Family Therapy, 30(2), 233-246.
  • Karney, B. R., & Bradbury, T. N. (1995). “The longitudinal course of marital quality and stability: A review of theory, methods, and research.” Psychological Bulletin, 118(1), 3-34.
  • Roisman, G. I., Padrón, E., Sroufe, L. A., & Egeland, B. (2002). “Earned-secure attachment status in retrospect and prospect.” Child Development, 73(4), 1204-1219.
  • Fraley, R. C. (2002). “Attachment stability from infancy to adulthood: Meta-analysis and dynamic modeling of developmental mechanisms.” Personality and Social Psychology Review, 6(2), 123-151.
  • Li, T., & Chan, D. K.-S. (2012). “How anxious and avoidant attachment affect romantic relationship quality differently: A meta-analytic review.” European Journal of Social Psychology, 42(4), 406-419.
  • Johnson, S. M. (2008). Hold Me Tight: Seven Conversations for a Lifetime of Love. Little, Brown Spark.
  • Spengler, P. M., et al. (2024). “A comprehensive meta-analysis on the efficacy of emotionally focused couple therapy.” Couple and Family Psychology: Research and Practice. https://doi.org/10.1037/cfp0000233
  • Chopik, W. J., Weidmann, R., & Oh, J. (2024). “Attachment security and how to get it.” Social and Personality Psychology Compass, 18(1). https://doi.org/10.1111/spc3.12808
  • Filosa, M., Sharp, C., Gori, A., & Musetti, A. (2024). “A comprehensive scoping review of empirical studies on earned secure attachment.” Psychological Reports. https://doi.org/10.1177/00332941241277495
  • Freud, S. (1920). Beyond the Pleasure Principle. International Psycho-Analytical Press.
  • Fairbairn, W. R. D. (1952). Psychoanalytic Studies of the Personality. Routledge.
  • Winnicott, D. W. (1965). The Maturational Processes and the Facilitating Environment. Hogarth Press.
  • Hendrix, H. (1988). Getting the Love You Want: A Guide for Couples. Henry Holt.
  • Gehlert, N. C., Schmidt, C. D., Giegerich, V., & Luquet, W. (2016). “Randomized controlled trial of Imago Relationship Therapy: Exploring statistical and clinical significance.” Journal of Couple & Relationship Therapy, 16(3), 188-209.

Hechtingsstijl relaties earned secure attachment

Meer lezen over hechtingsstijl relaties en relatietherapie? Bekijk de thema-pagina psychosociale therapie voor meer achtergrondartikelen.

Het besef dat hechtingsstijl relaties veranderlijk zijn, biedt hoop voor wie vastzit in terugkerende patronen.

Auteur

Rick

Gepubliceerd op

27 augustus, 2026

Thema

Psychosociale Therapie

Deel dit artikel

Gerelateerde artikelen